De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

19 minuten leestijd

DE EENHEIDSBEWEGING DER KERKEN (4)
Men zegt wel eens : „de belijdenis verdeelt, de liefde verbindt", maar dan leeft men toch ook weer over de werkelijkheid heen. Want die belijdenis, die verdeelt, is toch een werkelijkheid ! „Wij gelooven met het hart en belijden met den mond". En dan moet die belijdenis als uiting van het innerlijk leven, ook ernstig genomen worden, ook als uiting van liefde tot God en de waarheid, ook al zou er dan verschil openbaar worden. Of men zou alles in ons belijden voor „betrekkelijk" moeten gaan verklaren, om in den weg van het relativisme te gaan. Dat wil men den laatsten tijd in sterke mate, in '\t buitenland en ook in Nederland. Maar dien kant moeten we niet op. Laat het waar zijn, dat wij niet alles weten, dat we slechts „ten deele" weten en dus ook in ons profeteeren, in ons getuigen en belijden met dat „ten deele" rekening moeten houden, maar dat mag ons niet verhinderen om te blijven bij 't geen we kennen (zij 't ten deele) en bij 't geen we belijden (zij 't ten deele) als we er in onze ziel van overtuigd zijn, dat ons gelooven en belijden overeenkomstig Gods Woord en Waarheid is. Dan moeten we niet alles als „betrekkelijk" gaan verkleinen tot „onzekerheid", en zoo alles op losse schroeven te zetten, alsof we niets met zekerheid weten. Want Gode zij dank weten wij wel met zekerheid, wat noodig is tot Gods eer en tot onze zaligheid. De Heere heeft er in Zijn ongehoudene goedheid voor gezorgd, dat in den weg van Zijn Zelfopenbaring, dat niet voor ons verborgen is gebleven. Hij heeft het óns heerlijk, klaar en duidelijk geopenbaard ! Als Christen moeten we ons alles niet uit de handen laten slaan. Gode zij dank behoeven we niet met een ledig hart en met een ledige mond te staan. De Heere zorgde er voor, dat we mogen en kunnen zeggen als Christen : „wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond, dat enz."
De éénheidsbeweging der Kerken moet dan ook niet het relativisme tot onderbouw nemen. Dan komen we in 't moeras. Wij hebben Gods Woord, dat zéér vast is. Wij leven niet bij verdichte fabelen en allerlei verdachte en onzekere waarheden, 't Profetisch Woord is ook onder ons „zeer vast" en dat pand moeten we bewaren, nu 't ons is toebetrouwd.
Wanneer dan ook de Duitsche theoloog Friedrich Heijer en de Nederlandsche theoloog dr. Boissevain, zij 't ieder weer langs eigen weg en methode, dien kant uit willen, om te komen met het relativisme (de leer dat alles maar „betrekkelijk" waar is en alles maar „ten deele" geldt), dan weigeren we mee dien weg in te slaan en zullen we voor deze wegen waarschuwen. Wat wij gelooven en weten en belijden aangaande God, schepping, zonde, verlossing, Kerk, sacramenten, leven en sterven, hemel en hel is natuurlijk ia iet zóó, dat wij alles weten en alles kunnen verklaren en alles kunnen bewijzen enz. enz. Maar het is volstrekt niet waar, dat eigenlijk alles op losse schroeven staat en dat hot ééne net zoo goed waar kan zijn als het andere (het relativisme). Wanneer men op die manier den weg wil banen tot de éénheid der Kerken, dan weigeren we ook maar één stap mee te gaan in die richting. Men gaat dan werken voor de realiseering van het „schoone" ideaal van „het Christendom boven geloofsverdeeldheid", maar van dat ideaal gaat voor ons geen bekoring uit. Als het Christendom, als het geloof in God en Christus een zaak moet worden waarbij van verdeeldheid, van geloofsverdeeldheid geen sprake meer is, is het Christendom voor ons een afgedane zaak geworden ! Dan is het een zouteloos zout, méér niet.
We moeten geen vrede hebben met een laffen tijd van smakeloos gelooven en belijden.
