MEDITATIE
OM DE KRACHT ZIJNER OPSTANDING.
„Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding". Filipp. 3 : 10a.
En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt. Zóó heeft Jezus gesproken, toen Hij in het Hoogepriesterlijk gebed de oogen ophief naar den hemel. Het is de doorloopende boodschap der Heilige Schrift, dat het Adamskind noodig heeft wederom te weten wie God is, om dan te moeten kennen den Man, Die van den beginne tot verlossing beloofd is. Door den zondeval in Eden's hof heeft de mensch verleerd te weten Wie zijn Maker is. Hij heeft meer of minder een besef, dat het God is, of liever, denkend aan de heidenen, dat het een God is, maar hij kan van zichzelf niet verstaan hoe heilig en rechtvaardig zijn Schepper is. Daarom moet hij eerst bekend worden met die deugden Gods. Het kan niet anders of dit houdt voor den mensch verschrikking in, groote verschrikking. Hij ontdekt het immers, dat hij voor zijn God niet kan bestaan en hij leert het, dat hij het nooit klaar kan krijgen om de breuke der zonde te heelen. Dan wordt hem de boodschap aangaande Jezus Christus en Dien gekruisigd een openbaring. De noodzakelijkheid van het zoenverdienend lijden van Christus gaat voor hem leven, maar ook de genade, dat Jezus alzóó heeft gedaan wat hij nooit had kunnen doen. Daar wordt toevlucht geleerd, maar daar achter ook : te roemen in het loruis van Christus. Toch zou deze roem nooit doorgebroken zijn, wanneer achter het graf van Jezus niet ontmoet werd de opstanding uit de dooden. De openbaring van Jezus Christus is niet alleen die van Eén, Die gehoorzaam was tot den dood, den dood des kruises, maar ook van Dienzelfde als opgestaan uit de dooden, opgevaren ten hemel, zittende aan de rechterhand Gods. Dat kon juist zulk een naar recht omkomende ziel niet missen. Dat wordt haar dan ook het groote, het rijke, het zalige, dat Jezus in en door de opstanding uit de dooden gekend wordt als Die overwonnen heeft ten leven voor een dood-en doemschuldig volk. Het is te begrijpen, dat zulk een dan ook met den apostel leert roemen, maar wat meer is, Die ook opgestaan is. Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Hoe kunnen we dan verstaan, dat Paulus, die immers zulk een verlorene zich leerde kennen, maar ook leerde begrijpen het offer van Golgotha in de kracht van den Paaschmorgen, verklaart, dat het bij hem altijd weer gaat om de kracht der opstanding van Jezus Christus. Daar is immers de uitkomst tot en de rijke ervaring van leven uit den dood !
Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding ! Wat is dat treffend een belijdenis juist van Paulus. Met name zeker waar hij dit zegt zooals hij het zegt. Hoe ontroerend een zielezucht wordt het ons van den apostel, wanneer we hooren hoe sterk hij dezen zucht bij zichzelf vindt. Hij herinnert er de Filippensen aan hoeveel hij van zichzelf had. Ach, we hebben allen zooveel van onszelf. Het rijk en verrijkt zijn en geens dings gebrek hebben, het is den zondaar van nature eigen. Het leeft in een iegelijk van ons uit en van onszelven. Het staat de genade Gods immers juist in den weg. Ach, als we maar leerden wat het is een ellendig zondaar te zijn voor God ! Dan zou er wel ingang kunnen zijn van het Evangelie van Jezus Christus, hetwelk toch geen ander is, dan de boodschap, dat datgene, wat de zondaar nooit volbrengen kan, door Hem is volbracht; dat Hij den prijs der ziele, het rantsoen aan God voldaan heeft, hetgeen den zondaar in tijd noch eeuwigheid gelukken kan. Wat predikt Paulus ons dat juist treffend, wanneer hij tegenover de Gemeente van Filippi ophaalt wat hij bij zichzelven had en meende te bezitten. Leest en overdenkt, al is het voor de zooveelste maal wat hij schrijft. Meer dan eenig ander had hij kunnen betrouwen in het vleesch. Hij somt op wat voorrechten hij bezat. Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van den stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreen, naar de wet een farizeër, naar den ijver een vervolger der gemeente, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. In al de vezels van zijn leven kwam dus de vroomheid met kracht naar buiten. Het was bij hem alsof het leven voor zijn God maar niet genoeg gelegenheid kon vinden om zich te openbaren ! En toch... .daar schrijft hij nu : Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht. Ja gewisselijk, zoo roept hij uit, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijnen Heere ; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, en in Hem gevonden worde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof. Hoe sterk getuigt de apostel dus, dat het hem zoo echt gaat om de kennis van Jezus Christus en de kracht Zijner opstanding. Alles van zich werpt hij er verre by weg, alles tot in den warmsten ijver voor zijnen God toe, dat is tot in al den Godsdienst van zichzelf !
