UIT DE PERS
DOODSTRAF EN CHRISTELIJK BEGINSEL.
Wij nemen een artikel over dat we vonden in „De Rotterdammer" van Maandag 5 Februari j.l.:
„In het weekblad „Schonere Zukunft" van 18 December 1932 schryft dr. Anton Böhm (r.k.) uit Weenen een artikel getiteld : Humaniteit voor massamoordenaars? Hierin bespreekt hy kort enkele moordprocessen, welke in den laatsten tyd Oostenryk in opschudding hebben gebracht. Dan geeft hy de volgende lezenswaardige beschouwing ten beste.
Oostenryk heeft de doodstraf afgeschaft. Dat was destyds meer een revolutionair vooruitstrevende geste, dan een weloverwogen maatregel; men meende zelfs, dat zooiets behoorde tot den styl van de „meest vooruitstrevende staatsinrichting van Europa". Na eenige moeilykheden te hebben aangestipt welke de wederinvoering van de doodstraf aldaar in den weg staan vervolgt hy :
Niettegenstaande deze moeilykheden is het noodzakelyk by den eisch van wederinvoering der doodstraf te volharden voor de zwaarste, stellig bewezen moordmisdaden, waarvoor men geen verzachtende omstandigheden kan laten gelden. Het volk vraagt zich af of het rechtvaardig is, uit louter medelydende humaniteit een moordenaar, die van zyn kant niets geen medelijden aan zyn offers heeft bewezen, levenslang op staatskosten te verzorgen en hem in de zekerheid van de gevangenis de bittere levensstryd van heden te sparen; het vraagt zich af, of het aangaat in een tyd van massalen moord voor het onderhoud van een nauwelijks tot verbetering in staat zynde misdadiger, die volgens de volksopinie niet meer verdiend heeft dan den dood, duizenden uit te geven. By de eenvoudigste en tegelyk gewichtigste grondkwesties van het rechtsleven van de wet moeten echter de staatslieden met 't duidelyk herkenbaar rechtsbewustzyn van het volk rekening houden — niet vanuit opportunistisch tactische overwegingen, niet om zich op goedkoope wyze populariteit te verwerven, maar omdat in de volksopinie de rechtvaardigheid dikwijls zuiverder tot uitdrukking komt dan in de formeel geldende wet, daar de eenvoudige meening van het volk dikwyls genoeg het tegenover de wet staande van God gewilde recht meer nauwgezet bewaart dan de geleerdste juristen en rechtsphilosophen.
Men mag juist by het vraagstuk van de doodstraf menschelijkheid en humaniteit niet verwisselen. Een rechtspleging zonder menschelijkheid, zonder ruimte voor gratie en voor verbetering van den rechtsverbreker zou juist vanwege haar juridische starheid onrechtspleging worden, tot een hel op aarde.
De humaniteit echter, dit kwalachtig product van het revolutionair-individualisme dat den mensch tot God maakt en hem en zijn verheerlijldng als de eenige beteekenis van de wereld, van de cultuur van den staat verklaart, verweekt het streng objectieve samenstel der juiste rechtspleging tot uiteenvallens toe. De humaniteit maakt subjectieve gevoelens tot maatstaf van het recht, ze misvormt bovenal de eigenlijke beteekenis der straf, doordat ze haar boete-karakter geheel en al ontkent, over het hoofd ziet en probeert als onedele „wraak der samenleving" aan een weerloosgemaakte aan de kaak te stellen. Niemand en in 't minst de Christen, die de louterende kracht van het lijden weet, zal ontkennen, dat de straf ook een opvoedingsdoel heeft en moet trachten te bereiken. Maar haar wezen is juist daarin niet uitgeput; ze is tegelijkertijd herstelling van de door de misdaad verstoorde, door God gegrondveste, den mensch tot voortdurende verwezenlijking toevertrouwde wereldorde, is „boete".
Daarom heeft straf ook dan beteekenis wanneer zij den misdadiger — schijnbaar — niet meer verbeteren kan, maar hem lichamelijk vernietigt : de doodstraf is dus vanuit boete-oogpunt te rechtvaardigen.
De dieper denkende ziet buitendien in dat ook de doodstraf opvoedend werk verricht. Ze schokt de onverschilligen, doordat zij de verschrikkelijkheid van het kwaad aan de onverbiddelijkheid van de boete ontdekt; ze houdt door afschrikking de zwakken en tot misdaad geneigden van den laatsten beslissenden stap terug en werkt daardoor voorbehoedend : en zij kan daarenboven in de ziel van den misdadiger zelfs aanleiding tot bekeering worden. Er zijn daarvoor ontelbare voorbeelden.
