De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

’s-HEEREN OPZOEKENDE LIEFDE.

9 minuten leestijd

Jezus zeide tot hem : omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben. Johannes 20 vers 29.

(Vervolg).
's Heeren liefde wordt vergeleken op meer dan een plaats bij de zon. Nu, wanneer de zon hare koesterende stralen uitzendt en deze vallen in volle kracht neder op de aarde, zoo kan het zijn, dat men er zich tegen dekken moet, anders zou men verteerd worden.
Zoo is het ook met de liefdeuitstraling des Heeren.
Thomas hield het niet uit. Wel heeft hij opwaarts geblikt naar die wonderlijk uitgebreide handen, wel is hij neergezonken aan Zijne voeten, maar wat hij onmogelijk heeft gekund, is ze aanraken. En wat hij niet heeft durven bestaan : zijn hand leggen tegen dien boezem. Neen, hij is nedergevallen met de bekentenis, die in al de eeuwen niet afneemt van zijn oorspronkelijken indruk iets in te boeten, wat uitklimt boven alle belijdenis daarvoor en daarna, hoort ge hier : myn Heer en mijn God. Christus wordt hier op het schoonste verheerlijkt. Thomas' ongeloof is op goddelijke wijze beschaamd. Goddelijk, zeiden we, of weet ge hiervoor een ander woord ?
Thomas had eischen gesteld. En nu zijt ge het onmiddellijk met me eens, dat dit niet was naar behooren. Zoo mag van geen kind worden verwacht. Daar is geen vader of moeder, die het — zoo zij de verantwoordelijkheid van het gezag willen gehandhaafd zien — zullen kunnen laten passeeren, wanneer zij gecommandeerd worden door hun eigen kinderen. Hierop volgt eene bestraffing.
Nu, zoo doet het zich ook hier voor. Thomas wordt niet zalig gesproken zonder meer, doch een veelzeggende terechtwijzing volgt: „omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd, maar zalig zijn zij, die niet gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben".
Gelooven door zien, zoo wordt het door ons begeerd, aldus de taal van den mensch, die niet buigen wil voor het Woord. Eerst zien, eerst van alle kanten overtuigd worden, zóó, dat er geen misgreep mogelijk is, en dan aannemen.
Zoo willen wij — aldus de gedachtengang van duizenden in onze dagen — wij staan heelemaal niet vijandig tegenover God en Zijn dienst, neen, alleen geloöven op gezag mag van ons niet worden gevorderd. Thomas is onze Apostel. Deze jonger is onze voorganger.
Zou dit waar zijn ?
Wij voor ons hebben wel sterk onze bedenkingen. Thomas was een discipel van Christus, die Hem volgen wilde zelfs in den dood.
Is dat met de wereld ook het geval ? Geenszins, zegt ge. Zij keert Hem en keerde Hem immer den rug toe.
Daar is meer.
Thomas Was zoo innig bedroefd, dat hij het niet gelooven konde.
Gij, zoo zou ik zeggen tegen de wereld onzer dagen, weet van deze droefheid niet af. Het kruis van Christus laat u koud. Gij wilt niet gelooven. Al gelijken uw woorden op den klank af op die van Thomas, zoo verschillen ze toch in den wortel en in de vrucht.
Wanneer ik ze vergelijken mag met de schemering, de duisternis van een Thomas en de uwe, zoo zou ik zeggen : „Uw schemer is die, welke aan den nacht voorafgaat, terwijl die van Thomas gelijkt op de morgenschemering. Deze laatste is de sluier, welke opgeheven wordt door de rijzende zon. Thomas zocht het gezelschap der broederen, doe gij dit ook, wanneer ge zegt met dezen jonger banden van gemeenschap te hebben.
Thans zullen wij goed doen, een onderzoek in te stellen in onze eigen omgeving. Zalig zijn zij, zegt de Heere, die niet gezien hebben en nochtans geloofd zullen hebben. Hier wordt dus wel degelijk onderscheid gemaakt tusschen zien en gelooven, tusschen een waarnemen met onze zintuigen en een waarnemen met onzen geest.
