KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE SACRAMENTEN : DOOP EN AVONDMAAL en DE VRIJZINNIGE HERVORMDEN (1)
De Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden heeft aan haar secretaris ds. K. A. Beversluis, Hervormd predikant te Zutphen opdracht gegeven een brochure te schrijven, welke tot titel draagt : „Onze Sacramenten. Welke waarde hebben Doop en Avondmaal voor de Vrijzinnige Hervormden ? " uitgegeven bij : van Gorcum en Co. te Assen. Begrijpelijker wijze hebben we met belangstelling naar deze brochure gegrepen, om haar — ze is niet groot van omvang — met groote aandacht te lezen, opdat we uit den mond van een bevoegd Vrijzinnig Hervormden dominé nog weer eens zouden mogen vernemen welke waarde men in vrijzinnigen, modernen kring aan de Sacramenten hecht en hoe 't staat met het gebruik daarvan. Wij willen uit dit geschrift, dat zich prettig laat lezen, omdat het vlot geschreven is, een en ander meededen.
„De belangstelling voor de beide plechtigheden : doop, in het bijzonder dan de kinderdoop, en avondmaal is in het algemeen, ook in Vrijzinnige kringen, sterk dalende".
Zóó begint ds. Beversluis; en o.i. zéér terecht. Het staat niet rooskleurig met de belangstelling in deze, noch bij de rechtzinnigen, noch bij de vrijzinnigen. Bij de vrijzinnigen zeker niet, maar óók bij de orthodoxen niet. Wij zeggen 't met schaamte en droefheid. Het kerkelijk leven, ook het geestelijk leven, bloeit niet. Het kwijnt. De teekenen van verval, van inzinking zijn velen. De resultaten van de laatste volkstelling (1930) zijn waarlijk niet bemoedigend.
Maar in deze brochure — en in dit artikel — gaat het nu over de waarde, die er gehecht wordt in de kringen van de Vrijzinnige-Hervormden aan „beide plechtigheden : doop, in 't bijzonder dan de Kinderdoop en het avondmaal ?
Bij voorkeur wordt geschreven, niet sacrament, maar plechtigheid. En dan doop en avondmaal. Niet H. Doop en H. Avondmaal. Ook niet Doop en Avondmaal met hoofdletter. Er staat kortaf en zonder hoofdletter : doop en avondmaal.
Voor ons is dat stootend. Maar in den kring van de Vrijzinnige Hervormden is men daaraan gewoon, 't Zij zoo. In de uitbeelding op deze wijze zal ook wel iets zitten van de waardeering in die kringen. En daarom is het voor ons teekenend. Rechtzinnigen en vrijzinnigen staan hier tegenover één en dezelfde .zaak, maar we zien hetzelfde zéér, zéér verschillend. Wat de een er in ziet en zoekt en vindt, ziet en zoekt en vindt de ander er volstrekt niet in. Het verzoenend karakter vindt de vrijzinnige er absoluut niet in. Het is een plechtigheld - wel van beteekenis, van groote beteekenis, maar dan toch een plechtigheid; méér niet.
De Vrijzinnigen hechten niet zooveel aan vormen en gebruiken in het godsdienstig leven ; er bestaat hij hen een zekere tegenzin — hier zal wel de oorzaak te vinden zijn (van de verminderde belangstelling voor de sacramenten in onzen kring. Voor do vrijzinnig-godsdienstige is religie : innerlijke ervaring. Het is het spontane, niet aan vormen en gebruiken noodzakelijk gebondene. En dit innerlijke, dit gevoelskarakter van de vroomheid der Vrijzinnigen is, naar het schijnt, in strijd met den vorm en het vaste gebruik. De vorm bedreigt het leven met vervlakking ; het gebruik dreigt een uiterlijke vertooning te worden zonder het werkelijk doorleefde".
„Daarbij komt dat voor de vrijz. godsdienstige de religie is: persoonlijk beleven. Het centrale van zijn vroomheid is het persoonlijk ervaren, het persoonlijk contact met God. In vrijz. kringen heeft de gedachte : „Godsdienst is privaatzaak" nog groote kracht. En dat persoonlijk element doet het besef van de waarde der gemeenschap in het godsdienstige verminderen. En vermindering van godsdienstig gemeenschapsbesef beteekent vermindering van de behoefte aan godsdienstige vormen." (blz. 3 en 4).