Neen, in den weg van Rome's Kerk, die leeft bij de pretentie de ééne ware zaligmakende Kerk te zijn, komen we er niet. In den weg van het relativisme, met de leer, dat het ééne net zoo goed waar kan zijn als het andere, omdat toch alles maar „betrekkelijk" is, mogen we niet ingaan. Ook daar staat voor ons : „verboden toegang." We moeten naar andere wegen uitzien, om te bevorderen, dat niet gescheiden leeft, wat God vereenigd heeft en dat niet vereenigd leeft, wat God scheidt.
Daarom blijft de vraag dringen : welke houding ons tegenover het eenheidsstreven in het midden van de Christenheid onzer dagen betaamt.
Dr. Brillenburg Wurth zegt in zijn brochure (blz. 15) ; „Voor twee uitersten moeten wij daarbij voorzichtig zijn. Vooreerst zijn er, die hier oogenblikkelijk hun volstrekt afkeurend oordeel gereed hebben. Ze kunnen in de eenheidsbeweging niet anders zien dan een herhaling van wat eens bij Babel plaats vond : de mensch, hier dan de religieuze mensch, die een toren wil bouwen, welks opperste tot aan den hemel reikt, maar waarover God in den hemel lacht. Eenheid van standen, eenheid van rassen, eenheid van Kerken, het is, volgens hen, alles datzelfde vergeefsche titanische pogen om vooruit te grijpen op de toekomst van Christus, met voorbijzien van de ontstellende realiteit der zonde, waardoor in deze bedeeling toch nooit ware eenheid zal worden gevonden. En in verband daarmee oordeelt men dan ook, dat wij alle medewerking hieraan moeten opgeven en het beste doen met van heel deze beweging ons niet de minste illusie te maken."
In dit verband wordt in het aanhangsel van de brochure gewezen op een paar uitspraken en meeningen van bekende buitenlandsche theologen. Zeer critisch laat zich b.v. over de eenheidsbeweging uit: A. de Quervain in zijn : Gesetz und Freiheit 1930. Hij vreest, dat het zoeken naar de eenheid veel te weinig geschiedt „in gehoorzaamheid aan Gods Woord" en te veel „op de hoogte van een zelfgekozen doel" en , met verwaarloozing van essentieele vragen van kerk-en geloofsleven". Vooral vreest hij van Stockholm een vernieuwing van de Roomsche wetsidee : de Kerk als één geweldige macht in het zichtbare.
Wij gelooven, dat deze buitenlandsche theoloog den spijker op den kop heeft geslagen. En als men dan naar binnenlandsche theologen niet luisteren wil, dat men dan het woord van den vreemdeling ter harte mocht nemen ! Want het wordt meer en meer mode, om aldoor te komen met het argument: we moeten een macht, een éénheidsfront gaan vormen net als Rome en tegenover Rome, een macht, een geweldige macht in het zichtbare en dan vergeet men, dat men bezig is met het stuk van de Kerk, dat iets anders is dan een wereldlijke macht, en dat wij nooit kunnen doen „net als Rome."
Als de éénheid van de Kerk gezocht wordt aan den buitenkant en we vergeten, dat de éénheid van de Kerk een geestelijke éénheid moet zijn dan zijn we weg.
Hierbij is ook merkwaardig wat Brunner opmerkt in zijn jongste boek : „Das Gebot und die Ordnungen", waar hij vrij sceptisch zich uitlaat ten aanzien van de oecumenische beweging. Hij vreest, dat men in plaats van den strijd om de waarheid aan te durven, te licht in Lausanne zelf gezocht heeft naar een compromis. Hierin ligt geen kleineering, maar een juiste waardeering van het pogen. En men zal verstandig doen daarop acht te geven.
(Wordt voortgezet).

RECHTZINNIG-VRIJZINNIG.
Dr. van Mourik Broekman schrijft De Smidse: in De Smidse:
„Het wordt den vrijzinnigen altijd verweten, dat zij de verlossing loochenen en Christus niet als Heiland aanvaarden. Ik geloof, dat dit verwijt in zijn algemeenheid ongerechtvaardigd is, maar zij verstaan verlossing anders en zien het heilandschap van Christus anders. De constructie van de gevallen ménschhëid in den eersten Adam en de wederopstanding dezer door de bloedstorting op den heuvel van Golgotha, is hun niet meer de waarheid. Het komt, omdat zij anders denken over den mensch en over God.