Niet weinige moordenaars hebben de doodstraf zelfs verlangd als de noodzakelijke laatste 'bevrediging van het geweten door de vervulde boete. In dieperen zin is dus de doodstraf op zijn minst in vele gevallen menschelijker, dan de „humane" levenslange opsluiting. Ze kan te twaalfder ure in den misdadiger den mensch, de kracht van zijn onsterfelijke ziel, het verlangen naar God opwekken, dat anders misschien in kerkermuren voor altijd verdort."
Tot zoover het artikel van dr. Böhm.
Waar ook in ons land herhaaldelijk vreeselijke moorden plaatsvinden, die een ontstellende mentaliteit van de betrokken misdadigers aan den dag leggen, vraagt men zich af, hoe lang het nog moet duren voordat men in alle kringen doordrongen is van de noodzakelijkheid van de wederinstelling der doodstraf ook in ons land. De huidige politiek mag dan al niet gedoogen het vraagstuk van de doodstraf thans als urgent te stellen, het blijve bij rechts en inzonderheid bij de A. R. partij een kwestie van principieel belang. De wensch is, dat ook bovengenoemd artikel tot het levendig houden van Gods eisch ook in dit opzicht moge
medewerken.
VAKBONDEN IN HET LEGER.
Uit een vraag-gesprek, dat met Z.Ex, Dr. H. Colijn is gehouden door een red. van „Timotheüs" nemen we dit over :
„Bonden in den zin van vakbonden behooren in het leger en op de vloot niet thuis. Ze zijn ook volmaakt overbodig. Is er één organisatie denkbaar, méér ideaal voor de verzorging van aller belang, dan leger en vloot ? Ook de laagst geplaatste vindt voor zijn vraag langs den hiërarchischen weg gehoor tot bij den hoogst gestelde. Maar dan moet die organisatie ook in ordewezen. En dat is zij, gelijk bewezen is, in menig opzicht niet. Er is in het officierscorps menigmaal gemakzucht aan het woord, die mede schuldig is aan het doorwerken van heillooze beginselen. Wil men de Bonden doen verdwijnen (en zij kunnen gemist worden) dan moet de personeelsverhouding beter functioneeren. Dat is niet een kwestie van inzicht, dat is eisch. Daarom heb ik (aldus Dr. Colijn) onlangs gezegd : al moest de vloot er een paar jaar voor stilgelegd worden, er moet eerst een zuivering komen, werkelijk niet alleen door uitdrijving van de gevaarlijke, maar ook door gezondmaking van de blijvende elementen".
„Laat ik u zeggen", aldus vervolgde Z.Ex. „dat ik reeds meer dan dertig jaren geleden, nog in Atjeh zijnde, zelf ervaren heb, dat door officieren van de zeemacht gevoeligheden van minderen veel meer ontzien werden, dan met den ernst der omstandigheden vereenigbaar te achten was".
GEESTELIJKE VERZORGING BIJ LEGER EN VLOOT.
In hetzelfde vraaggesprek (Timotheüs) zei Z.Ex. Dr. Colijn inzake de geestelijke verzorging bij leger-en vlootpersoneel : „Wat men hieromtrent zegt inzake de verwaarloozing door de Regeering is niet juist. Ik ben als Minister van Marine in 1912 en 1913 de eerste geweest, die gelden op de begrooting heeft gebracht voor de geestelijke verzorging onzer militairen. Ik heb er ook voor gezorgd, dat er een Ned. Herv. predikant in Ede kwam, en dat in Den Helder twee predikanten beroepen werden. Maar ik heb mij steeds op het standpunt gesteld, dat niet de Overheid, doch de Kerk hier een taak heeft. Slechts in gevallen, waar zij niet kan zorgen (b.v.een eskader op kruistocht e.d.) treedt de Overheid aanvullend op."
Op een vraag of het niet beter is, dat de Overheid die taak op zich neemt als er gevaar dreigt, dat de Kerk geestelijke verzorgers zou toelaten, die niet het Evangelie der verlossing prediken en die ook op het stuk der gezagshandhaving gevaar kunnen opleveren — antwoordde de heer Colijn: „Als een Christelijke Regeering aan het bewind is, zou dat kunnen. Maar zoo dat niet het geval is, dan is het niet te voorkomen, dat een andere Regeering benoemt conform haar inzichten. Daarom houd ik vast aan het principe: d e Kerk heeft hier haar taak. En voorzoover de Overheid geestelijke verzorgers benoemt, zal zij dat kunnen doen naar de inspraak van het geweten van den betrokken Minister (Art. 3 v. h. Program der Antirev. Partij). Ik wil u wel zeggen, dat ik in dat geval alleen orthodoxe predikanten benoemen zou."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's