De vroomheid van de vrijzinnigen is dus stemming, ontroering, de onmiddellijkheid van het ervaren — in tegenstelling met een geloof, dat behoefte heeft aan kerkelijk gemeenschapsleven en gebruik van de sacramenten.
Met een citaat uit „De Kleine Johannes" van Frederik Van Eeden, wordt het bedenkelijke en het waardelooze van vormen en gebruiken duidelijk gemaakt. De Kerk wordt dan = groen saaien gordijnen, een boek met letters, een kerkezakje met een langen steel, leelijk gezang met een muffe menschenlucht. De zon wordt veranderd in een petroleumlamp, waarop honderde mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt. (De Kleine Johannes, I, blz. 62).
Ds. Beversluis kan deze gevoelens, die blijkbaar bij vele vrijzinnigen gevonden worden, maar „ten deele als juist erkennen."
„Zeker, wezen en waarde van het godsdienstig leven is zijn innerlijkheid — maar innerlijk leven sluit allerminst bewustwording uit. Onze gevoelens behoeven niet in ons zelf besloten te blijven, maar integendeel is er de onbedwingbare behoefte om deze te uiten en door deze uiting ze ons bewust te maken".
En dan wordt met instemming aangehaald wat Frederik van Eeden later in het „Lied van Schijn en Wezen" (I, Zang X) uitzingt:
Nu schijnt wel ieder zinlijk beeld belachlijk den wijzen mensch, bij Gods volstrekt bestaan, maar de verwaande, die uit trots, verachtlijk versmaadt de heil'ge pogingen, gedaan om 't Hoogste te gedenken en te loven, zal wel verdorrend in zijn waan vergaan.
„Verdorrend in zijn waan vergaan".... dat geldt voor ieder die veracht het heilige, dat ons geschonken is om God te gedenken en te loven.
Kerk, Woord, Sacramenten verachten.... dat is armelijk, verdorrend sterven.
„Geloof is geen stemming alléén, maar is óók bewust uitdrukking zoeken door woord of handeling van innerlijke bewogenheden. En geloof is ook niet „privaatzaak". Eenzijdig is hij, die het geloof verbant naar de „binnenkamer" en het daar opsluit, zóó, dat het er niet buiten treden mag. Voor de godsdienstige mensch is er behoefte aan de kracht der religieuse gemeenschap, aan contact met gelijkgezinden. Het godsdienstig leven bloeit juist uit de gemeenschap op. En de vorm is het noodzakelijk middel tot gemeenschappelijk belijden", (blz. 6).
Dat is verstandige taal, die helaas ! niet altijd gehoord is in vrijzinnige kringen. Bitter weinig had men op met het kerkelijk leven. Hatelijk heeft men veroordeeld alle vormen en gebruiken, van ambt, prediking, sacramenten. Trouwens, men kon het makkelijk zonder dat alles stellen, omdat men at en dronk, omdat men z'n best deed en ieder 't zijne gaf (? ? ) — welnu, wat wil men dan nog méér vergen van den mensch ?
„Waar het kerkelijk gemeenschapsbesef verslapt, beteekent dit ondergang van de beide Vormen : doop en avondmaal. Waar het kerkelijk gemeenschapsbesef zich versterkt, zullen zij nieuwe kracht verlangen. Zóó is de belangstelling voor, het medeleven met de kerkelijke vormen een graadmeter voor het besef van de waarde der gemeenschap, voor 'het godsdienstig leven".
Als ds. Beversluis langs een doornig pad, gaande te midden-van allerlei jammerlijke misstanden der vrijzinnigen, eindelijk zóó ver gekomen is, dat het gemeenschappelijke, het kerkelijke, ook de beide vormen : doop en avondmaal weer op de plaatse der eere zijn gekomen, zal 'hij dan vervolgens nagaan welke waarde de Vrijzinnige Hervormden daaraan nu hebben te hechten.
Tegen het woord „sacrament" bestaat met name in vrijzinnige kringen bezwaar, (blz. 6).
„Het woord sacrament is de Latijnsche vertaling van het Grieksche woord : mysterion = geheimnis. Daarmede worden aangeduid „heilige handelingen, behoorende tot een godsdienstige gemeenschap". De Roomsche opvatting van het sacrament is, dat het is „een uitwendig teeken, door Christus ingesteld, waardoor genade wordt aangeduid en gegeven" (KI. Catechismus voor de eerste Communie vr. en antw. 128).
