KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET WEINIG POSITIEVE VAN DE VRIJZINNIGE BELIJDENIS.
HET WEINIG POSITIEVE VAN DE VRIJZINNIGE BELIJDENIS.
Indien we ons niet vergissen is er bij niet weinige ethischen, die meer van „geest en waarheid" houden, dan van formules en dogma's, een streven om de vrijzinnigen ter wille te zijn en in de kaart te spelen. Van wege de verdraagzaamheid en den breeden blik. Men moet niet zoo bekrompen en zoo onverdraagzaam zijn ! Bovendien is het in deze bange tijden gebiedende eisch de éénheid zooveel mogelijk te zoeken en niet de verdeeldheid te bevorderen. En dan verklaart men zich meer en meer solidair. Dan gaat men meer en meer één lijn trekken. Men gaat één front vormen. Let er maar eens op ! Gewoonlijk zegt men dan, dat de vrijzinnigen niet meer zijn zooals vroeger. Dat ze veel positiever zijn geworden. Dat het zoowat geestverwanten zijn. Dat de scheidingslijn veelal niet meer te vinden is enz.
Het trof ons daarom des te meer, toen we in Algemeen Weekblad (ethisch) een recensie lazen van een boekje, waarin „geloofsbeschouwingen in vrijzinnigen geest" gegeven zijn door ds. A. Trouw, een bekend voorganger van de Vrijz. Hervormden, die de laatste jaren in Haarlem zoo hard gewerkt heeft, om de Hervormde Gemeente „om" te zetten in vrijzinnigen geest en nu naar Den Haag verhuist om het nu daar te probeeren. In Haarlem mocht hij de gunst van vele ethischen, ook wel onder de dominé's en kerkeraadsleden, genieten. Tot zegen voor de Hervormde Kerk natuurlijk !
In een beoordeeling van bovenstaand boekje, geschreven door dr. J. F. Beerens van Utrecht, trof ons een en ander. We schrijven het hier af.
„Dit boekje bevat de verkorte weergave van een aantal lezingen. Het wil als leidraad dienen bij het godsdienstonderwijs en als hulpmiddel bij zelfstudie van hen, die met de geloofsdenkbeelden der vrijz.christelijke levens-en wereldbeschouwing in aanraking willen komen. Als zoodanig kan 't niet als geslaagd beschouwd worden. 't Is te oppervlakkig. Het godsbegrip van ds. T. is meer pantheïstisch dan personalistisch. Vandaar ook zijn sympathie met de theosofie. De beteekenis van het „Woord Gods" als zelfmededeeling van Gods wege ontgaat hem dan ook ten eenenmale. Daarom verstaat hij ook niet, waarom Luther zijn geweten wilde gevangen geven aan Gods Woord. .Van Christus hooren wij niet veel meer dan een overzicht van Christusbeelden in den loop der eeuwen. Over de beteekenis van het dogma wordt even gerept, maar onmiddellijk daarop wordt natuurlijk gewezen op 't gevaar van dogmatisme. Van 't leed, dat in 't dogma sluimert, hier geen Ahnung. Ook 't hoofdstuk: „Christendom en militairisme" getuigt niet van een diep en helder inzicht in de moeilijkheden, aan dit vraagstuk verbonden. Landsverdediging wordt ook hier weer eenvoudig met militairisme op één lijn gesteld. Zoo zou méér genoemd kunnen worden. Er spreekt uit dit boekje een idealistische, humanistische geest, doch de echt christelijke tonen van schuldbesef en behoefte aan verlossing worden hier gemist. Vandaar ook, dat aan Christus geen centrale plaats wordt toegekend.
Vooral deze laatste zinnen zijn merkwaardig ! Gelijk ook de eerste regels voor zich zelf spreken : Pantheïstisch monisme. Theosofisch. Van Christus komt weinig of niets terecht enz. Idealistisch humanistisch. Schuldbesef en behoefte aan verlossing gemist. Christus geen centrale plaats enz.
Toch willen vele ethischen „als broeders één" zijn.
Wij hebben nog een andere recensie gelezen van een ander boek uit den kring der Vrijzinnigen. We bedoelen de boekbeoordeeling van dr. J. H. Semmelink in „Woord en Geest" (hoofdred. dr. Geelkerken van de Geref. Kerk H. V. te Amsterdam), betrekking hebbend op het pas verschenen boek : „Werkelijkheidstheologie" door C. B. Hylkema. Dr. J. H. Semmelink schrijft : „Een dogmatiek van een vrijzinnige, die zich tot de „malcontenten" rekent, die ernstig rekening houdt met de zonde. Hij wil wetenschap en geloof verzoenen, door het geloof zóó te interpreteeren, dat het niet met de wetenschap in strijd komt. Hij noemt de cultuur-evolutie één der voornaamste middelen der openbaring. Hij begint dadelijk te zeggen, dat godsdienst een natuurlijk aardsch en menschelijk verschijnsel is en uit de natuurlijke, aardsche en menschelijke werkelijkheid moet begrepen worden. Schepping erkent Hylkema niet; de werkelijkheid is verschijning van God. Hij wil vooral niets bovennatuurlijks erkennen. Het zondebesef acht hij een feit. De grondvraag van allen godsdienst blijft: „hoe word ik zalig" ? Antwoord : door eenheid en harmonie of overeenstemming met den Vader. Het zwaartepunt van de ziel moet verplaatst worden. Daartoe is bekeering noodig. Hylkema kent Jezus Christus niet als den Verlosser. Hij weet niet of Hij werkelijk bestaan heeft. Jezus' gestalten reiken den mensch de hand. Hij gebruikt wel de orthodoxe termen van „het Lam Gods" en „het bloed des Zoons", maar 't wordt bij hem iets anders dan bij ons.
