UIT DE PERS
In het Orgaan van „Kerkopbouw" schrijft prof. dr. A. M. Brouwer van Utrecht een artikel, naar aanleiding van een lezing van prof. Otto Brunner uit Zurich, een van de vertegenwoordigers der Zwitsersche theologie, welk artikel we hier, verder zonder commentaar, overnemen. Alleen maken we de korte opmerking, dat aan 't slot van het artikel in 't Hollandsch en in 't Duitsch wordt uitgeroepen: „Geen leertucht — neen ! Geen leertucht".
Het artikel luidt in z'n geheel :
PROF. BRUNNER OVER DE KERK.
De kerk is „wereldzaak". Geen leertucht!
Op Woensdag 15 Maart j.l. gaf prof. Brunner uit Zurich te Utrecht een college over de kerk. Het is voor onze verhoudingen van belang enkele van zijn stellingen ook in breederen kring Bekend te maken. Brunner toch is een der leiders van de difilektisch-theologische richting en heeft in vele landen, ook in Amerika en Engeland, zijn leerlingen, evenals in ons land. Wat hij in Utrecht zeide, komt natuurlijk in hoofdzaak .overeen met wat hij in zijn laatste werk over Gods gebod en de ordinantiën schreef. Maar sommige uitspraken werden scherper geformuleerd.
Bij de opvatting van wat het wezen der kerk is, zoo sprak Brunner, moeten wij ons voor twee gevaren wachten : eenerzijds voor de Roomsch-Katholieke, anderzijds voor de liberale opvatting van kerk. Het boek van Dibelius, dat in Duitschland zooveel opgang maakte, is deels Roomsch-Katholiek, deels liberaal. Wij moeten terug tot de reformatorische opvatting. Dat is wat anders dan de hedendaagsche orthodoxie, die in hoofdzaak scholastiek is en van de reformatorische opvatting afwijkt.
Naar zijn wezen is de kerk het geheel der uitverkorenen, gemeenschap der geheiligden, lichaam van Christus. De eerste uitdrukking stelt haar 't sterkst tegenover een uiterlijk grijpbare kerkvorming, een kerkgenootschap. De derde uitdrukking doet het sterkst het verschil uitkomen met een zuiver geestelijke grootheid in den zin van een Platonische idee. De tweede uitdrukking geeft het verband tusschen de eerste en de derde weer.
Kerk is overal daar en alléén daar waar Jezus Christus is, of, wat hetzelfde beteekent, waar het Woord Gods is. Sohm heeft gelijk, als hij zegt: de kerk is overal daar waar twee of drie vergaderd zijn in den naam van Christus. Maar deze stelling heeft in zooverre aanvulling noodig, dat er ook moet zijn een openbare verkondiging van het Woord Gods. Het Woord Gods is niet een private aangelegenheid, maar gaat de wereld aan. De kerk is daarom „wereldzaak".
Wat zichtbare en onzichtbare kerk betreft, het is onjuist die te onderscheiden als lichaam en ziel. Alleen door het geloof is de kerk Kerk; dit geldt ook van de zichtbare kerk. Prediking en sacrament — dat een andere vorm van prediking is — hebben alleen waarde door het geloof. De stelling van Art. 28 der Nederl. Geloofsbelijdenis, dat de merkteekenen van de ware kerk bestaan in de zuivere prediking van het Evangelie, de zuivere bediening der sacramenten en toepassing van kerkelijke tucht, is geheel onjuist (ganz falsch). Zij is alleen, waar Christus is, en is alleen door het geloot te onderkennen. Een zuiver orthodoxe prediking in een orthodoxe gemeente die in grooten getale naar de prediking komt luisteren, is nog volstrekt geen bewijs dat hier de ware kerk aanwezig is. Daarom kunnen wij nooit met zekerheid zeggen : daar is de ware kerk. Want die is alleen daar, waar God ons in Christus aanspreekt.
Wat men nu meestal kerk noemt, is nu eens het onzichtbare rijk Gods, dan weer het zichtbare instituut. Maar dit instituut ware beter kerkgenootschap (Kirchengesellschaft) te noemen. Dit is een wereldlijke instelling, evenals de familie en de staat. Het is een instrument der kerk. De organisatie is een zuiver wereldlijke aangelegenheid en iets geheel anders dan de zichtbare of onzichtbare kerk van Christus. Hoe de kerk georganiseerd is, kan nooit iets beslissends zijn. Beslissend in haar is slechts één ding : het levende Woord Gods. Waar dit ontbreekt, is iedere organisatie ondeugdelijk ; waar het aanwezig is, is iedere organisatie dragelijk.
De kerk van Christus kan zijn zonder ambt, is in wezen zonder ambt. Het is noodlottig geweest, dat Luther het Grieksche woord diakoneia (— dat in onze Staten-vertaling is weergegeven met „bediening" —) heeft vertaald door „ambt". Misschien heeft hij dat gedaan, omdat dit woord toen nog iets anders beteekende, nog meer het dienen uitdrukte. Thans is „ambt" iets officieels, iets van heerschappij of van dien aard, waarmee de kerk niets te maken heeft. De kerk kan echter niet zonder genadegaven — charismata — en zoo moeten er dragers der genadegaven zijn, die dienen.
De kerk moet een Belijdenis hebben. Maar heeft zij die, dan moet zij die niet juridisch willen handhaven of toepassen. Dit is geen Christelijke handelwijze. Daarmee wordt de kerk niet gebaat. Is er een overtreder, dan moet men persoonlijk met hem spreken en hem van ongelijk overtuigen, en zoo een oplossing trachten te vinden. Maar in geen geval een juridisch gebruik van de belijdenis. Geen leertucht! — „Nein, keine Lehrzucht !" —
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's