DE KERK EN DE HOOP DER KERK.
DE BETERE, WIJL SCHRIFTUUR LIJKE, WEG.
II. (Slot).
Maar, moeten we dan de jeugd werkeloos in haar toestand laten ? Moeten wij dan maar ongevoelig toezien, als zij in haar nood omkomt ?
Neen, dat zeker niet! De kerk, wij allen hebben hier eene dure roeping. Daarop wil Ik nog even wijzen. Het is naar ik meen, de betere weg, dien ik u wijzen ga, al is het dan ook geen nieuwe, maar een zeer oude.
Aan de gewone bediening des Woords, in de gewone samenkomsten der gemeente moet alle zorg worden besteed. Door den prediker moet hier gewoekerd worden met al de talenten, maar ook met het ééne, die hij van God heeft ontvangen. Zoo dikwijls wordt veel meer tijd en kracht besteed aan het nieuwe, aan wat nu weer in de mode is. Zou het niet waar zijn, dat menig jeugdprediker zich meer inspant voor een jeugddienst dan voor een gewone kerkbeurt ? De prediking van het Evangelie van Jezus Christus is zóó kostelijk, zóó rijk, zóó ontzaglijk, dat zij waard is alle toewijding, alle liefde, alle kracht van den prediker ! En wat is er dikwijls eene lauwheid, en eene traagheid, en een gemakzucht, een zelfs op Zaterdag nog verbeuzelen van zijn tijd. O, als wij, predikers, de hand in eigen boezem steken, dan komt zij er zoo melaatsch uit!
En daarom, dat er onder de bede : „Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, " zij een inspannen van alle krachten voor die schoone, wonderlijke taak van de prediking van Gods Woord ! Ook hier geldt de belofte des Heeren : „Die zijn weg wel aanstelt, zal ik Mijn heil doen zien."
En dan niet vergeten, dat er aan den voet van den kansel ook zitten jongelingen en jongedochters, met hun bijzondere nooden en behoeften, met hun eigen vragen en strijd. Het is niet noodig, dat zij altijd apart worden toegesproken, maar zij moeten voelen : er wordt met liefde ook aan ons gedacht, wij hooren er ook bij. Ja, zij hooren er ook bij. En voor menig jongere van jaren is de gewone verkondiging van het Evangelie tot rijken, tot eeuwigen zegen geweest.
Onder de lezers van dit stuk zullen er wel zijn, die dat dankbaar, tot roem van Gods opzoekende zondaarsliefde, persoonlijk mogen getuigen.
Een ander middel, om ook de rijpende en rijpere jeugd te bearbeiden, is natuurlijk het onderwijs, dat op de catechisaties vanwege de kerk wordt gegeven. Op dit punt in het bijzonder is door prof. Visscher met kracht gewezen in : „Het Gereformeerde Weekblad", waarin hij schreef onder het opschrift: „Van de jongeren." Al denk ik natuurlijk over sommige punten weer anders, hartelijk ben ik het met onzen professor eens, als hij wijst op de schuld van de kerk op dit punt, en op het hooge belang van het catechetisch onderricht. Kortheidshalve kan ik verwijzen naar de uitnemende artikelen van prof. Visscher.
Alleen dus dit eene, met nadruk : goed voorbereide, met opgewektheid, met bezieling, met liefde, vooral ook met trouw, gehouden catechisaties kunnen, en zullen, ook nu nog een krachtig middel zijn, om de jeugd, die wij nog bereiken, vast te houden.
Eene belangrijke taak met betrekking tot de jongeren hebben zeker ook de christelijke scholen, zoowel de lagere als de middelbare. Onderwijzers en leeraren hebben een zeer verantwoordelijke positie. Wat kan er van hen onder den zegen des Heeren een invloed ten goede uitgaan ! Menig onderwijzer, menig leeraar wordt het geheele leven niet vergeten. En de eeuwigheid zal de vruchten ook van hun werk openbaren.
Maar ook, meer dan één onderwijzer en leer aar aan christelijke scholen staat schuldig aan het verhinderen van de jongeren. Gebrek aan ernst bij het bidden, bij het spreken over Gods Woord, over Gods volk, over de Kerk, kan zoo nameloos veel kwaad doen.
Het waarlijk christelijke ontbreekt op zoo menige school, waar wel het etiket, „christelijk" opgeplakt is. In het bijzonder op de scholen voor de rijpende jeugd is het in dit opzicht dikwijls droevig gesteld. Heel duidelijk komt dit vooral wel uit, als ge let op het wereldsche van de feesten, die schoolvereenigingen en - clubs houden, in tegenwoordigheid en onder toezicht nog wel van leeraren.
