JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Met warmte grijpt hij de hand van den Jonker.
„Mijn jonge vriend, " zegt hij, „God zelf, die het willen en het werken naar Zijn vrijmachtig welbehagen in onze harten werkt, doe u bij deze keuze volharden, en doe u bij voortduring de blijdschap smaken welke allen, die den Heere vreezen, in aanvang hebben. Hij vervulle aan u in steeds voller mate Zijn belofte, dat Hij een Belooner is dergenen, die Hem zoeken, en doe ook u ervaren wat de psalmist ons voorzingt, en waarmede heel de gemeente des Heeren van alle eeuwen instemt:
Wat vree heeft elk die Uwe wet bemint. Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten."
Diep bewogen worden deze woorden gesproken en met niet minder ontroering aangehoord. Jonker van Sterrenburgh voelt hier een vaderlijken vriend tot hem spreken en in zijn woord de teederheid eener liefde, zooals hij deze sinds den dood zijner moeder van niemand ondervonden heeft. Want hoe goed zijn wereldsche vrienden ook voor hem mochten zijn, in den diepen grond zochten zij allen het hunne, gelijk ook hij tot hiertoe steeds zichzelven had gezocht, zelfs in zijn goed doen aan anderen. Thans zou hij alles leeren schade en drek te achten om Christus' wil.
Lang blijven de heeren daarop nog in gesprek. Natuurlijk worden de oude familiegeschiedenissen opgehaald, en alles wat Ds. Feurman weet van des Jonkers ouders en de gesprekken die hij wel met hen gehouden had, moet hij meêdeelen. De uren vliegen om. Reeds slaat de groote klok in de hooge vestibule met statigen slag elf uur, als dominé opstaat om huiswaarts te gaan. Bij het afscheid nemen belooft hij spoedig terug te zullen komen, er bijvoegende, dat de pastorie ook voor den Jonker openstaat, waar hij met alles, wat hij op het hart of in het hoofd heeft, gerust mag komen, en men hem als vriend des huizes wil beschouwen.
Juist treedt Ds. Feurman uit de donkere slotlaan op den grintweg, als Klaas Kroontje hem passeert.
N' avond, dominé." — „Goeden avond. Kroontje." — „Dominé is ook laat op pad." — „Ja, hé." — „Toch geen ongemak op het Slot ? " — „Neen, alles is goed hoor." — „'t Kon wezen." — „Ja zeker." — „Wel te rusten, dominé." — „Wel te rusten. Kroontje." —
Als de predikant het hek naar de pastorie is binnen gegaan, vervolgt de koopman alleen zijn weg. Jammer dat hij niet gewaar kon worden wat er op „Grovestins" gaande is, want daar zit beslist wat achter. Maar in elk geval heeft hij morgen mooi wat nieuwtjes in zijn korf. Wel drie, of eigenlijk vier. Vooreerst, dat die Brandsma van de „Eendenkooi" van morgen weer naar de kerk is geweest. Dan, dat de Jonker onder de preek was en zoo bijzonder oplettend luisterde. Dan, dat de dominé in den nacht van het Slot gekomen is, moederziel alleen. En dan nog, dat hij den smidsknecht, die om Jap vrijt, straks buiten het dorp is gepasseerd in gezelschap van Koba, diezelfde meid, waar Jouke van den slager op dien kermisavond achteraan wilde en waardoor al die herrie in de dorpsherberg ontstond. Daar moet hij, als het een beetje kan, pleizier van beleven, al zal het alleen maar zijn om die Jap betaald te zetten, wat zij hem onlangs gedaan heeft. Want hij heeft nog een appeltje met haar te schillen, en wie het laatst lacht, lacht het best. Wacht even.
HOOFDSTUK XII.
Volluk !
„Morgen, koopman." „Morgen, Aaltje."
Heb je ook een kloske garen voor me, en een brief spelden ? " — „Dat zal wel gaan. Wat moet het wezen ? " — „Wit, no. 36." — „Zoek maar uit, zooveel je wilt." — „Jongen, wat ben je roijaal, maar 'k heb aan een genoeg." — „Dat is zoo weinig ; 'k nam nog maar wat. Het komt in de hulshouding wel te pas en ik denk dat alles eerstdaags veel duurder wordt." — „Zoo praten kooplui altijd." — „'t Is zoo." — „'t Moet toch ook betaald worden niet, of geef je het mij cadeau ? " — „Nou, dat kan de bruine niet trekken, maar je hebt nog al crediet bij me." — „Wat krijg je nog ? " — „Ik kan 't wel even nazien. Vooreerst die blouse van jullie Claar, en dan nog dat katoen van verleden jaar, je weet wel. Dan staan er nog een paar klompen van Teunis, en die zwarte lap voor jou jurk, en dan nog " — „Die klompen zijn betaald." — „Nee, Aaltje, daar ben je mis mee mensch ; kijk hier staat het." — „Dat kan wel wezen, dat het er staat, maar betaald zijn ze. 'k Heb zelf het geld hier op de toonbank gelegd, toen ik die vaasjes van je kocht op den schoorsteenmantel, 'k Weet het nog als was het gister gebeurd." — „'t Lijkt me raar toe. Aaltje." — „Nou, maar ik weet het voor ons beiden wel, en ik betaal geen twee keer hetzelfde." — „Van zelf, dat kan ook niet, maar ik ben anders zóó sekuur bij mijn boek." — „En ik bij mijn portemonnaie." — „Nou, wij zullen er geen messen om trekken ; dan is het een abuis geweest, moet je rekenen. Maar dat andere staat er in elk geval nog." — „Dat weet ik, en als het een beetje kan kom ik Zaterdagavond om iets af te betalen, maar je moet rekenen Teunis verdient tegenwoordig zóó weinig. Ik heb een goeie, beste man, maar hij brengt er te weinig in en loopt te veel zonder werk. En onze Claar is een best meisje en verdient ook flink geld, maar och hoe gaat het met zulke jonge lui, nou ? Zij willen ook liefst knap voor den dag komen en aanzien doet gedenken." - „'t Is ook zoo, en Claar is een mooi meisje, als ze goed gekleed is. Kijk, hoe lijkt je dat staaltje voor haar ? Daar kan wat moois van gemaakt." - „Prachtig, 'k zal het haar wel eens zeggen." - „Goed ; ze beurt zeker eerstdaags voor een half jaar de huur, dan komt ze misschien meteen om even af te rekenen." - „Dat weet ik niet hoor ; je moet rekenen zulke meiskes zijn gewoonlijk al een beetje vooruit met hun loon." - „Nou, maar zeg het haar maar eens, dat ik haar verwacht en nog meer voor haar heb. Het eene betalen en het andere weer koopen, daar houdt een koopman van, moet je rekenen ; dan heeft hij meteen nog een eitje in 't nest." - „Nou, we moeten maar eens zien."
„Kunnen jullie ook niet eens maken, dat je zoo'n man als de Jonker achter de hand. krijgt, zooals je buurlui ? " - „Was dat maar waar, maar ik zou niet weten hoe 't te moeten aanleggen. Mooi praten kan ik niet en schooien wil ik niet." - „Ze komen daar zeker anders maar aardig op de kluiten ? " - „Och man het is een mirakel! Het een na het ander wordt maar aangekocht, je ziet er geen oud goed meer, en nu straks naar ik hoor, ook de jongens naar het Slot. Je moet maar gelukkig wezen." - „Hoe komen ze d'r an, zou je zeggen ? "
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's