RONDOM DE LEESTAFEL
ZONDER TUCHT, door D. Hogenbirk Jzn. Uitgave J. H. Kok te Kampen.
In stemmigen, solieden, mooien band is dit boek „een verhaal van huwelijksleed" gestoken. En zoo passen band en boek bij elkaar. Want het is een boek vol leed, maar 't moest toch niet in een onsolieden, flodderigen, goedkoopen band worden gestoken, 't Brengt stevigheid en vastheid en daarom is het zoo'n mooi boek, van binnen en ook van buiten mooi.
Dit boek is „echt Ds. Hogenbirk". Dat Ds. moet er bij. Want echt-Hogenbirk beteekent voor ons — en natuurlijk voor velen anderen ook — iets anders. Dan denken we aan den ouden, nu overleden heer Hogenbirk van Amsterdam, die ook door tal van „Zondagsschool-boekjes" onder ons en onze kinderen — maar niet alleen door Zondagsschoolboekjes, doch b.v. ook door z'n boeken in de Chr. bibliotheek van Callenbach (eerste jaargangen) verschenen, als ook uit „Ons tijdschrift" — zoo goed bekend (wie kent b.v. niet „Kinderen huns tijds" ? )
Ds. Hogenbirk is een andere Hogenbirk. Dat wil zeggen : een ander persoon. Misschien een zoon ? In elk geval een ander persoon, maar , ze hebben veel van elkaar.
Het boek, dat nu voor ons ligt, is „echt Ds. Hogenbirk". Wie de andere boeken van dezen predikant-schrijver gelezen heeft en dit boek opslaat en de eerste bladzijde leest, zegt dadelijk : dat is Ds. Hogenbirk weer ! Want de schrijver heeft een eigen stijl, een eigen manier van zien en zeggen, die zoó onderscheiden is van anderer stijl, dat het direct opvalt. Vooral de woordkeus en zinsbouw teekent de boeken van Ds. Hogenbirk, die met de taal van den Statenbijbel vertrouwd, ons telkens aan de bijbeltaal doet denken. Als hij van een bakker spreekt, die uit z'n zaak is gegaan en renteniert, dan schrijft hij : „Toen was de tijd gekomen, dat hij mocht eten van den arbeid zijner handen, zonder dezelve meer tol de bereiding des broods uit te steken". „Deze avondrust mocht Elshout genieten aan de zijde zijner vrouw, die hem al de jaren zijns zwoegens in alle goede en oprechte dingen, die tot het tijdelijke leven behooren, tot een hulp was geweest". „Het was dezen menschen steeds naar den vleesche gegaan. Gestadig, waren ze gewassen in het land hunner vaderen, gewinnende zonen en dochteren, zonder dat ze den gang naar het graf behoefden te maken. Ook was hun vermogen gedurig toegenomen" enz.
Zoo zijn we aanstonds voorgesteld aan den emeritus-bakker en z'n vrouw ; en het gaat dan om den zoon des bakkers, die de zaak zijns vaders heeft gekregen en trouwt met Rina, die uit „de stad" komt. Vader Elshout, die een wandelende Jacob Cats is, met z'n vrouw, die zoo graag van den „goeie God" spreekt, benevens de zonen en dochteren zijn niet de hoofdpersonen van dit boek. Dat zijn Albert en Rina, maar vooral Rina en straks de zoon, die nog geboren wordt, als de moederverwachtingen bij Rina in groote droefheid zoo goed als verstorven waren. En dan" gaat het om Rina, die uit den mond van Mientje, 't olievrouwtje, wel gehoord had, dat de mensch moet leeren „buigen", maar die het niet verstond en het eerst na vele jaren vol smartelijke wederwaardigheden bevindelijk leerde kennen.
Een boek van huwelijksleed, omdat men zonder tucht leefde, dat is : omdat men geen onderricht of tuchtiging heeft willen hooren, of als men ze hoorde, ze niet heeft willen aannemen (Spr. 5:23). Maar God kwam tusschenbeide toen het huwelijks-en het huiselijk leven dreigde te versterven.
Wij kunnen ons voorstellen, dat er wel menschen zijn, die op den stijl en wel om bovengenoemde redenen juist - aanmerking maken en zelfs bezwaren daartegen inbrengen. Men vraagt dan, of het niet ietwat op „spotten met het heilige" lijkt. Maar dat is het toch inderdaad niet. Hij spreekt de taal zooals hij 't beluistert bij de menschen. En in die taal predikt hij den weg des doods, om te lokken tot den weg des levens. Hoe mooi, hoe wonder mooi is niet de weg van Rina ons geteekend. Mooi in karakterteekening, mooi in haar levensgang over hoogten en door diepten, mooi in haar benauwdheden, mooi in haar geloof, hoop en liefde. Mooi als ze pleitende op Gods Woord bidt en hoopt en wacht of de verloren zoon, haar eenige, ook zal wederkeeren. Heere, dan kan het nog, dat een zondaar, die zonder tucht is geweest, niet sterft - doe het om Uws Naams wil !" -
Een mooi boek is „Zonder tucht".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's