De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

’s HEEREN OPZOEKENDE LIEFDE.

10 minuten leestijd

Jezus zeide tot hem : omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben. Johannes 20 vers 29.

Thomas heeft onder ons altijd een bizondere plaats ingenomen. Of wordt hij niet genoemd „de ongeloovige Thomas" ?
Denkt u nu eens een discipel die ongeioovig is. Deze kan toch niet als zoodanig worden erkend, is 't wel ? De kring der discipelen moet hem zeker wel uitbannen ?
En toch heeft nooit iemand hieraan zelfs in de verste verte gedacht. Hij behoort bij de twaalven. Wij zijn wat blij, dat de heilige bladen deze geschiedenis voor ons hebben bewaard.
Hierin merken wij op 's Heeren bizondere bedoeling. Er schuilt n.l. voor discipelen, die zich ook van zooveel ongeloof hebben te beschuldigen, zooveel troost in.
Stel u eens voor, dat er nooit de minste twijfel, zelfs geen aarzeling om 's Heeren Woord te aanvaarden, onder de eigen gekozen jongeren des Heeren zich had voorgedaan. Welk gevolg, noodzakelijk gevolg, dat gehad zou hebben voor eiken twijfelenden jonger in het heden.
Ge vraagt : welk gevolg ?
Dit, dat de gedachte in menig hart zou rijzen „voor mij is er nooit eenige kans om zalig te worden. Mijn hart is veel te slecht, veel te ongeloovig".
Nu heeft de Heere hier het net zoo gespannen, dat zij, die met een Thomasnatuur te kampen hebben, zich hier onmogelijk kunnen losmaken uit dezen liefdestrik. Hier, in wat een Thomas wedervoer, heeft de Heere mij op het oog. Om mijn dwalende voeten vast te zetten, liet Hij de geschiedenis van dezen jonger vastleggen.
Letten we nu eens op Thomas.
Ieder mensch heeft van God zijn eigen natuur, zijn eigen aard, zijn eigen hebbelijkheden ontvangen.
Is de een licht-geloovig, gemakkelijk voor overreding vatbaar, ge treft ook lieden, die uit den aard van hun wezen dadelijk een vr'aagteeken plaatsen achter alles. Zij zien immer den donkeren kant der dingen. Reusachtig veel moeite gaat er mee gepaard, de zoodanigen van iets te overreden.
Tot deze laatsten kan gevoegelijk Thomas worden gerekend.
Hij behoorde tot die jongeren, die zonder twijfel den Heere oprecht beminde, en alles voor Hem over had, doch bij dat alles had hij zijn zwaartillen steeds behouden.
Om u een staaltje te geven van zijn gewonen gedachtengang. Toen Lazarus gestorven was, sprak de Heere tot Zijn jongeren, om vanuit Galilea de reis te ondernemen naar Bethanië. Nu was het evenwel een zaak van algemeene bekendheid, dat de Joden een aanslag tegen Jezus beraamden. Dus was er geen klein gevaar aan verbonden, om zich in de buurt van Jeruzalem te wagen.
In plaats van het nu geheel op den Heere te laten aankomen en te zeggen : Zijn wegen zijn in Gods hand veilig en wel bewaard, was dit het woord dat hij sprak : „laat ons met Hem gaan, opdat wij met Hem sterven".
Zoo was nu eenmaal zijn geaardheid. 't Was dus ook volstrekt geen wonder, dat bij den dood des Heeren hem alle moed was ontzonken.
„’t Is net zoo uitgekomen, als ik menig keer gevreesd heb".
„'t Is geëindigd in den meest donkeren nacht", 200 waren zijn gedachtegangen. Nog donkerder dan bij een der anderen was het in de ziel van Thomas.
Daarom trok hij zich ook terug uit den kring der jongeren.
Ge ziet dit vaker gebeuren bij zwaartillende menschen. Deze zoeken lichtelijk de eenzaamheid op. Nu zou het nog niet zoo zeer te veroordeelen zijn, als deze eenzaamheid maar tot gemeenzaamheid met den Heere mocht leiden. Doch dat is lang niet altijd zeker. Zelfs is het gevaar zeer groot, dat de donkerheid daardoor nog grooter zal worden, en de levenslast zoozeer begint te drukken, dat men straks geen raad meer weet.
Is het niet juist een eigenschap, welke ge aantreft bij het redeloos gedierte, dat wanneer één in nood verkeert, deze dadelijk zoekt het gezelschap van anderen? Waardoor een gemeenschappelijk roepen wordt gehoord. De dieren vluchten altijd in hoopen.