De mensch is niet de slechts-zondige en eeuwig-gevloekte ; God is niet de Rechter, die verdoemt maar zich verzoenen laat door een plaatsvervangend offer. Nu zal men zeggen : ja dat is , het, de vrijzinnige is de verwaten rationalist, die den mensch ten troon heeft verheven en nu geen verlosser meer noodig waant. Het is uiterst moeilijk om elkander wederzijds te verstaan en geen onrecht aan te doen. Maar wij zeggen toch dat deze voorstelling van zaken niet juist is, want ook al weet men van menschelijke zwakheid en zonde, en van de innerlijke noodzakelijkheid van verlossing, deze zal men zoo innerlijk kunnen en mogen verstaan en zoo in verband brengen met de innerlijke aanraking van Christus' geest, dat de uiterlijke historische feitelijkheden, die den val en de verlossing tot twee bijzondere gebeurtenissen maken, welke precies in den tijd zijn aan te wijzen, ondergeschikt worden. Wat het Vrijzinnig Protestantisme kenmerkt, is dat het altijd tracht geestelijk het geestelijke te begrijpen en te verwerken. Allerlei plompe voorstellingen Van God staan vrijzinnig geloovigen tegen. Men tracht waarlijk te beseffen wat beteekent: God is geest. Dan zal de aanbidding ook wel naar waarheid en geest moeten zijn. Deze wordt daarmede naar het innerlijke van den mensch verlegd."
Daar hebben we het weer ! We gebruiken dezelfde woorden: mensch-zonde-verlossing-God-Christus-Heiland enz., maar de inhoud van de woorden (en daar komt het toch op aan) is zoo geheel anders bij de vrijzinnigen en bij ons. Het „heilandschap" van den vrijzinnig geloovige of van hem of haar, die rechtzinnig geloovig is en uit het Woord leeft en met de belijdenis der Kerk instemt (denk óók aan de formulieren van Doop en Avondmaal) is radicaal verschillend, In het allerheiligste, allerinnigste, allernoodzakelijkste verschillen we principieel, ook al worden dan onder ons dezelfde woorden gebruikt. Het „heilandschap" van de vrijzinnigen en wat de belijdenis der Hervormde Kerk leert aangaande het lijden en sterven van den Heiland Jezus Christus verschilt in alle opzichten ; en wel zóó, dat het „heilandschap" van de vrijzinnigen door alle tijden heen en ook nu door de rechtzinnigen verworpen moet wonden. Het Lam Gods, het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden, de kruis-en zoenverdiensten van Sions Borg en Middelaar — de lijdensweken leeren het ons weer — zijn in 't geding. En die den Heiland zóó verwerpt, kan het met het „heilandschap" van de vrijzinnigen niet goed maken.
Men verschuilt zich van vrijzinnige zijde altijd achter groote woorden als : „de vrijzinnigen willen de geestelijke dingen altijd innig geestelijk verstaan — en hechten geen waarde aan plompe voorstellingen aangaande Golgotha — blijven niet hangen aan uiterlijke historische feitelijkheden" — maar zóó heeft de Kerk van Christus zich nooit laten afschepen, omdat het Woord Gods ons andere dingen leert en de geloofservaring der Christenen altijd anders is geweest. De Christelijke Kerk neemt geen genoegen met allerlei filosofische redeneeringen, maar spreekt zich uit in haar belijdenis aangaande den mensch, de zonde, de verzoening, de verlossing — zooals God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard. En zij lag, t den weg des heils niet gelden als „plompe voorstelling" of „uiterlijke historische feitelijkheid". De Kerk des Heeren van alle tijden wenscht te luisteren naar de stem Gods, te leven bij Gods Woord, om te belijden de goddelijke waarheid die tot zaligheid is geopenbaard een iegelijk die gelooft. Dat is geen Evangelie naar den mensch. De mensch, die verdwaasd door de zonde, tegen den zin van Gods Woord en Waarheid ingaat, moet hier leeren van den Profeet Gods. De mensch, die om der zonde wil gebonden is en tot een slaaf gemaakt is, moet hier leeren roemen in den Koning, die van God gegeven is. De mensch, die, met zijn schuld, verdoemelijk is voor God, moet hier ontmoeten den éénen waren Hoogepriester. Dan leert de ziel in bly geloof belijden : „ook óns Pascha is geslacht, namelijk Jezus Christus".
