De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

5 minuten leestijd

DE GELDMIDDELEN DER OVERHEIDSKASSEN.
Er kan niet dikmaals genoeg de aandacht op worden gevestigd, dat de toestand, waarin de financiën van Rijk, Provincies en Gemeenten zich bevinden, zeer ernstig is.
Toen de Minister van Financiën in September 1.1. de Rijksbegrooting voor het jaar 1933 indiende en daarbij gelijktijdig de millioenen-nota voegde, bleek uit deze stukken, dat er voor het loopende jaar een tekort moest worden geraamd van 147 millioen of rond 150 millioen gulden.
Droeg dit tekort op de begrooting, op zich zelf toezien, reeds een hoogst bedenkelijk karakter, het feit, waardoor het tekort was ontstaan, maakt de zaak bepaald zorgelijk.
Er moest toch op den staat der ontvangsten op een lager bedrag aan belastingen gerekend worden van 68 millioen, tengevolge van de verminderde draagkracht der bevolking. En omdat dit feit ook zijne beteekenis heeft voor de geldmiddelen der gemeenten, moest in het gemeentefonds door het Rijk een extra bedrag van 20 millioen worden gestort, wat met elkander een teruggang der middelen geeft van bijna 90 millioen gulden.
Juist die achteruitgang van de draagkracht der bevolking, welke nog steeds voortgaat, maakt den toestand der financiën zoo verontrustend.
De statistiek wijst uit, dat het totaal inkomen der bevolking in de laatste jaren met 40 procent is gedaald.
Toch is het beeld, dat wij hier van den stand der geldmiddelen van het Rijk gaven, nog niet volledig.
Er moet nog gerekend worden met twee omstandigheden, die de financiën op ongunstige wijze beïnvloeden.
In de eerste plaats met het feit, dat de gevolgen van de economische inzinking nog bij lange na niet hebben doorgewerkt, zoodat voor de jaren 1934 en 1935 en, zoo de crisis nog langer aanhoudt, ook nog voor de daarop volgende jaren weer belangrijke tekorten in de overheidskassen te wachten zijn.
Nu reeds wordt het tekort op de Rijksbegrooting voor het jaar 1934 op minstens 120 millioen gulden geschat.
En in de tweede plaats dat het steeds moeilijker gaat worden om de werkloozenverzorging te financieren.
Ten behoeve van de voorziening in den nood der werkloozen werd door het Rijk in den vorm van steun, kosten voor werkverschaffing en steun voor de werkloosheidsverzekering in 1932 een bedrag uitgegeven van circa 140 millioen gulden, terwijl in datzelfde jaar nog een gelijk bedrag ten laste van de gemeenten kwam voor werkloosheidssteun, voor werkverschaffings bijslag op de verzekeringspremies voor de werkloosheidsverzekering en voor armenzorg.
Hoe het mogelijk zal zijn, om op den duur bijna 300 millioen gulden 's jaars ten behoeve van de werkloozenverzorging beschikbaar te stellen, zal binnenkort wel nader blijken.
Intusschen zal het de taak van het nieuwe Kabinet moeten zijn om, wil het hier te lande den weg van inflatie niet opgaan, maatregelen te treffen tot saneering der geldmiddelen van Staat, Provincie en Gemeente.

CIJFERS DIE SPREKEN.
Onder dit opschrift schrijft de heer Jac. van Amstel in De Amsterdammer, Christelijk Dagblad voor Nederland :
Van de honderd menschen, die in Amsterdam wonen, behoorden er in 1890, 42 tot de Ned. Hervormde Gemeente. In 1930, bij de laatste volkstelling, was dat cijfer gedaald tot nog geen 21. Een groote teruggang dus. Nog eenige cijfers: Gereformeerd en Chr. Gereformeerd waren in 1899 van de honderd Amsterdammers nog geen vijf (4.36). In 1930 was dat cijfer ongeveer gelijk gebleven (4.38). Hier dus ietwat vooruitgang. Voor de Roomschen waren deze cijfers in 1899, 23 en in 1930, 22. Wederom teruggang. Hetzelfde geldt in nog meerdere mate de Joden. In 1899 ruim 11 en in 1930 ruim 8. Wat de andere Godsdiensten betreft, of waar de Godsdienst onbekend van is, ook weer daling. Van ruim , 12, naar 8, alles in Amsterdam per honderd inwoners, Ontstellend is, naast dezen achteruitgang, 't klimmende cijfer van hen, die op 't volkstellingsbiljet hebben geschreven, dat zij tot geen Godsdienst behooren. In 1899 ; waren het ruim 5 (5.88) van de honderd j Amsterdammers die dit invulden, in 1930 zien we dat cijfer gestegen tot bijna vijf en dertig (34.90). Dus is in dertig jaar dit aantal bijna verzevenvoudigd. Uit deze cijfers blijkt dus, dat de Roomschen en de Gereformeerden (Chr. Gereformeerden) i zich zoowat handhaven. De hardste klappen ontvingen hier echter de Ned. Hervormden en de Joden. Er dwalen van deze kudden telkens meer schapen af. Wat de Ned. Hervormde Gemeente betreft, men sluit zich bij andere Kerkgroepen of Gemeenten aan of, en dit is gezien deze cijfers de grootste groep, men breekt met de gemeenschap dezer Gemeente. Wanneer de afval voortgaat in de lijn van deze tellingen, zal het niet lang meer duren, of de meerderheid van de bevolking van Amsterdam behoort niet meer tot een Kerk of Gemeente. Wij weten wel, dat dit nog niet volkomen beteekent, dat men dus met allen Godsdienst breekt. Ook buiten een Kerk of Gemeente kan men belijdend Christen weezen. Maar wij gelooven niet te veel te zeggen, als we beweren dat het allergrootste deel niet alleen leeft buiten Kerk of Gemeente — want dat zou het ergste niet zijn — maar buiten het Evangelie. En dat is wel heel erg. Hier is de openlijke bekentenis van afval aan het woord. Zullen deze sprekende cijfers nu uitdrijven tot een; „mannen broeders, wat zullen wij doen ? " Of wel zal het elkander in eigen kring verbijten en vereten rustigen voortgang hebben — ? In Rotterdam, in Den Haag is het verschijnsel precies hetzelfde. Rotterdam in 1899 : van de honderd 2 zonder godsdienst, in 1930, ruim 22. Den Haag in 1899 bijna 3 ; in 1930 ruim 23. En zoo is het niet anders in andere plaatsen van beteekenis. Dat we ons toch ernstig afvragen, wat deze cijfers ons belijdenden Christenen te zeggen hebben. En dan — ? Dan door schuldbesef verslagen, in de kracht des Heeren zoeken naar de verdoolde schapen.
Het zijn wel droeve cijfers, die de laatste volkstelling mededeelt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's