Laten besturen en ouders toch meer toezien, en met kracht optreden, want hier dreigen groote gevaren! In deze dagen is wel gezegd en geschreven: „Beter geen vloot dan zulk een vloot, " — zoo kunnen we ook hier wel zeggen : „beter geen christelijke school dan zulk een christelijke school." - -„Corruptio optimi pessima" — het bederf van het beste brengt tot het slechtste !
Er moet eene vernieuwing plaats hebben van vele christelijke scholen, met name ook van vele Hoogere Burgerscholen, Lycea, en Gymnasia, en dat als een middel om te grijpen de rijpende jeugd, die ten doode wankelt. Dit punt is van het allergrootste belang.
Op nog één punt — al zou er natuurlijk ook nog gewezen kunnen worden op het vereenigingsleven, op mogelijke evangelisatiesamenkomsten buiten den kerktijd, op het verspreiden van kleine, pittige geschriftjes — maar op nog één punt wil ik, om niet te lang te worden, alle aandacht vestigen, in verband ook met den arbeid onder de jongeren, en dat is : het huisbezoek. Van dit middel zou ik willen zeggen, wat door David gezegd werd van het zwaard van Goliath : „er is zijns gelijke niet." — Dat weten ook socialisten en communisten, en werkers in verkiezingsdagen. Alleen moeten er daartoe in de steden en ook op grootere dorpen meer predikanten zijn. Want velen staan hier werkelijk voor een absoluut onmogelijke taak. Dit doet echter niets af van de waarde van dat middel. En dus moet vooral ook in deze richting gearbeid worden, waar het maar eenigszins mogelijk is.
Van de Jeugddiensten moet worden gezegd : „invloed op het catechisatiebezoek hebben ze nog niet gehad." Maar van het huisbezoek kan ieder predikant op grond van eigen ervaring zeggen : daardoor krijgt ge catechisanten. Door het huisbezoek, zoo wel van mijn ouderlingen en verdere medewerkers, als van mijzelf, heb ik meermalen zeer trouwe catechisanten gekregen.
Persoonlijk contact, persoonlijk gesprek met de ouders, en ook met de jongeren zelf, kan in vele gevallen nog zoo gezegend werken. Het probleem van de jeugd is toch voor een groot deel het probleem van het gezin. Alle aandacht moet dus worden geschonken aan het gezin, die kostelijke cel van het maatschappelijk, en ook van het kerkelijk leven. Er moet arbeid besteed worden aan de gezinnen. De deuren worden in de groote steden al meer en meer gesloten. Maar nog zijn er vele, zeer vele open. Daardoor binnen te treden met de boodschap des Evangelies, dat blijft niet zonder vrucht.
DE WASDOM VAN BOVEN.
Wij moeten dus in het gebruik van alle Schriftuurlijke middelen alles doen, wat onze hand vindt om te doen, en dat met al onze macht, om de jongeren voor afdwalen te bewaren, en ook om de afgedwaalden weer terug te brengen onder de beademing van Gods Woord.
Maar van het allergrootste belang is het daarbij en daarboven den Heere te vragen om Zijn zegen, om de machtige werking van den Heiligen Geest. Ook op dit terrein is van toepassing het Schriftwoord : „Zoo de Heere het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan ; zoo de Heere de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.' Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzoo, dat Hij het Zijnen beminde als in den slaap geeft". (Psalm 127).
Er wordt hier en daar eene ontzaglijke actie gevoerd ook in het jeugdwerk. Maar zonder den zegen des Heeren zal het alles op niets uitloopen.
Wij hebben trouw te arbeiden, te zaaien aan alle wateren, maar in de diepe afhankelijkheid, waarin Paulus schreef : „Zoo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft." (1 Cor. 3 vers 7).
Dat dan degenen, die bidden geleerd hebben, letten op den noodtoestand onder de jongeren, ook dien nood en ellendigheid recht en grondig kennende, zich voor God verootmoedigen, om Hem te smeeken, als Aarons en Hurs, om Zijn genade, om Zijn Geest voor allen, die onder de jongeren arbeiden, !
De Heere wil om Zijn gaven gevraagd worden. Hij schenke door Zijn Geest veel gebed.
Maar, Hij wil ook zijn een Verhoorder van het gebed, ook van het gebed voor de jongeren. Ambrosius zei naar waarheid tot Monica, de Moeder van Augustinus, en het gold een bijna hopeloos geval: „Een kind van zoo veel gebeden kan niet verloren gaan." Gods wondermacht, Gods genade ij Christus, die geven moed ook bij het zware werk onder de jongeren van onzen tijd. Die geven ook zeker vrucht!
's-Gravenhage.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's