Dat zijn geen plompe voorstellingen en geen uiterlijk historische feitelijkheden, die er weinig toe doen of een mensch ze aanneemt of niet. Hier worden de eeuwige gedachten van Gods liefde en genade, van Zijn gerechtigheid en mededoogen op 't heerlijkst ons ontvouwd en geopenbaard en Sion vindt hier haar zaligheid en vreugd, i'n den v/eg van gelooven en belijden naar Gods Woord. Te mogen roemen in het kruis is de eenige troost beide voor leven en sterven. En de Kerk van Christus mag die belijdenis niet verloochenen, niet facultatief en niet disputabel stellen. Het is het eenig en eeuwig fundament waarop de Kerk des Heeren van alle eeuwen is gebouwd. Al 't andere is zandgrond en zal geen vastigheid en zaligheid geven.
In de Kerk Van Christus, óók in de Hervormde Kerk, hebben we „in eenigheid des waren geloofs" saam te leven. En het komt ons voor, dat hier nu weer het tweeslachtige, ontoelaatbare en schadelijke uitkomt van onze samenwoning in de Ned. Herv. Kerk, die in aard en wezen geworteld is in en leeft uit de beginselen van Schrift en belijdenis in zake de menschbeschouwing de beschouwing van zonde en verlorenheid, van verzoening en verlossing, van wedergeboorte en bekeering enz.
Juist omdat het zoo geestelijk, zoo teer, zoo heilig en zoo waarachtig is, moest men hier niet met woorden spelen en in daden oprechtheid toonen.
't Blijkt overduidelijk, dat wij het in het ééne noodige niet eens zijn.
En omdat het gaat om Gods eer en des mensohen zaligheid, mogen we daarmee geen vrede hebben.

TOCH LEERTUCHT ?
Naar aanleiding van de tucht, die de Vrijheidsbond geoefend heeft op mr. Westerman (een politieke kwestie) gingen de gedachten van prof. Obbink van Utrecht naar de toestanden in de Kerk en hij schrijft in het Algemeen Weekblad:
„Toen wij dit bericht in de courant lazen, dwaalden onze gedachten onwillekeurig af naar onze tegenwoordige kerkelijke verhoudingen. Waarom moeten wij in de Kerk in het groot dulden wat daarbuiten, zelfs in de liberale politiek, nog niet voor een onderdeel geduld wordt?
Als er in een Christelijke Kerk een predikant beweert, dat het geheele Nieuwe Testament op legende en mythe berust, dat de opstanding van Jezus een vergissing, of dat de vleeschwording van het Woord blasphemie is — dan mag men zoo iemand met geen vinger aanraken. In de Kerk schijnt men alles te moeten slikken. Zouden wij ons niet eens een beetje aan het voorbeeld van den Haagschen Vrijheidsbond spiegelen ? Er is — mits op behoorlijke en te eerbiedigen wijze doorgevoerd — in het geheel geen bezwaar tegen.
Merkwaardige woorden.
Als de geboorte van den Heiland, zooals de Heilige Schrift ons die beschrijft „ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria" — gehoond en gelasterd wordt op ergerlijke wijze; — als de opstanding van Jezus Christus een fabel wordt geheeten ; — als de zoendood van Christus, den Zaligmaker, wordt geloochend ; — als enz. enz. Dan mag men zoo iemand met geen vinger aanraken. In de Kerk schijnt men alles te moeten slikken
Toch wel om over na te denken ! Nu mogen de predikers alles zeggen. Maar de Kerk zelve
mag niets zeggen. Nu is de Kerk er om de dominees.
Maar de Kerk zelve heeft niets over de dominees te zeggen.
Wel ietwat wonderlijk
Er is in 't geheel geen bezwaar tegen, als er verandering in deze komt.

HET CALVINISME EN DE TOLERANTIE. POLITIEK VAN PRINS WILLEM VAN ORANJE.
II.

