De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Heb je gehoord, dat de Jonker gister ook naar de kerk geweest is ? " vraagt zij. Deze mededeeling schijnt Brandsma belang in te boezemen.
„Neen, dat wist ik niet."
„’t Moet een treffende preek geweest zijn ; ds. Feurman had het over 't tarwegraan en over het geheim van het leven."
„Een mooi onderwerp ; heeft Jap er van verteld ? ”
„Neen, ik hoorde vanmorgen dat de arbeider tegen de knechts er over sprak en het schijnt dat dit woord den Jonker heeft aangegrepen. Hij moet tenminste zeer onder den indruk zijn geweest."
„Gods Geest werkt wonderlijk, vrouw ; ik geloof dat hij een gekende des Heeren is. Hoe het komt weet ik niet, maar sedert hij bij ons is geweest, ben ik telkens met dien man bezig en hoor hem nóg spreken. Als ik mij niet vergis zal hij nog een man van beteekenis worden in de geschiedenis van ons Christenvolk en van onze Christelijke Kerk."
Een oogenblik is het stil, en dan zegt Brandsma op een toon die zijn vrouw doet schrikken en waarin zij de diepte zijner zielewonde peilt:
„Wat zou ik wenschen, dat dit ook van onze kinderen gezegd kon worden."
Een hevige ontroering, die hij niet gewoon is te verraden, maakt zich van hem meester. Met een steelschen blik ziet zij hem van ter zijde aan. Wat lijkt hij verouderd en lijdende.
„Gods macht is groot, " zegt ze opbeurend, „Hij kan uit steenen Abraham kinderen verwekken, en wij hebben toch ook de Verbondsbeloften ? "
Ja, dat weet Brandsma ook, maar óók weet hij, dat genade geen erfgoed is.
„’k Zou zoo gaarne, vóór ik van hier ga, zien, dat zij wandelden in de vreeze des Heeren, " brengt hij bevend uit.
„Daar is immers ook ons gebed voor" tracht zij te troosten.
Weer treedt een pauze in. Dan vervolgt hij :
Wat scheelde Jap vanmorgen aan de theetafel ? "
„Ik geloof dat het met haar verkeering niet in den haak is. Gisteravond is zij alleen thuis gekomen, en, na goeden nacht gezegd te hebben, direct naar bed gegaan, 'k Denk dat zij niet veel geslapen heeft, want haar oogen waren vanmorgen zoo rood, en zij heeft bijna nog niets gebruikt." „'t Zou haar geluk worden, vrouw ; o die ongelijke huwelijken !"
„Ja, en naar den wil harer ouders."
„Beste menschen, die heel wat zorgen gehad hebben, maar er nu gelukkig boven opkomen."
„En die de weldaden dankbaar waardeeren."
„Wil je nog een kop koffie ? " „Dank je, 't smaakt mij niet." „Een beker melk dan ? " Och neen !"
”je voelt je ziek, geloof ik ? "
„'t Is in het laatste schoft, vrouw ; wij beginnen oud te worden."
„’k Wou, dat je den dokter liet komen." „Och, die dokters weten er ook niks van ; 'k zal van middag wat gaan rusten, misschien zakt het dan zóó wel weer af."
„Wij zouden nog zoo graag wat bij elkaar blijven hè ? "
„Als het den Heere behaagt, maar wij zijn het samen eens met Zijn wil, niet waar ? Vrouw Brandsma geeft hierop geen antwoord. Een groote traan welt op in haar oude oog. Langzaam wendt zij haar hoofd af en staart uit het raam over de dorre velden. In de verte nadert stoomend en puffend een locomotief met een zandtrein, maar zij ziet het niet, — zij ziet niets. Niets dan donkerheid en — dood.
„’t Zij dat 'Wij leven, wij leven den Heere, 't zij dat wij sterven, wij sterven den Heere. 't Zij dan dat wij leven of dat wij sterven, wij zijn des Heeren, " zoo klinkt het zacht van Brandsma's lippen. Dan sluiten zijn vermoeide oogen zich een wijle, en valt hij in een lichte sluimering.
Geruischloos staat de boerin op, om haar troost bij Jap, die aan de waschtobbe staat, te zoeken.
„Ik geloof dat de boer lang niet goed is, Jap." — , , Nee vrouw ? " — „Hij ziet zoo bleek, en is heel anders dan gewoon." — „Is de boer wel eens eerder ziek geweest ? " — „Niet veel, maar hij klaagt ook niet gauw. 'k Wou den dokter halen, maar hij wil er niets van weten." — „Is de vrouw ongerust ? " — „Ja, 'k weet zelf niet hoe, maar het ligt mij zoo zwaar op de leden." — „Misschien wat overspanning, de boer maakt zich soms ook zoo druk. Kan ik wat voor de vrouw doen ? " — „Och neen, maar gauw zien, dat je 't werk aan kant krijgt, en dan van middag wat bij mij komen zitten. Ben je zelf wel goed, Jap ? " — „Ja vrouw." — „Of scheelt er wat anders aan? "
Op deze vraag volgt niet direct antwoord. Met groote vaardigheid duiken de handen telkens in het schuimend zeepsop, om daar hun werk te doen. Dan zegt zij :
„’t Kan soms zoo zwaar vallen het offer te brengen, dat de Heer vraagt, vrouw."
Ja, dat gevoelt vrouw Brandsma thans ook meer dan ooit, en hier zijn de vrije en de dienstbare één.
„Dat is zoo, kind, en toch zegt de Heere. dat, zoo wij Iets stellen boven Hem, wij Zijner niet waardig zijn." — „Dat is juist. Hij vraagt alles of niets." — „Heb jou misschien je offer gebracht, Jap ?  „Ja. En door de tranen heen blinkt een glimlach als zachte weerschijn van den vrede, die na volstreden strijd in het jonge hart neerdaalt.
„Gelukkig voor je, 'k wou, dat ik er nou was, " zegt vrouw Brandsma.
„Dag, Marijke !"
„O heden, dag. Jonker ; hé, daar schrik ik van !" — „Ik kom er ook zoo maar pardoes inloopen en had ook eerst wel even kunnen roepen van „volk". — „Neen, dat is niets niemendal, de Jonker is altijd welkom, maar ik had er in het geheel geen erg in, dat u daar was." — „En zit je te lezen? " — „Jawel, Jonker, 'k las de tekst van gistermorgen nog eens over." - „Een mooie tekst. Marijke, en zoo waar dat er niets tegen in te brengen valt. — 't Heele Woord is waar. Jonker, van het begin tot het einde." — „Hoe weet je dat  — „Omdat !het 't Woord van God is." — „Ja, maar hoe wéét je dat ? " — „'t Staat er in, en ik voel, dat het waar is, daar is zijns gelijke niet." — „Begrijp je dan alles wat er in staat. Marijke ? " —
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's