VAN DEN WOORDE GODS
Uit het ongeschreven Woord.
Genesis 4:9—12. En de Heere zeide tot Kaïn : waar is Habel, uw broeder ? en hij zeide : Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder ? En Hij zeide : wat hebt gij gedaan ? daar is een stem des bloeds van uwen broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem. En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijnen mond heeft opengedaan om uws broeders bloed van uwe hand te ontvangen. Als gij den aardbodem bouwen zuit, hij zal u zijn vermogen niet meer geven ; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.
XXX
2e Serie.
Het is merkwaardig, dat de vloek over Kaïn's persoon zich ook uitstrekt over zijn dagelijkschen arbeid, want de aarde zou hem niet meer voortbrengen hetgeen zij inderdaad zou kunnen geven. Er zou eene groote teleurstelling dezen vreeselij ken zondaar bereid worden. Hij zou hopen op een rijken oogst en slechts weinig ontvangen, op grooten voorspoed en ramp zou zijn deel worden. Hij zou den aardbodem bouwen, doch niet verwerven hetgeen hij zich als een loon reeds had toegekend. En daarmede hangt nu een tweede oordeel saam, dat van het eerste het noodzakelijk gevolg zou zijn, want de teleurstellingen zouden hem drijven van oord tot oord om zijn geluk te beproeven, en nimmer zou hij het vinden. Uit zijns vaders gezin zou hij zich moeten verwijderen, den steun, die uit saamwerking kan voortkomen, moeten missen en het geluk, dat de familiebanden aanbrengen kunnen, zou hij moeten derven. Zwerven en dolen over de aarde zou zijn lot wezen en rusteloos zijn levensbestaan.
In dit oordeel is wat de hedendaagsche mensch niet verstaan kan. Immers, als de aarde haar gewas nauwlijks geeft, als de oogsten schraal zijn, dan kan de moderne mensch daar geen oordeel Gods in onderkennen. Die schrale oogst hangt immers saam met natuurlijke oorzaken en welk verband bestaat er nu voor ons tusschen wat er in de natuur geschiedt en het zedelijk leven des menschen ? Van oude tijden af heeft de natuurlijke mensch aan een oordeel over de zonde niet willen golooven. Zelfs Gods kinderen hebben in uren van twijfelmoedigheid dit soms wel ontkend. Denk slechts aan Asaph's teekening van het lot der goddeldozen, die voorspoed genoten. „Ziet", zegt hij, „deze zijn goddeloos, nochtans hebben zij rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen". En van Gods kinderen klaagt hij, dat het hun alles tegengaat. Blijkt daarin niet, dat Asaph uren kende, waarin hij voor 'die Godsoordeelen geene oogen had ? En als dit nu van Gods kinderen geldt, is het dan zoo verwonderlijk, dat de moderne menschheid dezes tijds, die bij hare natuurwetenschap ziweert, in, laat ik zeggen, een misoogst geen bijzonder oordeel des Heeren kan ontdekken ? Het is een der ontroerendste teekenen des tijds, dat de menschen geene oordeelen Gods meer kunnen zien in den tegenslag en den rampspoed. Vooral in onze dagen kunnen wij dat waarnemen, zooals wij er ook in kunnen zien, dat zelfs dan als de aarde veel geeft, de Heere nog de middelen tot Zijne beschikking heeft om ons met dat vele te toonen, dat de aarde, haar vermogen gevende, daardoor toch niet aan den mensch bereidt wat hij er van hoopte te ontvangen.
Zoo ooit, dan blijkt het , nu, niet alleen dat de moderne wereld geleerd heeft haar leven in onafhankelijkheid van God te leiden, maar ook, dat zij Hem niet wil kennen, noch erkennen, dat zij blind is voor de daden Zijner gerechtigheid, die Hij over ons voltrekt. Zij kan het verband tusschen zonde en ellende, tusschen de misdaad en den vloek, dien God er over legt, niet meer zien, omdat God zelve uit haar leven is geweken. Het natuur-verloop ziet zij als zoo maar geschiedend door de blind werkende krachten, die zij in zich draagt, maar van den God, in Wien wij leven en de gansche natuur met ons, daarvan weet zij niet meer. Zij kent er God niet meer in, omdat zij Hem niet meer in haar eigen zieleleven ontmoet. De natuur is voor den hedendaagschen mensch, vooral als hij meent wat ontwikkeling deelachtig te zijn, ontgoddelijkt. Zij werd tot eene mechanisch zich ontvouwende, materialistische natuur, waarin slechts blinde krachten werken. Hoe zouden wij dan een straffende hand Gods ontdekken In de beschamend kleine oogsten of, als zij beschamend groot zijn, in de schamele verdiensten, waarmede de rijke oogsten ons beloonen ! Dit is het wat deze crisis-dagen ons kunnen leeren.