Na over het wezen van het Calvinisme gehoord te hebben, komen we nu aan : Het politieke ideaal. Het Calvinisme dwingt er toe de wereld, ook het leven der volkeren, te zien in het licht van Gods voorzienig bestel. Daarom leert het Geref. Protestantisme ook, dat niemand iets kan aannemen, tenzij het hem van Boven gegeven zij. En dus vorderen de beginselen van het Calvinisme ook noodwendig: vrijheid van religie. Er is niets minder dat gedwongen of opgelegd kan worden dan de godsdienst. Hierin wortelt nu ook de tolerantie-politiek (de politiek der verdraagzaamheid op religieus gebied) van Prins Willem van Oranje (blz. 25).
De staatsmacht is er tot beteugeling der zonde-driften, opdat de samenleving mogelijk zij, opdat we een stil en gerust leven zullen hebben, opdat de boosdoeners zullen worden gestraft en de goeden worden beschermd, waartoe de Overheid als Gods dienaresse het zwaard niet tevergeefs draagt.
Door de samenleving mogelijk te maken werkt ook de Staatsmacht, de Overheid, mede aan de komst van Gods Koninkrijk. De Overheid is souvereine over de volksgemeenschap. En in deze volksgemeenschap (de natie) verschijnt de Kerk als geloofsgemeenschap, als het lichaam Christi, waaraan in strikt geestelijken zin de woorden Gods zijn toebetrouwd.
Naar hun wezen onderscheiden en gescheiden hebben beide. Kerk en Staat, eene eigen functie in het wereldproces, dat onder Gods voorzienig bestel plaats heeft en zich naar Zijn raad voltooien zal.
Zoolang nu in Geneve een nauwelijks gedifferentieerde volksgemeenschap stand hield met een Christocratische regeering, gedragen door het sociaal bewustzijn der massa, kon deze verhouding tusschen Staat en Kerk nauwelijks tot eenige moeilijkheid aanleiding' geven. Staat en Kerk dekten elkaar, waren in Geneve congruent, handelden spontaan in harmonie met elkander. Doch dat "was maar tijdelijk en van voorbijgaanden aard. En zoodra die toestand, dat Staat en Kerk, dat natie en Gemeente van Christus, elkander dekten en dus zoo goed als samenvielen, ophield, moest het probleem der verhouding van Staat en Kerk aan de orde komen.
En als een bron van moeilijkheden stond het voor den Prins van Oranje toen hier de vrijheidsoorlog begon. De Staatsmacht in hare eenheid kwam hier te staan tegenover de oude-(Roomsche) en de nieuwe religie (Reformatie), ja, tegenover meerdere Kerkformaties. Afgezien van Holland en Zeeland waren de Nederlanden geene religieuse éénheid meer. En daarmede was aan den Prins een nieuw politiek vraagstuk gesteld, naar welks oplossing hij gestreefd heeft naar de grondidee van Calvijn.
Aan de strenge Calvinisten echter zweefde het Geneefsche ideaal voor oogen. En de tolerantie-politiek van Oranje was voor hen „ontrouw aan de diepste beginselen". Willem van Oranje werd zelfs door Petrus Datheen een atheïst gescholden, die zich om God noch godsdienst bekommerde. En dat vanwege het ijveren van den Prins voor den Godsdienstvrede, voor de vrijheid van religie. Oranje gunde aan de Roomsche Kerk bestaansrecht. Datheen daarentegen wilde van geen enkele concessie in 't stuk der religie weten.
Hier is een verschil van inzicht in den eisch der beginselen, waarbij men niet mag vergeten, dat deze Calvinisten den walm der brandstapels hadden geroken. En het is verklaarbaar, dat zij , die de inquisitie aan den lijve hadden ervaren en de religie als een boven alles gewichtigen politieken factor waardeerden, minder objectief konden oordeelen en daarom ook de prinselijke politiek, die naar de grondidee van Calvijn was, niet steeds konden begrijpen.
Bij Datheen was het: alles of niets. Maar Calvijn heeft nooit zoo geredeneerd. Hij was geen man van louter theorieën met I voorbijzien van het groenende en groeiende leven. Hij was geen slaaf van valschen consequentiedwang. Zelfs waar het de Kerk, haar ritus, formatie en levenswijs betreft. ! is Calvijn ruimhartig. Eenheid in belijden, = zoo leert Calvijn, eischt nog geene eenvormigheid in cultus en organisatie. Pseudoapostelen noemt hij hen, die uniformiteit wilden opdwingen en al wat afweek van hun model, veroordeelden. „Zulk eene bekrompenheid is een groote pest" (tails morositas, deterrima pestis est) zegt de groote Hervormer.
