De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

Uit het ongeschreven Woord.

11 minuten leestijd

Genesis 4 : 6, 7. En de Heere zeide tot Kaïn : waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen ? Is er niet, indien gij weldoet, verhooging ? en zoo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijne begeerte is toch tot u en gij zult over hem heerschen.

2e Serie. Uit het onbeschreven Woord. XXII.
Het zedelijk bewustzijn des menschen is dus niet zonder besef van verantwoordelijkheid. Deze is gegrond in onze schepping naar Gods beeld. De wijsbegeerte moge hare krachten inspannen dezen zedelljken grondtrek weg te wisschen, slagen doet zij daarin niet. Ten laatste blijkt toch, dat de mensch zijn ware wezen en hetgeen daartoe behoort, niet kan verloochenen. Het is daarmede als met den mensch, wiens geweten als met een brandijzer dicht geschroeid was en die voor de poort der eeuwigheid die stemme Gods niet tot zwijgen vermag te brengen. Hij moet de aankondiging van zijn oordeel vernemen in de wroeging over zijn verloren leven. Ja, wie daarbij stil staat, die moet beseffen, hoe ontroerend ernstig het is om mensch te zijn, geschapen naar Gods beeld en als onsterflijk wezen bestemd om met zijn gansche leven ten laatste te verschijnen in het licht van het eeuwig recht van God. Dit juist is het, dat Gods Woord van den beginne aan der menschheid heeft geopenbaard, opdat zij niet te verontschuldigen zij. Wel werd het beproefd de eeuwen door zich vrij te pleiten 'm& i tot den Schepper te zeggen : „Waarom hebt Gij mij aldus gemaakt? " Wel heeft de mensch de scherpzinnigheid zijner rede te hulp geroepen en Wereldbeschouwingen uitgedacht, waarin de zonde ophield zonde te zijn en hij zelve werd vernederd tot een wezen, dat product Was van natuurkrachten, zoodat ook het kwade de vrucht werd van een spel van driften, waarvan zijn bewustzljn slechts het tooneel en hij zelve niet meer de handelende figuur was. En alzoo denkt ook vooral de moderne mensch aan de zedelijke waarheid te ontkomen door zich te verbergen voor zichzelven en te ontvlieden Van des Heeren aangezicht. Doch telkens opnieuw wordt het openbaar, hoe door dit streven de menschheid steeds dieper zedelijk wegzinkt. Zij ontmenschelijkt zichzelve en wordt ten laatste verschrikt voor haar eigen beeld, wanneer het woord van Schiller aan haar wordt bewaarheid : het ver­ schrikkelijkste aller dingen is de mensch in zijnen waan.
En eeuwen reeds voordat er van een geschreven Godswoord sprake was, is den mensch het eeuwig licht van Gods recht opgegaan over zijn leven. Aan Kaïn heeft de Heere het geopenbaard, dat hij wel moest weten, hoe hij verantwoordelijk stond, hoe de weg der verootmoediging leidt tot vergeving, hoe ware vreeze Gods de vrucht baart van de verhooging in de aanneming tot het kindschap Gods.
Maar daarbenevens wordt aan Kaïn nu ook de keerzijde aldus voorgesteld : „en zoo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur". Daarmede wordt het menschelijk leven gesteld in het licht der gerechtigheid Gods. Den mensch, die niet komt tot een weldoen, dat van het welzijn de vrucht is, wordt hier het ontroerend lot aangezegd dat hem wacht. Kaïn moet het weten, dat het volle gewicht der verantwoordelijkheid voor zijn levensstaat op hem rust en voor zijne levensdaden tevens. „Indien gij niet weldoet", zoo zegt de Heere tot hem en bepaalt Hij Kaïn's aandacht andermaal bij de wijze, waarop hij zijn offer, had gebracht. Kaïn moet het weten, dat als hy in zijne onbekeerlykheid voortgaat, ook daaruit gevolgen zullen opkomen, die voor zijn gansche leven vreeselijk zullen blijken. En door dit exempel van Kaïn wordt nu aan de gansche menschheid voorgesteld, dat de onbekeerlijkheid voor hare levensontplooiing van beslissend gewicht is. De mensch kan het wel denken, dikwijls ook zelfs zeggen, dat het er niet op aankomt, wat wij eigenlijk belyden, gelooven en zijn, als wij maar eene zekere goeddadigheid betrachten. Maar God leert het hier aan Kaïn en door zijn voorbeeld aan ons, dat juist omgekeerd in het hart zijn de uitgangen des levens. De ervaring leert dan ook, dat het eene verkeerde beschouwing van het geloofsleven is, wanneer door de wijsbegeerte aan de menschen wordt gepredikt, dat het er niet op aankomt, wat men gelooft. Dergelijke, vooral in onze dagen gepropageerde, meening berust op een misverstand. Hetgeen de mensch belijdt, staat niet op zichzelf, maar hangt met zijn innerlljken levensstand, met het diepst van zijn zieleleven saam. En daarin, als twee schijnen hetzelfde te doen, dan is het nog niet hetzelfde. Het offer door Habel gebracht, was een ander dan dat van Kaïn. En de Heere leert het ons, dat de staat van ons zielewezen beslist over hetgeen wij doen en zijn. En zoo is ook het geloof van Gods gemeente niet slechts te beschouwen en te waardeeren als een soort levensphilosophie, die gemakkelijk kan worden vervangen door een andere. Het is geen vrucht van de wijsheid dezer wereld, wordt niet verkregen door geleerdheid en door ontwikkeling des verstands, zooals het ook niet door vorming des verstands kan verdwijnen. Indien dit het geval ware, dan zou het geloof van Gods Kerk reeds lang verdwenen zijn uit de wereld als eene verouderde antiquiteit. Ja, zij hebben het daarvoor wel willen uitgeven, maar de wijsheid, die dit propageerde, is zelve alreeds weer eene antiquiteit geworden, terwijl het geloof van Gods volk nog ongerept en onaantastbaar staat temidden dezer wereld, daar er altijd nog een overblijfsel leeft, dat naar de verkiezing is. En dit is zoo en zal zoo zijn, omdat het waar is, wat de Heere reeds aan Kaïn heeft geopenbaard, dat het aankomt op wie de mensch voor Gods aangezicht is In der waarheid.