t Zoo kan hij zeggen : „zonder Christus geen vol Christendom", „geen Christendom zonder werkeiijken Christus", maar hij voegt er aan toe, dat de werkelijke Christus ook buiten Jezus is Alle Christendom heeft in den grond maar één geloofsartikel : hoe gering en verkeerd de mensch, hoe groot en goed God is. Een verlossend Middelaar is hier niet noodig.
Over den Heiligen Geest is er geen hoofdstuk in het boek van H. Hij spreekt er wel over maar bedoelt iets anders. Hij hecht veel aan het inwendig Woord. De Kerken stammen alle uit de ééne Chr. geloofsgedachte van barmhartigheid, vrede en genade. Elke geïmproviseerde vergadering, door die gedachte gedragen, is een ware Kerk. De schaapskooi staat overal voor den geest om er te schuilen.
Hylkema acht de tegenstelling tusschen orthodoxen en modernen verouderd. Hij meent met zijn „Werkelijkheids-theologie" het einde gevonden te hebben van alle getwist over het geloof. De godsdienstige ijveraars kunnen wel inrukken nu. Protestanten en Roomsch-Katholieken, zelfs Joden kunnen allen zich hierin één gevoelen, — maar vrijheid van denken moet vooral gewaarborgd blijven. Het Socialisme kan, dat spreekt van zelf, deze theologie beamen ; misschien zelfs het anarcho-communisme."
„De tegenstelling tusschen geloovigenen ongeloovigen valt weg. Het instinctieve leven beslist."
„Hylkema wil geen apologie en geen theodicee geven — hij wil alleen maar de werkelijkheid beschrijven. Hij beschrijft ze zóó, dat de godsdienst een niet te loochenen, algemeen geldend verschijnsel wordt."
„Zijn boek doet sterk denken aan Schleiermachers „Der christliche Glaube". Wat Schleiermacher „het vrome zelfbewustzijn" noemt, noemt Hylkema het kindinstinct. Bij beide is het afhankelijkheids gevoel alles. Alleen heeft Hylkema nog minder van het traditioneele Christelijk geloof over gehouden dan Schleiermacher en is zóó zeer naïef, dat hij meent nu allen te kunnen voldoen.
Maar een orthodox Christen heeft een ander Godsbegrip en daarmee wordt alles anders. De zonde wordt dan schuld tegenover God, die alleen door het offer van Christus was te verzoenen. Er is niet alleen een algemeene, maar ook een bijzondere openbaring. Al spreekt Hylkema nóg zoo mooi over het biddend lezen van de Schrift, hij hecht aan het eigen inwendig Woord méér waarde dan aan de geschiedenis van Gods heilsopenbaring. Zijn „ideologische" Schriftstudie laat van de feiten weinig over. Zijn rustpunt is niet Jezus' verzoenend sterven, maar zijn mystiek kindinstinct. Hij erkent, dat de Kerk de bediening heeft van Gods Woord. Maar zij zal dat dan toch niet zóó mogen „bedienen" dat het voornaamste : Gods verzoening in Christus en de toeëigening van die verzoening door den Heiligen Geest, wordt weggelaten !"
Tot zóóver het oordeel van dr. Semmelink over deze moderne theologie. En wij zijn dr. S. dankbaar, dat hij zóó heeft willen beoordeelen en — veroordeelen. Het voornaamste wordt ook in deze moderne theologie wéggelaten. En dat is oorzaak, dat er van eensgezindheid geen sprake kan en mag wezen. Voor ons is de objectieve inhoud van ons geloof alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft en in eenigheid van dat ware geloof zoeken wij de vastigheid en de heerlijkheid van Christus' Kerk.
Daarom is voor ons de subjectieve theologie met dat semi individualistisch element, zooals we die veelal (sinds Schleiermacher) bij de Ethischen aantreffen óók vol gevaren. Want al gaan ze in 't geen ze „leeren" dan dikwijls niet zóó ver als de modernen, de Christelijke levenservaring mag niet in de plaats komen van de Godsopenbaring, want dan is het gevaar niet denkbeeldig, dat men stuk voor stuk van het Christelijk, Schriftuurlijk geloof over boord werpt.
Gods Woord moet ons aller rechter zijn, om ons te wezen een lamp voor den voet en een licht op 't pad ; om te zijn regel voor leer en leven, opdat we niet dwalen. Ook bij „de éénheidsbeweging" van den laatsten tijd mag dat niet uit 't oog worden verloren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's