Calvijn maakt onderscheid tusschen de norm Gods en hare practische toepassing. Men moest Gode gehoorzamen, maar de wijzen dezer gehoorzaamheid moest men aan de consciëntiën overlaten.
Ook voor de wijze, waarop de Overheid haar taak heeft te volbrengen in verband met het religieuse leven des volks, handhaaft Calvijn bovenstaande beginselen van norm en practische toepassing.
De Overheid zal gehoorzaam zijn aan Gods Wet in haar geheel. Ook voor den Staat geldt, dat hij geene andere goden voor Gods aangezicht dulden zal. Dit is de norm, En wat in art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis staat, dat de Overheid roeping heeft „te weeren ende uyt te roeyen alle afgoderye ende valsche Godtsdienst" is volkomen in overeenstemming met Calvijn's beginsel. Dit is de norm. Dit is de eisch des Woords. Maar daarmee is niets beslist over de vraag op welke wijze die nu zal worden toegepast.
Juist daarop nu legt Calvijn nadruk en staat hij aan de zijde niet van Datheen maar van Willem van Oranje.
Want hoe verklaart Calvijn b.v. Ex. 23 vers 24 : „Gij zult ze geheel afbreken en hunne opgerichte beelden ganschelijk vermorzelen" ? Dit is — zoo zegt hij — eene „politieke wet", een bijvoegsel bij de norm, eene wet, die voor Israël eene paedagogische strekking heeft, maar waarbij wij moeten onderscheiden tusschen den eeuwig blijv enden zedelijken elsch en zijne tijdelijke toepassing. Wat voor Israël plicht was, is het nog niet voor ons. In dat gebod was hetgeen slechts geldt voor dien tijd. Wie daarom zou meenen, dat wij moeten vernielen, zooals Israël deze vernielen moest, die dwaalt.
Calvijn noemt het ook een onjuist en dom gevoelen (sententia falsa ac stolida) als men wetten van het gemeenebest afkeurde, omdat zij met Mozes' voorschriften niet overeenkomen. Want men moet het onderscheid niet voorbijzien tusschen de eeuwige en onveranderlijke norm (vera aeternaque justitia regula) en het wettelijk recht, zooals dat voor elk volk zijn levensregel aangeeft. De verordeningen (constitutiones) hangen af van de omstandigheden. Zij staan in de vrijheid van ieder volk zelf. De bijzondere omstandigheden van tijd, plaats en volkstoestand beslissen over de wijze, waarop de zedelijke beginselen in de wetgeving tot uitdrukking worden gebracht. (Inst. IV, 20, 14, 15, 16).
Met deze grondgedachte van Calvijn komt Willem van Oranje's tolerantie-politiek overeen. In het religieuse licht van Calvijn's wereldbeschouwing heeft Oranje de gouden draad weder opgenomen, die aan de hand van Constantijn de Groote zoo spoedig Was ontglipt en hij trok haar door in de geweldige politieke problemen, voor welker oplossing hij was gesteld. Hij deed dit in het geloof, dat de uitroeiing van allen valschen godsdienst en afgoderij in zijn tijd slechts geschieden kon, doordat de Overheid het machtigste wapen der waarheid stelt tot beschikking van Gods Kerk door aan de volksgemeenschap te waarborgen de vrijheid van religie.
De eeuwige politieke waarheid van Willem van Oranje straalde haar licht over de politieke werkelijkheid, die met al hare politieke geestelijke conflicten voor zijn oog ontvouwde".
Recht op vrijheid, niet op losbandigheid, moet er zijn. En zij die meenen, dat hetgeen zij gelooven alleen bestaansrecht heeft, hebben te bedenken, dat wanneer hunne meeningen verkeerd en valsch zijn, ze zullen wegsmelten als sneeu"w voor de zon. De waarheid is groot, zy alleen zal overwinnen. Want de waarheid is uit God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's