’t Is daarom zulk een gevaarvolle weg, alleen te willen zijn in den nood.
Weet ge, waar vaak de oorzaak schuilt ? Zulke zwaartillende lieden hebben niet zelden deze gedachte van zich zelf, dat niemand zoo scherp de dingen opmerkt als zij. Zij zien de dingen scherp, de anderen minder. Deze zijn oppervlakkig, licht geloovig. Neen zij peilen de dingen tot op den bodem. Met andere woorden : ik weet het beter dan iedereen.
Welken naam zoudt ge daaraan willen geven anders dan „hoogmoed". De diepste wortel is eigenwaan.
En nu is hoogmoed nooit van den Heere. Vandaar, dat van deze vruchten ook nooit anders dan bittere gevolgen zijn te wachten.
Thomas was den Heere kwijt en dat smartte hem, tot in het binnenste van zijn ziel. Zijn gansche gemoed was er door bewogen. Niemand die hem troosten kon.
Daarom zwierf hij alleen.
Hij weigerde met hen te verkeeren. En ziet, nu kwam de Heere in hun midden, terwijl Thomas er niet was.
Och, wat speet het de discipelen. Het ging van mond tot mond : „dat onze broeder er nu net niet was. Och, dat hij zoo weigerachtig kon wezen. Wat is dit dubbel jammer. Vooral hij heeft het juist zoo hard noodig".
Denkt u de ontmoeting van de jongeren met Thomas, nadat zij den Heere hebben gezien, zij roepen het allen tegelijk hem vanuit de verte al tegen: wij hebben den Heere gezien!
Ach, zoo spreekt hij half meewarig, half ontroerd: „dat gij aan zulke lichtgeloovigheden ook nog toegeeft. Wanneer vrouwen dit onder elkander nog vertelden, maar gij moest u als mannen daarvan spenen. Ik geloof er hoegenaamd niets van. Wanneer mij zulk een verschijning gewerd, zooals gij zegt, dat gij gehad hebt, dan zou ik deze willen aanraken, tasten".
En nu komt het uit in elk van zijn woorden, wat hem het meest pijnlijk heeft getroffen, toen hij den Christus daar had zien hangen aan het hout. Die teekenen der nagelen en die speerstoot in de zijde. Hij had de bloedende wonden gezien en die zag hij overal. Als ik daarin mijn hand eens kon leggen en als ik daarin mijn vingers eens kon steken. Maar dat was onmogelijk, dat kon niet.
Thomas had geen oog voor wat de Heere zelf in Zijn Woord omtrent de gangen van den Christus had gezegd ; Al wat Hij daaromtrent gesproken had was ook zijn ooren, evenals die der andere discipelen, voorbij gegaan. Hij leefde uit zichzelve en luisterde enkel naar wat zijn eigen hart hem ingaf.
Wat moet daarvan nu terecht komen ?
Deze bron deugt immers niet. Wie op zijn hart vertrouwt is een zot, van een dwaas is meer verwachting dan van hem. Thomas spreekt zijn eigen ongeloovig hart uit, als hij zegt: „ik zal geenszins gelooven". „Ge kunt zeggen wat ge wilt, doch gelooven doe ik het niet. Nooit".
Is dat niet schrikkelijk ?
Een eigen discipel des Heeren, die deel heeft aan den Christus, spreekt zulk een taal.
Weet hij dan niet, wat daarvan noodzakelijk het vruchtgevolg wezen zal ?
Zonder licht, dwalende in het akelig duister. meest
Dan heeft een wereldling het veel gemakkelijker, oneindig veel, want immers deze heeft nooit licht gezien, daarom wordt hij ook niet verschrikt bij het zien van donkere wolken.
Ach, wat had Thomas het kwaad. Weet ge, hoe daarin verandering komt ? Niet van zijn zijde, maar van Gods zijde. Langs een zichtbare en langs een verborgen lijn ziet ge hier redding toegevoerd.
De verborgen lijn is deze, dat Thomas zijn mijdinge van de broeders opgeeft. Hij ontloopt hen niet langer. Hij komt weer in hun gezelschap. In de saamvergadering der discipelen ontbreekt hij niet meer.
Daarin merken wij Gods verborgen wegen. Wat de wereld aanziet voor iets toevalligs, of toeschrijft aan de overredingskracht van menschen, dat bleek van achteren de voorbereidende werkzaamheid des Heeren te zijn, waarop de volle genade zou volgen.