De oordeelen Gods zijn thans op aarde. Zijne slaande hand wordt zwaar en pijnlijk gevoeld. En toch is er ook onder hen, die overigens uit de beginselen van Gods Woord beweren te willen leven, van eene vernedering onder de krachtige hand Gods zoo ontroerend weinig te speuren. Zelfs waar deze nog genoemd wordt, schijnen het slechts ijdele klanken te zijn. De mensch van dezen tijd, zelfs al heeft hij nog belangstelling voor de dingen van Gods Woord, heeft toch nauwlijks oog meer voor het verband tusschen de dingen van het natuurlijke leven en die van Gods Koninkrijk. De tegenwoordige menschheid waardeert practisch het natuurlijke en de dingen van het natuurlijke leven als een gebied apart, als een gebied, waar de mensch naar de wetten van oorzaak en gevolg de dingen regelt, kan berekenen en voorzeggen, en zich er dus ook tegen kan wapenen. Denk slechts aan onze moderne landbouw-wetenschap, aan den grooten vooruitgang op het gebied der bemestingsleer, aan de wonderen, die ook op dit gebied als voor onze oogen geschieden, wanneer wij zien, hoe vroeger onbruikbare gronden als gedwongen kunnen worden een rijken oogst te geven. Vooral de berichten uit Rusland maken soms den indruk alsof men daar alles kan wat men wil. Zij teekenen ons den mensch als ware hij in staal de aarde te dwingen ons te geven boven haar vermogen. En waar wij nu op deze wijze dagelijks hooren van de macht des menschen om zelfs de aarde een oogst af be dwingen, daar is het haast van zelf sprekend, dat zij voorbijgaan schouderophalend aan Gods vloek over een Kaïn, die moet hooren, dat als hij den aardbodem bouwen zal, hij hem zijn 'vermogen niet meer geven zal. Het klinkt ons in de ooren als de sprake uit een ver verleden, toen de menschen nog, zooals men zegt, „een religieuse beschouwing van de wereld" hadden.
En zoo is het immers ook op elk ander levensgebied, op dat van industrie en handel. De moderne menschheid heeft toch hare wetenschap der economie, die alles meent te weten en welke te volgen in hare ontdekkingen het remedie wordt geprezen tegen alle kwalen. En zoo zien wij in onze dagen alles in actie om het leven der volkeren naar de regels dezer economische wetenschappen in te richten. Wie daaraan geen geloof hecht, kan er op rekenen voor achterlijk te woorden uitgekreten.
Wat zullen wij tot deze dingen zeggen ? Indien dag aan dag ons niet leerde, dat de menschheid met haar zelve en met haar weten, kennen en kunnen beschaamd wordt, er zou nog reden zijn, er met diepen eerbied voor te staan. Doch dit juist is het bedroevende, dat er met dit alles een voortdurende afgoderij wordt 'bedreven. En daarom, hoeveel de wetenschap ook vermag en wat de mensch ook bereikt en bereiken kan, het wordt hem ten slotte toch nog in een vloek verkeerd, omdat de moderne mensch er zijn God niet in kent, er Zijne hand niet in ontdekt, er Zijne gunst en goedertierenheid niet in ontmoet, maar alleen er zichzelven in vindt en verheerlijkt. Al deze wetenschappen zijn als Gods gave op zichzelf beschouwd goed, maar de mensch verderft ze door er zich een afgod in op te richten. De moderne mensch staat geheel anders tegenover deze dingen dan Gods Woord ons leert, dat wij doen zullen.
Luister slechts welk licht de Heere ons in Zijn Woord over dit alles doet opgaan vooral in verband met Zijn oordelen. In Jesaja 28 wordt aan Israël het oordeel aangezegd. De profeet teekent de zonde des volks en hij spreekt van den God des oordeels, die ten oordeel zit.
Dat volk leeft in overdaad, juist zoals de moderne menschheid ook doet. Zij zijn als dronken van Geest en zelfs priester en profeet dwalen, bedwelmd als zij zijn door den sterken drank. Zij zwelgen in overdaad, zodat alle tafels vol zijn van uitspuwsel". Zij maakten gebod op gebod, regel op regel, hier een weinig dar een weinig. Alles dus precies zoals het bij ons is. En de Heere verbindt er Zijn oordeelen mede, want zoo zegt hij: "Het zal uitloopen op "heengaan en achterwaarts vallen en verbreken en verstrikt en gevangen worden". En de profeet teekent ons dat Gods gericht op zeer treffende wijze. De geesel zal doortrekken en het schuldig volk zal ervan vertreden worden. De mensch zal met zijne wijsheid beschaamd worden. Het bed zal korter zijn dan dat men zich daarop uitstrekken kunne en het deksel te smal, als men zich eronder voegt. Des Heeren werk zal vreemd zijn en Zijne daden zullen vreemd zijn. En het volk zal zich niet bekeeren, maar spotten juist zooals wij het in onze dagen ook kunnen waarnemen, als wij letten op de grootspraak en dwaasheid, waarmede de druk dezer tijden wordt beoordeeld. Als de menschen roemen en zich diets maken dat er "geld zat" is in de wereld en dat het "gehaald moet worden waar het zit", hoewel wij staan voor een economisch leven, dat ons mag doen denken aan den vloed en den ebben aan onze kusten. Na de hooge vloeden komt de ebbe en weet dan, wie aan het strand staat, waar de wateren gebleven zijn,die daar zooeven de hooge kustzoomen bespoelden? Het is alles in de zee, maar wij zien het niet meer. En zoo roept de Heere ons op om te hooren naar Zijne stem en te merken op Zijn rede. En dan neemt de profeet ons mede naar de landman en naar den akker en hij laat ons alles zien wat daarop gebeurt door den hand van den mensch. De ploeger ploegt en egt en zaait beste tarwe, uitgelezen gerst of spelt, elk op zijn akker. Daarin was toch ook de landbouwwetenschap dier dagen besloten ! En hoe waardeert nu de profeet dezen arbeid van den landbouwer ? Het antwoord luidt: "Zijn God onderricht hem van de wijze en Hij leert hem". En zoo beschrijft hij het heele landbouwbedrijf om heel deze teekening te besluiten met deze woorden: "zulks komt ook voort van den Heere der heirscharen. Hij is wonderlijk van raad., Hij is wonderlijk van daad".