Er is een weldoen en een niet-weldoen. Tusschen deze beide is er geen middenweg, zoo min als tusschen leven en dood. En ook hier geldt het, dat niemand twee heeren dienen kan. Maar Kaïn moet het weten, de Heere houdt het hem byzonderlijk voor : „Zoo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur". Indien hij volhardde in zijne vervreemding van God, in zijn ijverzucht tegenover zijn broeder, in zijn vijandschap en haat, in zijne onbekeerlykheid, dan zou zijn offer waardeloos zljn en bij de Heere niet geacht. En daarbenevens zou ook uit dien zondestaat een zondeleven opkomen, dat als de kwade boom kwade vruchten afwerpen zou. Kaïn moest het weten : in dien hij zich niet bekeerde, „de zonde ligt aan de deur".
Voor Kaïn beteekende dit de profetie van de misdaad, waartoe hij komen zou. De Heere ontdekt Hem in deze beeldspraak voor de ijzeren wet der consequentie, die ook in het zondeleven zich openbaart en over het zondeleven heerscht. Hetgeen de mensch is, het heeft gevolgen voor zijne daden, het zal zich openbaren in zijn uitwendig leven. Om dit aan Kaïn te leeren wordt Kaïn's hart vergeleken met een tempel of een huis. De inkleeding herinnert aan wat in de oudheid in het Oosten de gewoonte was. De tempels vertoonen toegangen, door de beelden van monsters en dieren omzoomd. Door een laan van beelden ging men op naar het heiligdom en deze beelden symboliseeren de bovenzinlijke machten en dienden als afweer van wat de Apostel genoemd heeft „de geestelijke boosheden in de lucht". Zoo wordt hier de zonde en hare bedreiging van den zondaar voorgesteld als liggende aan de deur des harten. Zij wordt vergeleken met het booze monster, dat zich neer hurkt bij de deur om zijn verslindend werk te doen, zoodra iemand zich naar buiten zal wagen. Gelijk elders van den satan gezegd wordt, dat hij rondgaat als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden, zoo wordt hier de zonde in hare verdervende, overweldigende macht, die den zondaar voortsleurt van kwaad tot kwaad, aan Kaïn geteekend als liggende aan de deur.
Zijne onbekeerlijkheid zal ook vruchten baren, zijne ongerechtigheid in daden uitbarsten en Kaïn zal het ervaren, hoe vreeselijk het dan is voor den mensch te vallen in de handen van 'den levenden God. Zoo ontdekt de Heere Kaïn, zoo waarschuwt Hij hem, zoo houdt Hij hem voor wat het einde zal zijn van de verharding in het kwaad.
De bekeering lijdt dus geen uitstel. Kaïn moet terstond komen tot het „weldoen", opdat hij de vergeving der zonden zal deelachtig worden, opdat de vuile bron zijner ongerechtigheden zal worden gereinigd en in zijn binnenste een vaste geest geboren zal worden, die hem leert tot den verzoeker te zeggen : gaat wég van mij. Die Geest moet hem ook de kracht geven zichzelven te overwinnen ook in zijn broederhaat, opdat hij zal bewaard worden van den booze.
Zoo wordt dus de zonde geteekend als het verscheurend monster, dat den zondaar zal verslinden, welks verwoestende kracht zich zal openbaren in de gevolgen der zondedaden zelve. Op haar rust Gods oordeel, op haar ligt de druk van Gods gerechtigheid. En in de volle afwikkeling van hetgeen in haar sluimert, wordt het vonnis over haar voltrokken.
