De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

5 minuten leestijd

DE GELOOFSBELIJDENIS DER VRIJZINNIGEN UIT DEN KRING VAN WIJLEN PROF. ROESSINGH
Als derde staal van wat een „vrijzinnigegeloofsbelijdenis voor den orthodoxen christen is, geven we hier het oordeel van dr. G. Oorthuys van Amsterdam over 't geen de groep „het werkverband-Roessingh" onlangs publiceerde. (Amsterd. Kerkbode ll-3-'33) :
„Deze geloofsbelijdenis draagt het stempel van hoogen ernst en van een streven om zoo na mogelijk te naderen tot het geloof der Christelijke Kerk van alle eeuwen. Alleen daarom reeds heeft deze groep recht op onze aandacht.
Er staat ook genoeg in deze belijdenis, dat wij van harte beamen, inzonderheid waar het gaat over God, Zijn Almacht en Voorzienigheid, Zijn heiligheid en Zijne liefde. Ook vinden we hier een belijden van de zonde als schuld tegenover God, zooals wij dat van een groep, die zich naar Roessingh noemt, konden verwachten.
Doch, niettegenstaande dit alles — en wij zeggen het met smart — hoe arm, hoe on-christelijk is deze belijdenis des geloofs. Hoe mijlen-ver blijft zij ten achter zelfs bij de oude Apostolische Geloofsbelijdenis. Want deze „Christelijke" belijdenis belijdt niet Christus Jezus, den Christus der Schriften. En daarmede is zij als Christelijke geloofsbelijdenis geoordeeld.
Ongetwijfeld, schoone dingen zegt deze belijdenis van Jezus Christus, vooral in punt 2 en 3 van art. III, waar beleden wordt, dat Zijn „Kruis en overwinning verlossende kracht zijn voor mensch en gemeenschap".
Maar hoe Hij verlost heeft en verlost, blijft onvermeld en de vernieuwing en vergeving, de verlossing van zonde en schuld, wordt in Art. IV met Christus niet in verband gebracht. Geen woord van de vleeschwording des Woords en van de Godheid des Zoons ; geen woord van de verzoening door Zijn offer, geen woord van Zijn opstanding en hemelvaart. Geen woord wordt er van gerept, dat „Hij, die geen zonde kende, zonde voor ons is gemaakt, een vloek voor ons is geworden, opdat wij zouden worden, rechtvaardigheid Gods in Hem" — hetgeen toch het leven van Gods kinderen is.
En deze ledigheid naar den inhoud houdt, natuurlijk, verband met de bron waaruit geput wordt."
We lezen daaromtrent in de vrijz. geloofsbelijdenis :
„Wij kermen Hem (n.l. Jezus Christus) uit den bijbel en uit het Christelijk geloofsleven van verleden en heden, waarbij wij de methode en de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek ten volle aanvaarden".
Bravo !De wetenschappelijkheid is gered !
Maar — Jezus Christus is verdwenen.
Tenminste de Christus des Bijbels.
De duizendvoudige Christusvoorstellingen in het geloofsleven van allerlei menschen van alle eeuw, maar vooral van de laatste eeuw, hebben den waren Christus verdrongen. Een groeiende, een met de menschen meegroeiende, Christus  die is behouden. Maar het Lam Gods, dat de zonde der wereld draagt, is prijsgegeven.
Daarom kan deze geloofsbelijdenis niet de minste liefde wekken bij Gods Kerk, die hier beneden en daarboven zingt het lied van het Lam : „Het Lam, voor ons op aard geslacht, is eeuwig waard te ontvangen de wijsheid, rijkdom, eer en kracht en dankbre lofgezangen".

KWAAD SPREKEN.
Het is ons een en andermaal opgevallen, dat een gemaskerd correspondent uit Gouda er plezier in heeft in „Kerk en Volk", orgaan van de Vrijz. Hervormden, te stoken tusschen den Kerkeraad te Gouda en de Geref. Hervormden die in de Vereeniging „Calvijn" hun samenbinding hebben. Men wil van vrijzinnige zijde die Geref. Hervormden vooral toch maar in 't harnas jagen en stelt 't dan voor, dat men daar met een dominé van den Geref. Bond, zooals die nu door den Kerkeraad van Gouda beroepen is en zal worden, allerminst te vree is. Waarbij de geheimzinnige correspondent zich verraadt bij z'n plannen, door te zeggen : „op die manier zal Gouda wel niet spoedig een Geref. dominé krijgen."
Nu is er van dat praatje, dat de Geref. Hervormden te Gouda allerminst genoegen nemen met een Geref. Bondsdominé, geen woord waar. Zegge geen wo ord! Men zou wat blij zijn, indien men een Geref. Bondsdominé kon krijgen, zooals men in Kralingen, Feijenoord, Charlois, Delfshaven enz. blij is met 'n Geref. Bondsdominé. Maar de vrijziimigen zouden in hun vuistje lachen, als zij met hun lastercampagne de zaken in Gouda nu in de war konden sturen.
Men zij dus gewaarschuwd !
Geve de Heere naar den rijkdom Zijner genade spoedig te Gouda den rechten man op de rechte plaats, tot eere Zijns Naams en tot zegen voor de Kerk.

HET DURE ONDERWIJS DER CHRISTELIJKE SCHOLEN ?
Men blijft maar lasteren, dat het bijzonder-onderwijs de oorzaak is van de hooge uitgaven uit 's Rijks schatkist. Men durft het zelfs wel aan om, met het oog op de bijzondere scholen, te spreken van „klaploopers", die een strooptocht op de Staatskas doorzetten.
Wat blijkt nu telkens ?
Dat het bijzonder onderwijs veel goedkooper is dan het openbaar onderwijs.
Op 31 December 1931 waren er 3.284 openbare en 4.252 bijzondere scholen.
Met 441.150 leerlingen op de openbare en 760.394 leerlingen op de bijzondere scholen.
Gemiddeld gingen 134 leerlingen op een openbare en 179 op een bijzondere school. Per onderwijzer waren er 31 leerlingen op de openbare en 34 op de bijzondere scholen.
Hieruit ziet men dat bij het bijzonder onderwijs het aantal leerlingen per school en per onderwijzer hooger en grooter is dan bij het openbare onderwijs. Waaruit dus blijkt dat het openbare duurder is!
Daarbij komt nu nog, dat de buitengewoon-kleine schooltjes, de z.g.n. eenmans en tweemans scholen bij het openbaar veel talrijker zijn dan bij het bijzonder onderwijs. Want op 31 December 1929 waren er bij het openbare 213 éénmans-en 624 tweemansscholen. En bij het bijzonder onderwijs waren er 21 éénmans-en 459 tweemansscholen. Dus veel, veel minder bij het bijzonder en veel, veel meer bij het openbaar onderwijs.
En met de groote scholen (d.i. met 8 of méér onderwijzers) waren er 621 bij het bijzonder en 176 bij het openbaar onderwijs !
De dure schooltjes zitten bij het openbare, de minder dure scholen zitten bij het bijzonder onderwijs.
De slotconclusie kan dan ook zijn, dat het openbare onderwijs 120 gulden en het bijzonder onderwijs 96 gulden per kind aan de Overheidskassen kost!
Het bijzonder onderwijs is in alle opzichten goedkooper dan het openbare !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's