KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE SACRAMENTEN : DOOP EN AVOND MAAL en
DE VRIJZINNIGE HERVORMDEN (2).
Ds. Beversluis bant de Roomsche opvatting inzake den Doop uit. De Vrijzinnigen moeten daaraan niet blijven hangen. En we hopen, dat ze dat ter harte zullen nemen. Wat ze trouwens al lang hadden moeten doen, omdat het al enkele eeuwen onder ons zoo duidelijk geleerd is. dat we in onze Gereformeerde Kerk die Roomsche opvatting niet moeten hebben.
In de Roomsche Kerk wordt immers geleerd, dat niemand zonder het Doopsel kan zalig worden, omdat alle menschen geboren worden met de erfzonde, die alleen door het doopsel vergeven wordt. (KI. Catechismus vr. en antw. 138).
Dat moeten wij natuurlijk niet hebben. Gelijk onze Heidelbergsche Catechismus ons ook zoo duidelijk leert.
Uit de Ned. Geloofsbelijdenis (Art. 34) en vooral uit het Doopformulier haalt ds. Beversluis (waarom niet uit den Catechismus ? ) allerlei gedeelten aan, om duidelijk te maken wat „de hervormde gedachtenwereld" is, in betrekking tot den doop; wat we zéér prijzen, omdat in vrijzinnige kringen nu gelezen kan worden wat de Hervormde Kerk in haar belijdenisschriften leert.
Maar — dan is ds. Beversluis het met deze beschouwing niet eens. De Roomsche opvatting moeten we niet hebben. Maar de Gereformeerde opvatting óók niet !!
Want wel komt er een voorzichtige beoordeeling, waarin gezegd wordt, dat „vorm en uitdrukkingswijze" van het Doopformulier niet meer te aanvaarden is, terwijl de „kerngedachte" goed is. Doch dan blijkt het verder, dat van die kerngedachte, rakende de erfzonde van den mensch en de verzoening der zonden door het bloed van Christus — maar bitter weinig overblijft. Ja, dan krijgen we een beoordeeling, waarin radicaal verworpen wordt wat de kerngedachte van de Gereformeerde opvatting is. En verdedigd wordt een leer, die in alle opzichten met de kerngedachte van de Gereformeerde leer in strijd is.
Want ds. Beversluis zegt :
„Allereerst is er sprake van reiniging.... En zeker zullen wij wat anders staan tegenover de leer van den zondeval en van de erfzonde. Maar toch zullen wij als menschen van dezen tijd, nu het 19de eeuwsche evolutionistisch optimisme wel grondig is aangetast door de werkelijkheid der levensverschijnselen in enkeling zoowel als in gemeenschap, de waarheid erkennen van het: „geneigd tot alle kwaad". Al plaatsen we er tegelijk naast en tegenover : „geneigd tot alle goed".
De „kerngedachte" wil ds. Beversluis houden. Maar hij staat er „wat anders" tegenover. (Dat „wat anders" is typisch. Bedoeld is natuurlijk „radicaal anders". Maar dat wordt maar liever niet zoo gezegd).
Wat is nu de situatie eigenlijk bij den vrijzinnigen dominé ?
Van „zondeval” en „erfzonde" wil hij niet weten.
Van „geneigd tot alle kwaad" wil hij eigenlijk óók liever niet hooren. Evenwel hebben de laatste jaren het evolutionistisch optimisme van de vrijzinnigen den bodem ingeslagen. Ze waren zoo gewoon om, optimistisch van aard, te denken aan en te spreken van de evolutie ten goede van den braven, goeden, gaven mensch, die in de vorige eeuw in de leesboekjes op school zoo mooi geteekend was als „de brave Hendrik" en „de brave Maria" (inderdaad geliefde leesboekjes op de openbare volksschool
Bij dat genre van menschen paste 't niet te spreken van den zondeval en van de erfzonde en van de rechtvaardigmaking des zondaars door 't geloof in Christus. Natuurlijk niet. Een kind was een „onschuldig schepsel" en „lieve engel" — daarmee uit. En de groote menschen in de Kerk waren deugdzaam, braaf en goed, waarbij allerlei zedepreekjes pasten, waarbij een ernstig vermaan niet mocht ontbreken, omdat er G n t altijd nog tekortkomingen overbleven en gebreken die men moest zoeken te boven te komen. (Vooral de beurt op Oudejaarsavond was daarom zoo plechtig en gewijd !) Maar de kern van den mensch was goed en in den weg der beschaving was er alles van te maken.
In die sfeer past de doop niet. Of 't moest zijn als „levenswijding”.