Thomas werd weer ingeschakeld in het geheel. Hij zocht de broederen niet langer te ontloopen.
Of dit voor de anderen gemakkelijk zal geweest zijn, is een andere vraag. Heeft het uw aandacht nooit getrokken, wanneer zulk een in het donker verkeerende broeder of zuster in een gezelschap is, hoe daardoor als het ware een druk komt te liggen op heel de omgeving.
Hoe zijn aanwezigheid daar ook werd aangevoeld doet weinig ter zake, hij was er. Hij was er, als de Heere ditmaal wederom in hun saamvergadering Zijn wonderen vredegroet laat hooren.
Gold dit allen, niemand uitgezonderd, ditmaal ligt nog een bizondere bedoeling aan de voorhand.
Zonder Zich met een der anderen directelijk in te laten, treedt de Heere op Thomas toe. Zijn stem heeft naast het zachte, overredende, ditmaal ook iets gebiedends.
„Breng uwen vinger hier, " daarmee wijzende op Zijn voeten. Met andere woorden, buig u voor Mij neder. Zie Mijn handen; ze boven hem en voor hem uitbreidend. Leg uw hand in Mijne zijde en wees niet ongeloovig, maar geloovig". Treedt hierin Gods genade niet in zichtbare lijn uit? Of zoudt ge een andere benaming daaraan durven te geven ? Zoudt ge een gewonen sterveling met zulk een opzoekende liefde u kunnen denken ?
Thomas heeft zóó alle mogelijkheid van 's Heeren opperheerschappij over den dood, over Zijn algeheele overwinning over de machten der hel, dat wij zouden zeggen, nu moet hij de gevolgen van zulk een twijfelzucht, van zulk een ongeloof ook zelf maar ondervinden. En toch, het eerste wat de Heere doet is Thomas opzoeken, 't Is net alsof er niemand anders in de zaal zich bevindt, dan hij.
Zoo doet de Heere nu telkenmale. De onwaardigste, de meest zondige, wordt vaak met voorbijgaan van anderen opgezocht en toegesproken.
„Thomas, gij wilt niet gelooven, gij wilt zien, ja nog meer dan dit, „tasten", zóó, dat er geen onderscheid overblijft met iemand, die niet te overtuigen is. Nu wil Ik mij aan dezen alleszins onbillijken eisch aansluiten. Ik wil u ook .daarin nog tegemoet treden. Ge zult zien. Ge zult tasten".
Wordt het nu niet moeilijk om te ontkennen, zulk een liefdevolle Heiland is er maar één te wijzen, is er nergens anders denkbaar.
De voorstelling is gegeven, dat zalig worden het allermoeilijkste is, wat er ooit gedacht kan worden.
Nu waag ik het niet deze stelling aan te vechten, 'k Wil er alleen dit bij opmerken : van de zijde van de menschen. Wanneer deze het bewerken moest, zoo zou ik het nog sterker willen uitdrukken : dan is het onmogelijker dan één ding.
Doch nu zooals het in werkelijkheid is. In den weg der zaliging staat niet de mensch voorop, hij is niet de eerste, neen, daarin treedt God naar voren en Deze brengt den Zaligmaker Zelf mee. Hij doet het. Hij alleen. Hij doet het evenwel geheel. Daar komt nog geen zucht van een mensch bij.
Thomas heeft niet den Heere opgezocht maar de Heere hem. Aan elken eisch, ook de meest dwaze. Want dwaas was deze zeker, toen hij sprak van de hand te mogen leggen in Zijn zijde, en de vingers te mogen steken in de teekenen der nagelen, en toch komt de Heere hem daarin tegemoet. Gij zult het weten, dat Ik leef, Thomas. In Mijn liefdeblijk zet Ik u vast. De meest levendige overtuiging dat Ik leef, breng Ik u bij. Wat geen discipel kan, kan Ik. Wat niemand vermag, is voor Mij weggelegd. Heerlijk, wie dit ervaren mag. Die zingt het den dichter ook na :
Loutre goedheid, liefdekoorden. Waarheid zijn des Heeren paan. Hun, die Zijn verbond en woorden, Als hun schatten gadeslaan.
Immers, die zal het ook niet kunnen inhouden, de bede te stamelen :
Wil mij. Uwen Naam ter eer, Al mijn euveldaan vergeven. Ik heb tegen U, o Heer, Zwaar en menigmaal misdreven.
(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's