Aan het laatste wordt zelfs de zaligheid verbonden.
't Gaat hier dus over dingen van de allerhoogste waardij.
Wij zullen ons rekenschap dienen te geven wat hieronder verstaan wordt. Wanneer de vraag gedaan wordt: wat geloof is, zoo hebben we dadelijk het antwoord van den Catechismus gereed, of, wat er op gelijkt. Een zeker weten 'van wat God ons in Zijn Woord beloofd heeft en een hartelijk vertrouwen, dat mij al mijn zonden om Christus' wil vergeven zijn.
Of wilt ge het van een andere zijde belicht, zooals het ons in de Hebreën-brief staat aangegeven : „een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet". Doch met dit al schijnt ons de vraag niet misplaatst: verstaat ge het ook met uw hart ?
Thomas was een discipel en waar-geloovige, en op dat oogenblik had hij nergens oog voor en aan niets houvast.
Het geloof ging schuil, het kinderlijke, dat heelemaal op het woord leunt, dat miste hij geheel. Hij reikte, volgens zijn gevoelen, boven de andere jongeren uit. Hij gevoelde zoo veel dieper de dingen aan. Hij had, in één woord, meer liefde. Hij zou persoonlijk moeten uitmaken, of : wat hem verteld was, waar kon zijn ja of neen.
Nu kan het zijn nuttigheid hebben ons de vraag eens te zien voorleggen: „wat zijn Godes bedoelingen met deze gangen zoo nauwkeurig ons te teekenen in Zijn Woord ? Met andere woorden, wat heeft die twijfel en dit ongeloof ons te zeggen ?
Hebt ge u zelven de vraag al eens gesteld, waarom de Heere met hem niet net zoo heeft gedaan als met Maria Magdalena en met Petrus ? Hij had Thomas even goed van zijn ongeloof kunnen afhelpen, als Hij met hem onder vier oogen had gesproken.
Waarom deed Hij dit in het bijzijn van de twaalven ?
Hier schuilt een goddelijke opzet.
Vooreerst wordt ons hier aan de hand gedaan deze duidelijke leering „waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen Naam, daar ben Ik in het midden." De Heere heeft 't hier zichtbaar willen uitbeelden, wat Hij in het geestelijke nog altijd doet. 't Is alsof ge 't afleest van de wanden : „laat ons de onderlinge samenkomsten niet nalaten".
Waar de Gemeente des Heeren zich legert, behoort iedere heilbegeerige, iedere hongerige ziel zich ook te begeven.
Men weert van zijn pad een zegen, door in eigendunkelijkheid zijn eigen weg te bewandelen.
Toch is dit de hoofdlijn niet. Hierom is het den Heere niet in de eerste plaats begonnen.
Mogen we u eens aangeven waarom het gaat ?
Dat woord, dat een Thomas te beluisteren kreeg, moet worden gehoord door heel den discipelenkring. Dat moest elk der jongeren als persoonlijk tot hem gericht, ter harte nemen. Dat kinderlijke geloof, waarheen de Heere verwijst, wordt er zoo vaak gemist.
En toch, is dit het eenige, waarop de zaligheid wordt beloofd ?
Zalig, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben. In dit „nochtans" schuilt het geheim. Wij willen zien. Wij willen tasten. Daarmede worden onze zintuigen als meer betrouwbaar aangemerkt dan Gods eigen Woord.
„Als ik het eens zag, wanneer ik het eens in tastbare vormen mij zag voorgesteld, dan zou ik het willen aanvaarden en mij gewonnen willen geven".
Is zoo niet telkens de geheime overlegging ?
Och, lezers, wat is een mensch, uit zich zelf, toch een hoogmoedig wezen. Hij moet het persoonlijk uitmaken, of het waar is, zoo voelt hij het aan.