De vraag is hier toch wel op zijn pas of gij en ik reeds zóó aan onszelf en het onze, tot in onzen Godsdienst toe, leerden sterven ? Hebben we reeds geleerd, dat alles van ons tekort en te smal is om te kunnen bestaan voor God tot in onze vroomheid toe ? Zijn ons onze gerechtigheden reeds geworden als een wegwerpelijk kleed ? En als we het hebben leeren zoeken bij, verwachten van den Heere Jezus Christus, hebben we dan reeds als Paulus leeren verstaan hoe het uit Jezus alleen kan komen ? Ja, hebben we al begrepen hoe het nooit anders zal kunnen, dan sterven in onszelf en leven in Hem ? Spreekt er reeds iets van, dat we de opstanding van Christus Jezus moeten kennen, zooals de kracht daarvan de overwinning is over onzen dooden doemstaat ? Neen, niet alleen de vraag of we al weten, dat we zondaar zijn voor God. Ook dat, ja dat in de eerste plaats. Maar daar mag het niet bij blijven. Daar is het niets anders dan de dood. In Christus Jezus alleen is het leven, zooals Hij zelf tot Johannes op Patmos sprak, dat Hij dood was geweest, maar nu leeft in alle eeuwigheid. In die overwinning moeten we achter Hem aan. Daar alleen is het waarachtige leven voor u en voor mij. Daarom moeten we met Paulus verstaan, dat we alles, alles los leerden laten en leerden hijgen naar de kracht van Christus' opstanding !
Temeer wordt de noodzakelijkheid van dit vurig begeeren ons opgeroepen, wanneer we een oogenblik inkomen in de blijheid, welke bij den apostel zijn verlangen beheerscht. Of verstaat ge niet met mij, dat Paulus nooit zulk een vurig verlangen naar de ervaring van de kracht van Christus' opstanding had kunnen hebben, wanneer hij niet gesmaakt en geproefd had, hoe heerlijk zij was. Wat is die opstanding van Christus Jezus hem groot en dierbaar geworden. Ge merkt het ook wel uit zijn vurigheid waarmede hij over die opstanding aan de Corinthiërs schrijft. Indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof te vergeefs, zoo zijt ge nog in uwe zonden, zoo roept hij de Gemeente van Corinthe immers tegen. Ja, dan zijn ook verloren, die in Christus ontslapen zijn, zoo getuigt hij met ernst, gelijk ge weet. En dan zijn uitspraak : indien we alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn we de ellendigste van alle menschen. Daarin getuigt hij toch zoo diep ernstig, dat zij, die alleen maar gelooven zouden in een gestorven Christus en daar hun hope op gebouwd zouden hebben, zoo ontzettend bedrogen uit zullen komen. We hebben niet alleen een Middelaar noodig. Die in onze plaats wilde treden, maar Die daar ook weer uit mocht treden als Overwinnaar, als Die den dood, den doem verwon. Daar juist had Paulus zijn levensblijheid ontmoet; dat hij den Heere Jezus Christus niet alleen had moeten ontmoeten tot in den dood, maar dat hij Hem ook had mogen ontmoeten tot in het leven achter dien dood ! Hij roemt in de opstanding van den Christus Gods met zulk een roem, dat hij vooruit mag zien naar het einde en weten : de laatste vijand, die teniet gedaan wordt, is de dood. Ja hij roemt zoó krachtig in die opstanding van Christus, omdat hij reeds van verre aanschouwt hoe de toekomst van en door Dien Opgestane inhoudt, dat de dood ten eenenmale verslonden zal zijn tot overwinning. Het jubelt deswege reeds in hem : Dood ! waar is uw prikkel ? Hel ! waar is uwe overwinning ! O, hij weet het zoo goed, dat de wet hem de kennis der zonde bracht. Toen de wet kwam moest Paulus vallen, vallen in den dood vanwege de krachtige doorleving der zonde. Gods heilig recht gedoogde daar niet anders dan den dood, den eeuwigen dood ! Maar toen hij vat kreeg aan de prediking van de opstanding van Jezus Christus, toen leerde hij God danken, Die hem de overwinning deed verstaan door den Heere Jezus Christus in de opstanding uit Zijnen dood ! Christus' opstanding is hem daar de bevrijding van de benauwdheid der ziel in de banden des doods geworden, zonder welke opstanding hij nooit tot die verlossing gekomen zou zijn. Daarom is zijn ziel sindsdien er naar uitgegaan, er naar uitgegaan met al het verlangen, hetwelk in haar was, om steeds meer in te komen in Christus' dood en opstanding, dezelve immer meer te begrijpen tot het welleven zijner ziel en tot de blijheid van het blij vooruitzicht, hetwelk hem mocht streelen, om ontwaakt Gods lof te ontvouwen en verzadigd met Zijn Goddelijk beeld Hem in gerechtigheid te aanschouwen !