Welk een diepgaand onderscheid tusschen deze beschouwing van den profeet en die van onzen tijd. Jesaja zag heel deze ontwikkeling van den landbouw als vrucht van Gods leidingen met de menschheid. Al wat de mensch van dit bedrijf kende, was geen vrucht van eigen vinding, maar hem geleerd door den Heere zelven. Zoo zag hij het al als eene daad van genade, die der menschen oogen opende voor deze schoone en heilzame werkzaamheden. God schonk verstand en bereidde inzicht en Hij deed ook de krachten aan ziel en lichaam toekomen, die de mensch behoeft voor de werken zijner handen. Doch onze tijd is daarvoor blind. De moderne mensch verheerlijkt zich in de werken zijner handen, maakt zich den afgod van zijne cultuur, van zijn weten en kennen. En hij weet niet meer van dien God, in Wien wij leven en ons bewegen. Hij is zelve de mensch, die het alles heeft ontdekt door zijn verstand, doch dat hij ook dit van den Heere moet hebben, in Wiens hand onze adem is en bij Wien alle onze paden zijn, blijft hem verborgen.
Hoe zou hij dan, als de rampspoed komt, zich verootmoedigen en des Heeren aangezicht zoeken, vragen naar de laatste en diepste oorzaak en alzoo komen aan de belijdenis van zijne schuld ? Hij kan het immers alles zelf ! En zoo blijft hij staan bij zichzelven en met zichzelven om te ervaren, dat als de Heere met ons twisten wil, wij niet één uit duizend Hem antwoorden kunnen. De mensch met zijn veelzijdige kennis, die aan de voorgeslachten vreemd was, wordt er toch nog mede beschaamd. De Heere toont het, dat Hij meer wegen kent om den mensch te doen struikelen, dan de wijsheid der menschen kan uitdenken. „De Heere", zoo zegt Jesaja, „zal Zich opmaken om Zijn werk te doen en Zijn werk zal vreemd zijn". Leven ook wij niet in dagen, waarin dit waarheid is geworden ? De knapste en geleerdste oeconomen staan radeloos te midden dezer wereld. Alle hunne theorieën beschamen en de nood wordt al grooter en drukkender. De rijkste oogsten kan de Heere waardeloos doen worden en de diepste en voordeeligste landbouwwetenschap beschamen. De Heere blaast in den grootheidswaan der menschen. En dat doet Hij telkenmale, als Hij „ziet, dat de boosheid des menschen menigvuldig is op de aarde". Wanneer de menschen zich inbeelden, dat de Heere er niet meer is, dan ontbloot Hij Zijn arm om ons te toonen, dat die in den hemel zit, lacht om de dwaasheid der menschen. En dan toont Hij, dat er toch een verband ligt tusschen het zedelijke en natuurlijke leven der menschen en dat alsnog waarheid is, wat Hij reeds in de eerste prille jeugd der menschheid openbaarde, toen Hij aan Kaïn voorhield, dat Zijne oordeelen op dezen broedermoorder zouden rusten. „Als gij den aardbodem bouwen zult", zoo zeide Hij, „hij zal u zijn vermogen niet geven en gij zult zwervende en dolende zijn op aarde". Kaïn's zondedaad zou hare bestraffing vinden doordat zelfs de natuur zich tegen hem zou keeren. Dit licht deed Gods Heilige Geest opgaan over de eerste menschheid onmiddellijk na hare uitbanning uit het paradijs. En ditzelfde licht straalt nog over de moderne wereld, te midden waarvan Hij voor onze oogen het gericht stelt naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood en waarin de hagel de toevlucht der leugen wegvaagt, waarin de menschelijke wijsheid in hare dwaasheid wordt ten toon gesteld. Indien nu slechts Gods kinderen zich mochten verootmoedigen en hunne oogen geopend werden voor den Heere hunnen God, dan zou er in wederkeer behoudenis zijn. *
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's