Volgens Rome schenkt het sacrament dus hemelsche goederen. Het bezit een kracht uit zichzelf, onafhankelijk van de gezindheid, van het geloof van hem of haar, dis het ontvangt; En nu komt het bezwaar, dat in vrijzinnige kringen tegen den naam sacrament bestaat, voort uit de gedachte — zegt ds. Beversluis — „dat de Roomsche opvatting van dit woord de eenig mogelijke is". Wij zouden zeggen, dat dit van de vrijzinnigen toch wel buitengewoon onnoozel is — om geen ander woord te gebruiken — om te meenen, dat er van het woord „sacrament" maar één opvatting is en wel de Roomsche. Driehonderd vijftig jaar ligt daar nu in Nederland het kostelijke boekske van de Gereformeerde of Hervormde Kerk van Nederland, dat we den Heidelbergschen Catechismus noemen ; dat in Kerken en op de Scholen gebruikt is en dat in Zondag 25 zoo mooi leert wat sacramenten zijn. Daar wordt zoo kostelijk mooi gezegd, dat het gaat om het geloof, het persoonlijk geloof („dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven niet mijn, maar mijns, getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben" wat nog iets anders is dan „stemming" en „ervaring", maar innig, persoonlijk, geestelijk, waarachtig) dat gewekt wordt door den Heiligen Geest door de verkondiging van het heilig Evangelie (hoort gij dat, vrijzinnigen ? ) en het sterkt door het gebruik van de Sacramenten. Welke Sacramenten heilige zichtbare waarteekenen en zegelen zijn van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegele ; namelijk, gaat Hij ons vanwege het eenige siachtoffer van Christus aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt.
Zoo zijn beide. Woord en Sacrament — drie honderd vijftig jaar en langer is het nu in onze Nederlandsche Gereformeerde Kerk geleerd ! — daartoe verordend en daarheen gericht, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid wijzen. Dat leert ons de Heilige Geest in het Evangelie en verzekert ons de Heilige Geest door de Sacramenten : dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is.
Och, had men — hadden de Vrijzinnige Hervormden ons volk niet beroofd van dat kostelijke troostboek, dat een van de belijdenisschriften van onze Hervormde, Gereformeerde Kerk is ! Dan zou men ook niet zoo onnoozel zijn in vrijzinnige kringen om zulke Roomsche spoken op den weg te zien. Dan zou men niet zoo bekrompen zijn in z'n voorstellingen en opvattingen. Eeuwen nu hebben wij een veel heerlijker, rijker, inniger, heiliger voorstelling en begrip van sacramenten, dan de Vrijzinnige-Hervormden vermoeden.
Ds. Beversluis die zelf natuurlijk wel beter weet, dan dat „de Roomsche opvatting van dit woord de eenig mogelijke is" (hoewel zijn geestverwanten, het leekenelement, niet verder zijn gekomen blijkbaar en aldoor maar als het paard in den karnmolen daaromheen hebben geloopen, intusschen de sacramenten verachtend) spreekt dan van de Luthersche en Gereformeerde opvatting, die er gelukkig ook nog zijn, en vat dan zijn gevoelen aldus samen :
„Het verschil tusschen de Luthersche en de Gereformeerde opvatting kan aldus geformuleerd worden : de Lutheranen gelooven aan een sacramenteele kracht, in zekeren zin onafhankelijk van het geloof, — bij de Gereformeerden is het geloof de voorwaarde om die kracht te ontvangen.
Volgens de Hervormde opvatting zijn de Sacramenten, als hoedanig genoemd worden Doop en Avondmaal, symbolische handelingen, die de toedoeling hebben in het hart van den geloovige te bevestigen het geloof in de genade Gods in Christus geopenbaard".
„Van deze gedachten moeten wij ook op vrijzinnig-hervormd standpunt uitgaan. Als wij spreken van sacramenten behoeven wij daar allerminst onder te verstaan Roomsche gedachten; dan zijn het voor ons naar Gereformeerde opvatting : heilige symbolische handelingen".
Zie zoo — het Roomsche spook is nu uitgedreven onder de Vrijzinnige Hervormden. De Roomsche gedachten zijn nu uitgebannen. Eens en voor goed.
En „de Gereformeerde opvatting" is nu geïntroduceerd en aanbevolen.
We zullen zien in hoeverre dit nu „Gereformeerde opvatting" is ! ?
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's