Maar — ds. Beversluis erkent het — dat 19de eeuwsche evolutionistische optimisme (waarvan b.v. een grootdeei van onze Gezangen uit den ouden bundel zou overloopen) heeft een leelijke klap gehad door hetgeen in den laatsten tijd in den enkeling en in de gemeenschap openbaar geworden is. De goede, brave, gave mensch valt niet mee. 't Bleek veelszins vernis te zijn, over wormstekig hout gestreken. Radicaal was het verderf. En ja — men moet ook in den kring van ds. Beversluis weer ernst maken met de woorden van de Schrift en van onzen Heidelbergschen Catechismus, dat de mensch, de gevallen mensch, de zondige mensch, onbekwaam is tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad
Hoe mooi spreekt onze Catechismus over de schepping van den mensch naar Gods beeld en gelijkenis, in ware kennisse Gods, gerechtigheid en heerlijkheid. Hoe ernstig en waar spreekt het leerboek onzer Vaderen, dat ook óns leer-en troostboek is, over den val van den mensch en zijn gansch bedorven natuur ; om zóó te komen, tot de prediking, dat geen vleesch en bloed het Koninkrijk Gods kan beërven, daar alle vleesch voor God verdoemelijk ligt. Om dan de gerechtigheid en de heiligheid Gods, om dan Zijn genade en liefde ons te prediken en aan te prijzen het eenige middel, dat ons tot zaligheid dienen kan n.l. Jezus Christus, Die waarachtig en rechtvaardig mensch is. Die tegelijk waarachtig God is. Dan blijft er van den mensch niets, niets over en alles komt ter zaligheid liggen in den eenigen, algenoegzamen, volzaligen Borg en Middelaar, Die het hoofd van het genadeverbond is en als de tweede Adam voor gansch Sion verzoening, verlossing en zaligheid brengt. „In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade".
Ds. Beversluis met de zijnen staan wat ontnuchterd tegenover de blijmoedige prediking van „het evolutionistische optimisme van de vorige eeuw". En gelukkig ! Want het was allervreeselijkst oppervlakkig. Waarbij men vijandig en hatelijk de Gereformeerden verachtte en vervolgde, om ze liefst allen, zonder onderscheid, uit de Hervormde Kerk uit té, bannen (we denken aan de dagen van de Afscheiding, toen de wolven de schapen naar het leven stonden).
Ds. Beversluis en de zijnen staan nu wat ontnuchterd te kijken tegenover dat evolutionistisch optimisme van de oppervlakkige vorige eeuw. En haast zou men nu met de Gereformeerde opvatting mee gaan en óók zeggen : „geneigd , tot alle kwaad". Maar dan moet er aanstonds naast en tegenover (dat „tegenover" van ds. Beversluis is weer zoo typisch) dat de mensch toch óók geneigd is tot alle goed.
En als die pracht uitvinding gedaan is, om naast elkaar te zetten : „geneigd tot alle kwaad" en „geneigd tot alle goed", dan kan men gaan spreken van „levensspanning", van „spanning tusschen zonde en heiligheid" en zóó komt de mensch dan te staan midden in „de werkelijkheid van den zedelijken strijd" — waarbij de christen al z'n krachten heeft in te spannen om te komen tot de overwinning.
Van wedergeboorte, van afsterving van den ouden — en opstanding van den nieuwen mensch — van „het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin" — van ,, ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" — is geen sprake meer. De mensch is de soldaat in den heiligen oorlog, gaande van overwinning tot overwinning. Waarbij de doop weer past — als men daar iets voor voelt — als „levenswijding" en het avondmaal als broederlijke maaltijd, om de dealen des levens te verlevendigen, gedachtig zijnde aan den ideaal-mensch Jezus, 't zij hij een historische persoonlijkheid is, 't zij het levensverhaal van dien grooten man symboliek idyllisch verhaald is. Zoo blijft er ook van „de genade Gods" niet veel over.
Natuurlijk past het den mensch niet om hoogmoedig zich te verheffen, want bij de geestelijke spanning tusschen goed en kwaad moet de mensch het nog al eens afleggen en zijn z'n fouten en tekortkomingen telkens weer nieuw en daarbij past de clementie Gods, die gaarne het willen n het bedoelen voor de daad neemt, ook al ontbreekt er nog wel iets aan de volmaaktheid van de daad. Daarvoor is dus de genade Gods noodig. Maar een tekst is : „In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade" is hier contrabande.
Ook hier kan ds. Beversluis (blz. 10) dan ook schrijven : „ook dit (n.l. de genade Gods) verstaan wij ietwat anders”.
(Weer dat hatelijke „ietwat anders", als men bedoelt radicaal anders !)
„Wij verstaan ook dit ietwat anders dan de 16de eeuwsche protestant. Het dragen van onze schuld door Christus is voor ons iet overdragen van onze schuld op Chrisus. Een toornende God, die door Christus' dood veranderd wordt en dan pas genadig kan zijn, is ons te vèr van het Evangelie en te dicht bij het Jodendom".
Men voelt welke richting de vrijzinnige uitgaat. Het Evangelie des Kruises moet het ontgelden !
Eerst een caricatuur maken van het Evangelie. Dan zeggen, dat men dat Evangelie niet wil, als veel te veel Joodsch enz. Dan is de baan vrij, om met de anti-christelijke beschouwing te komen van 't lijden en sterven van Christus en den weg der verzoening en zaligheid voor een arm zondaar te loochenen.
Daarover de volgende week nog een en ander!
(Wordt voortgezet)
DE ONKERKELIJKHEID IN NEDERLAND.