Weet ge hoe de werkelijkheid is ? Wanneer door de werking van Gods Geest de ware kinderzin in het harte wordt gelegd, als hij het nieuwe leven ontvangt, als hij wordt wedergeboren, veranderd van binnen, zoo leert hij het juist andersom kennen. „Wat een dwaas ben ik. Wat zag ik de dingen precies op zijn hoofd; waartoe ik me aangetrokken gevoelde, bleek mijn ondergang, mijn verderf. En waarvan ik niets wilde weten, noch hooren, daarin school juist mijn 'behoud, 't Waren niet enkel de zintuigen, welke niet recht functioneerden, maar het hart, het binnenste van mijn wezen, mijn zijn stond in relatie met verkeerde machten. Wat zie ik het nu alles anders. Wat merk ik het thans omgekeerd. God alleen is waarachtig en Christus' Woord de volle waarheid. Wat Hij mij voorhoudt, daarop kan ik bouwen, voor tijd en eeuwigheid. Hierin ligt mijn zaligheid besloten".
Daar komt een kinderlijke vreeze om buiten het Woord des Heeren te gaan.
Gelooven is wachtend uitzien, wanneer de beloften Gods in Christus in vervulling zullen gaan. Men durft niets meer buiten Hem.
Ziet hier u den welstand des geloofs in beeld gebracht.
Wat meer zich nu deze gesteldheid des harten voordoet, wat gemakkelijker hij het heeft. Wat kleiner, wat afhankelijker, wat ruimer hij staat.
Een kind, dat zich iets zag toegezegd, vraagt niet anders dan: „wanneer krijg ik het ? " 't Twijfelt daaromtrent niet. Neen, het wacht slechts op het moment.
'k Geloof niet, dat hiertegen op grond van Gods Woord iets kan worden ingebracht, maar nu dient zich het werkelijke leven, het zondige leven, ook van Gods kinderen aan. Wat staan ook zij vaak buiten den weg, wat is hun hart ieder keer in tegenspraak met Gods Vaderlijk gezag. Zij stellen hun eischen. Zij zeggen : „zoo zou ik het graag zien gebeuren".
Ja was het immer maar in dezen vorm. Zij vragen vaak in het gebed om dingen, welke duidelijk in het licht plaatsen dat zij niet als kinderen staan voor den Heere, maar als medegerechtigden. Zij willen aangeven hoe Hij het maken moet.
En wat nu gebeurt kan u niet verwonderen. De Heere verbergt Zijn aangezicht. Elk antwoord blijft uit. Wat tengevolge heeft, dat er een schrik over hen komt.
Ziet, nu wordt een kinderlijk roepen gehoord, waarop de Heere niet uitblijft.
Wie dit nu bij ervaring kent heeft voor de gangen des Heeren ten opzichte vaneen Thomas dubbel attentie.
Och, wat was de Heere toch nederbuigend goed voor dezen jonger ; in plaats van hem voorbij te gaan, treedt Hij juist op hem toe.
Laat de wereld nu maar zeggen : deze Apostel behoort 'bij ons. Zij kent hem niet. Niet in zijn toange zielsworstelingen, in geen zijner gangen, terwijl zij van zijn belijdenis : „mijn Heere en mijn God" niet het minste verstaat.
Wanneer daar één recht heeft om te zeggen: „ik voel mij aan dezen Apostel verwant", zoo is het menig kind des Heeren. Zooals hij ronddoolde door de wereld, dool ook ik telkenmale. Ik mis zoo ieder keer alles ; ik ben den Heere geduriglijk kwijt. Ik zoek Hem wel, maar vaak buiten het geopenbaarde.
En toch komt Hij mij ieder keer weer opzoeken, bevestigend het woord : „Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet zochten, Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet vraagden".
Hij verstrikt ongeloovige discipelen nog in de koorden Zijner liefde.
Kent gij dat ook, lezer ?
Als alles rondom u zwijgend nederligt en uw hart in stil vertrouwen zich neder laat zinken, met den dichter betuigend :
Ik blijf den Heer' verwachten. Mijn ziel wacht ongestoord ; Ik hoop in al mijn klachten Op Zijn onfeilbaar woord. Zoo zal het slotaccoord niet anders zijn dan :
Hoopt op den Heer, gij vromen ;
Is Israël in nood.
Er zal verlossing komen,
want:
Zijn goedheid is zeer groot. Oneindig groot.

Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's