De Heere geeft door dat woord dus aan Kaïn een vergezicht eenerzijds in de vrucht der gerechtigheid, anderzijds in hetgeen de ongerechtigheid hem brengen zal. En dat geschiedt met Kaïn, voordat hij tot zijn broedermoord komt. En daaruit wordt het nu duidelijk, hoe hier aan den mensch, die nog zoo dicht staat bij den val, een licht opgaat over de werking des gewetens.
Uit dat oogpunt gezien, is er in de woorden des Heeren tot Kaïn eene openbaring, die hem de werking der consciëntie verklaart. De Heere handelt door de consciëntie met ons, zooals Hij hier handelt met Kaïn. De consciëntie doet in den mensch hare sprake hooren, zoodra de gedachte aan de ongerechtige daad in hem opkomt. Zij waarschuwt vooraf om den mensch af te manen van zijn opdoemend kwaad voornemen. Zij legt Gods oordeel vooraf reeds bloot voor het menschelijk bewustzijn, gaat de zondedaad vooraf met het voorgevoel van het leed der straf, dat de zonde baren zal. 'Wat ons hier van Kaïn geteekend wordt, dat is het eeuwig menschelljke in den strijd der zonde, die al wat mensch heet, heeft te strijden. Ook tot de zondedaad komt de mensch niet dan door eene bange worsteling soms. De weg tot het leven door bekeering tot God gaat door den dood, zooals het tarwegraan door den dood gaat, als het een nieuwe aar zal doen opschieten. Maar ook de weg, die van zonde tot zonde leidt, gaat niet over rozen zonder doornen. De zondaar komt niet op eenmaal tot de rijpheid van de zondedaad. Ook deze is het product van een strijd, soms van een hangen strijd. Het pad des zondaars gaat door het dal der consciëntie, dat hem soms tot een dal van Achor wordt. De mensch heeft met den Heere God van doen. Ook de natuurlijke mensch, zooals hier in het voorbeeld van Kaïn ons blijkt. In de consciëntie is de sprake des Almachtigen, is Zijne vermanende, waarschuwende stem, die het oordeel aanzegt, die er van profeteert, die het als door eene schemering van licht laat zien, opdat de mensch, hare stem gehoor gevende, nog zal terugdeinzen, zich nog zal bezinnen op zichzelven, op zijn zondig bestaan, of er nog een wederkeer zal komen tot God.
Natuurlijk heeft de moderne mensch ook die consciëntie van haar wezen trachten te berooven door ook haar te verklaren als een product der evolutie en alzoo hare stem te smoren. Doch gelukken kon dit niet, omdat hare stem er niet door tot zwijgen wordt gebracht. Zij laat zich niet uitroeien, ook al kan de mensch voor hare vermaning zich doof houden, de ooren dicht stoppen en door alles heen de aandrift der zonde volgen. Maar zonder hare klacht toch niet! En zoo verschijnt hier nu Kaïn, terwijl God met hem spreekt, voordat hij de daad zelve voltrekt. En de Heere houdt het hem, voor, zooals Hij het millioenen na dezen voorgehouden heeft, welk een vreeselijke afloop er verbonden is met het niet wel-doen, met dien toestand des harten, waarin de mensch aan God den Heere voorbijgaat zonder acht te geven op Zijne stem. Als een verscheurend dier, als een verslindend monster ligt zij aan de deur. Kaïn en elken zondaar na hem zal zij drijven tot het verderf, van zonde tot zonde, , van oordeel tot oordeel. Dit is de ijzeren wet, die met het juk der zonde verbonden is. En de ervaring leert het, dat zij inderdaad zoo werkt als God het hier aan Kaïn predikt.
Wie de waarheid ervan bevestigd wil zien, die kan haar aanschouwen in het leven der misdadigers. Zij kunnen het leeren, zij kunnen ervan spreken, hoe de zonde een leven brengt van bange zielesmart, van ontroerend levensleed. Hoe zij haar slaaf werden, hoe zij een harde, wreede meesteres is, die voor, drijft met den geesel der begeerten en nimmer eindigt, voordat zy haar slachtoffer langs den weg der schoonste beloften en idealen gebracht heeft in den afgrond der diepste ellende. Ook deze misdadigers kwamen niet op eenmaal tot hetgeen zij zyn geworden, zy ook werden geleid van consequentie tot consequentie om eindeiyk, als de ryke man in de gelykenis, de oogen te openen in het oord des verderfs.
En dit zielkundig proces nu wordt, eeuwen voordat er een geschreven Godswoord is, in Kaïn der menschheid geopenbaard, opdat in den weg der historie de mensch deze wysheid zal mededragen, dat de vreeze Gods het beginsel is der wysheid, hoe zy doet treden in de rechte sporen en dat wy onzen voet niet zullen zetten op het pad der goddeloozen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's