Ziet, geliefden, zóó moet onze ziel beroerd zijn door de boodschap van den Paaschmorgen ! Zoó moeten gij en ik het kennen, dat we na bang gevaar verruimd mochten leeren ademhalen ! We moeten niet alleen hebben leeren weeklagen, met den klap van den tollenaar, die zichzelf slaat op de borst, op dat hart, die vuile bron van al onze wanbedrijven, maar we moeten ook hebben leeren jubelen, leeren jubelen met een blijden roep naar Boven, dat de Heere de gevangenis heeft gewend, dat Hij het Abel's offer voor ons heeft gebracht, het offer, hetwelk aangenomen werd. O, rusten we toch niet vóór dat de Geest ons ontdekt heeft aan onze zonde niet alleen, maar ook aan de gerechtigheid, de gerechtigheid van Christus, welke juist in Zijn opstanding uit den dood naar voren treedt. Ja ook, er zij geen rusten vóór we het weten door den Heiligen Geest, Die immers ook overtuigen zal van het oordeel, dat ook voor ons de overste dezer wereld geoordeeld is. Ja zelfs, er zij geen rusten vóór we ontmoeten mogen de rust, welke er overblijft voor het volk van God ! Hier blijft het nog de eeuw, waarin de vorst der duisternis macht heeft, en de Gemeente des Heeren zeer begeert te ziften als de tarwe. Alleen door het geloof in de opstanding van Jezus Christus kunnen we in dezen ziften's tijd moed houden en moed houdend den dag tegenzien, waarop we eerst ten volle ervaren zullen, dat de dood niet meer zal zijn. Dit zal toch de ervaring wezen van hen, die deel hebben in de eerste opstanding !
Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding ! Geen wonder, dat Paulus dit vurig begeeren kent. Wat zaligheid is er toch vast aan de opstanding van Jezus Christus uit de dooden ! Daar vindt hij pas het leven, het waarachtige leven, het leven, hetwelk God doet prijzen van wege de verlossingen Zijns aangezichts. Hoe begrijpelijk is het, dat hij spreekt van een verlangen om ontbonden te wezen en met Christus te zijn, want dat hem dat verreweg het beste is, In de oogenblikken, waarin hij de Icracht van Christus' opstanding mag doorleven, tintelt zijn ziel van blijde vreugde in God naar waarde nooit te danken. Dan zegt hij met Johannes : wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft lief gehad ! Daar zou hij dan wel immer willen blijven! Maar ach ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? Doch hoe rijk.... Ik danke God door Jezus Christus onzen Heere ! Dat wijst vooruit. Daar voor hem, daar over den Jordaan des doods, daar wenkt dat oord, waar ongestoord het liefde-leven zal geleefd, waartoe de liefde van Christus hier dringt in de ervaring van de kracht Zijner opstanding !
Daar zullen we hier nog maar naar jagen kunnen ! En we zullen er naar jagen, wanneer we de kracht der opstanding van Christus leerden verstaan ! Jaagt gij nu reeds ? Jaagt gij nu reeds met en in de belijdenis, dat ge alles schade en drek hebt leeren achten om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, opdat ge Hem kennet en de kracht Zijner opstanding ? Gelukkig, wanneer het zóó is. Dan kent ge ook iets van met Christus in Zijn dood begraven te zijn geweest, maar ook met Hem te hebben mogen opstaan in een nieuw leven ! Dan hebt ge kennis aan de teleurstelling, dat ge niet bleeft die ge dacht te zullen zijn. Maar dan ook hijgt ge in dien Paulus' roep achter hem aan, om als hij te ervaren, dat de Heei'e een zaak begint en haar ook voleindigt. Dan zal als door Paulus worden gekend : Ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden ; voorts is mij weggelegd de krone der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal.
De Bilt (U.)
H. A. DE GEUS
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's