JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen
En in allen eenvoud, maar daarom juist zoo treffend, vertelt vrouw Mollema hoe zij in de meisjes jaren tot het geloof gekomen was, en hoe dat geloof daarna onder alle levensomstandigheden de kracht werd. waardoor zij staande bleef. Hoewel arm naar de wereld, is zij toch zoo rijk in God, en zou voor alle schatten niet willen missen het heilgoed, haar in Christus geschonken.
En Douwe vult haar mededeelingen aan door te vertellen van de wonderlijke uitreddingen, soms zoo onverwacht en verrassend, als de nood ten top gestegen was. Ook de ontmoeting met den Jonker op dien onvergetelijken dag, ten gevolge van het steigeren van het paard, wordt in hooger licht beschouwd als een leiding Gods, zonder Wiens wil immers geen muschje ter aarde valt en Die de haren des hoofds alle geteld heeft.
En ook de Jonker verhaalt hoe hij eindelijk zóó ver gekomen is, dat hij zich als met onweerstaanbare kracht voelt aangetrokken tot de dingen, die een hooger leven raken. Niet dat hij God gezocht heeft, maar Hij heeft hem gezocht, en vrouw Mollema vult aan :
„Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten : tot het volk, dat naar Mijnen naam niet genoemd was, heb Ik gezegd : ziet, hier ben Ik".
En hoe langer zij samen spreken over de wonderlijke wegen des Heeren, hoe aanbiddelijker voor alle drie de onbegrijpelijke liefde Gods wordt, die hen uit het aardsch gedruisch deed naderen en Zijn heilstem hooren, ja wonen in Zijn huis.
Zoo vliegt de tijd voorbij. Vrouw Mollema heeft haar naaiwerk neergelegd en gevoelt voor het oogenblik niets meer van de vrees, die zij voor dezen had als zij dacht aan de verschijning van dien rijken heer van het Slot; en de Jonker zélf hindert het in 't geheel niet, dat hij hier neerzit in de eenvoudige woning van een man, die voor kort nog slechts een arme daglooner was.
Als de oude Friesche klok met langzamen slag tien slaat, springt hij op zeggende :
„Wel verbazend, wat heb ik jullie opgehouden ; ik ben den tijd geheel vergeten." „O, dat is niets mijnheer, het is wel meer middernacht geweest, voor wij ter ruste gingen", is het antwoord.
Nog eenmaal laat hij zijn blik door het vertrek gaan. Hoe eenvoudig alles, maar hoe zindelijk tevens, en hoe is hier blijkbaar gewoekerd met de weinige middelen, waarover te beschikken viel. Dat alles geeft hem waarborg dat de hulp aan dit huis bewezen niet ten vloek, maar ten zegen zal zijn.
Met een vriendelijken groet, waaruit meer dan gewone hoffelijkheid spreekt, waarin ook iets warms ligt, gaat hij heen.
Nauwelijks heeft Douwe, die zijn heer uitliet, de deur gesloten, of die van de buren opent zich op een kier. Voorzichtig steekt Aaltje haar hoofd door de nauwe opening, om bij het zwakke schijnsel van den maansikkel te zien, wie op dit late avonduur bij de Mollema's op bezoek is geweest. Hoe groot is echter haar verbazing als zij aan houding en kleeding duidelijk den Jonker onderscheidt. Nu is het geluk hier naast zeker ook ten toppunt geklommen ! Behoedzaam wordt de deur weer gesloten.
Dan is het echter de beurt van Theunis om onder een vloed van woorden te hooren, hoe hij eigenlijk een prul van een man is, die voor niets deugt, terwijl Douwe een heele „meneer" wordt. Nu is het al zóó ver gekomen, dat de Jonker daar zelf bezoeken aflegt. Natuurlijk om goed wat achter te laten toen hij heenging. Zoo is het geen wonder, dat buurvrouw nieuwe keelbanden aan haar Zondagsch hoedje koopt, en wie weet wat er nog meer komt.
Maar Theunis kiest de wijste partij, door den storm maar stilzwijgend over zijn hoofd te laten voorbij gaan en onder de dekens zijn troost te zoeken. Hij kan toch niet op tegen zijn vrouw, die altijd het laatste woord moet hebben. En reeds lang is hij in het rijk der droomen, als zij nog altijd in de kamer bezig is te pruttelen, dat de een toch zooveel meer kan dan de ander. Zij moest nooit met zoo'n man getrouwd zijn geweest, dan had zij het ook veel verder in de wereld gebracht. Maar wat moest ze beginnen, 't Was nu een keer zoo. Zij was er in, zij moest er ook door. Als Claar nu nog maar goed terecht kwam. Vervelend die schuld bij Klaas Kroontje. Vriendelijk voor de hand, maar scherp aan de tand en op de penning als de beste. Nu, hij zal zijn centen wel krijgen, als hij maar geduld heeft. D'r zal wel een goede rente berekend worden, en anders moet hij maar zien den een of anderen boer er in te trekken, 't Kan beter van de schoof dan van den band. Zij zal er zich niet naar over maken.
HOOFDSTUK XIII.
Eenige dagen na de in het vorige hoofdstuk beschreven gebeurtenissen wandelen Jap en Anneke in vertrouwelijk gesprek de laan naar de „Eendenkooi" op en neer.
Anneke is vandaag bij Yntema op „Landlust" wezen naaien en heeft den weg naar huis over Brandsma's „plaats" genomen, om daar te vragen hoe het met den boer is, die eindelijk op aandringen van de huisgenooten er in bewilligd heeft, dat de dokter gehaald werd, en omdat zij een bijzondere boodschap aan Jap heeft. Want zij is vandaag verontrust geworden door een bericht, dat Klaas Kroontje op „Landlust" bracht. Of er ook wat nieuws was op het dorp, heeft de boerin gevraagd, en toen | heeft hij onder allerlei bedekte termen en j verdachtmakingen getracht, om Jap in een verkeerd daglicht te stellen. Natuurlijk moest haar verkeering met den smidsknecht het hierbij ontgelden ; een jonge man, van wien hij liefst niet veel zeggen wilde, maar die bij nacht en ontij op pad was, en van wien men binnenkort wel meer zou te hooren krijgen.
Vooral dat laatste heeft vrouw Yntema nieuwsgierig gemaakt. Na vergeefs gepoogd te hebben meer van haar zegsman gewaar te worden, omdat hij zeide voorzichtig te moeten zijn, daar zijn voet onder allemans tafel kwam, is zij naar binnen gegaan om Anneke te vragen, of die misschien van een en ander wist, maar deze was geheel onkundig van alles. Echter kwam bij Anneke opnieuw een angstige vrees boven, dat haar vriendin eenig gevaar bedreigde, hetwelk, indien het niet tijdig werd afgewend, haar ten gronde zou richten. Den geheelen dag heeft zij hierover getobd, tot; dat eindelijk haar besluit vast stond, en zij het plan vormde nog dezen zelfden avond met Jap te spreken over wat haar zoo verontrustte. Hoe geheel anders evenwel dan zij gevreesd had is alles uitgekomen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's