Holland is één van de godsdienstigste landen der aarde ; de bijbel is er een volksboek. — Zóó oordeelde in het midden van de vorige eeuw een buitenlander (dr. J. P. Kruyt: De onkerkelijkheid in Nederland, blz. 2.)
Nederland is inderdaad door den Heere in deze altijd gezegend en bevoorrecht. In de 17de eeuw behoorde ongeveer ieder burger tot een kerk. In de steden werd in de Protestantsche Kerken driemaal gepreekt, op de dorpen vaak tweemaal en een groote schare vulde de Kerken. De lange, sterk dogmatische preeken, met vele onderscheidingen werden geduldig aangehoord. Busken Huet noemt met recht de Nederlanders der 17de eeuw een volk van theologanten. Wie sprak er niet over de Sociniaansche ketterijen en wie bemoeide zich niet met de Remonstrantsche dwaalleer ? In de 18de eeuw hoort men dikwijls klachten over het verval der religie, maar van massaal breken met de Kerk is geen sprake. Onder de dominees, zoo goed als onder de gemeenteleden, slopen tal van gruwelijke zonden rond, die tot veel ergernis aanleiding gaven. Maar men hoorde toch aan de Kerk en men bleef bij de Kerk.
Het tijdschrift „De Dageraad" is vóór 1860 nog afkeerig van het atheïsme. En als, eind 19de eeuw, de balans van de 2de helft dier eeuw wordt opgemaakt in het Gedenkboek : „Een halve eeuw", oordeelt prof. Rogge : dat godsdienstzin één der kenmerken van ons volkskarakter is, hoewel reeds geklaagd wordt over „toenemende onkerkelijkheid".
Sedert houdt deze toename aan. regelmatig
In 1880 gaven 12.253 personen op tot geen kerkgenootschap te behooren. In 1920 was dat getal 44 maal grooter geworden en uitgegroeid tot 533.714.
Bij de vijf laatste volkstellingen van 1880, '90, 1900, '10, '20 is het percentage van „tot geen kerkelijke gezindte te behooren" geklommen van 0.31 ; 1.48 ; 2.26 ; 4.97 tot 7.77 pCt. van de geheele bevolking.
Het eind resultaat van de laatste volkstelling (1929) is nog niet bekend, maar wat er van kon gepubliceerd worden van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Eindhoven, Maastricht, den Bosch — is niet moedgevend ; integendeel, het is allerverschrikkelijkst In Amsterdam steeg het percentage sinds 1920 van 21.73 pCt. der bevolking tot 34.9 pCt.
In 1870 waren er in Amsterdam slechts 343 menschen die opgaven „tot geen kerkgenootschap te behooren" ; in 1920 was dat geworden : 145.590 en in 1930 is het niet minder dan 263.901 !
In Amsterdam steeg het percentage sedert het begin van deze eeuw tot het 6-voudige, in Rotterdam en Den Haag tot ongeveer het 10-voudige, in Utrecht Tot bijna het 17-voudige, in Groningen tot ruim het 4-voudige. In eerst-en laatstgenoemde stad is zelfs meer dan een derde deel der bevolking „zonder kerkgenootschap".
Dr. J. Sanders, de bekende medicus die zich naam gemaakt heeft op dit terrein — vooral ook door zijn statistieken en graphische voorstellingen inzake de geboortevermindering in kerkelijkeen niet-kerkelijke kringen — schrijft aangaande de cijfers, die van de laatste volkstelling bekend zijn het volgende :
De toeneming (van het aantal kerkloozen) is voornamelijk te vinden onder de Hervormden en de Joden. De Gereformeerden (van verschillende kerkgemeenschap) en de Roomsch-Katholieken hebben het openlijke bewijs van afval kunnen weerstaan ; al zijn er ook onder hen tal van bewijzen (geboortevermindering b.v.) waaruit blijkt dat ook daar de godsdienstzin niet meer is wat het vroeger was.
„We komen dus tot de slotsom, dat de openlijke bekentenis van afval van den godsdienst in de eerste plaats bij de Nederduitsch Hervormden heeft plaats gehad, daarna bij de Joden. De godsdienstloosheid schijnt op de Roomsch-Katholieken weinig of geen vat te hebben. De strenge organisatie kan in deze voldoende weerstand aan dien vijand bieden, hetgeen niet gezegd kan worden van andere stroomingen in de samenleving, die den muur, door de R.-K. geestelijkheid zoo stevig om de parochianen gebouwd, wel doorbreken.
We hebben hierbij in de eerste plaats het oog op de geboortevermindering, die ook in Roomsch-Katholieke kringen allerwegen ingang heeft gevonden, en waartegen de R.-K. geestelijkheid zoo goed als machteloos staat. In het bijzonder is dit het geval nadat de door een R.-K. arts in ons land gepropageerde periodieke onthouding door de Roomsch-Katholieken is aangegrepen om het kindertal te beperken, en de R.-u geestelijkheid deze methode niet met kracht bestrijdt, integendeel, zelfs aanraadt.
Wat van den Roomsch-Katholieker. godsdienst gezegd is, geldt in nog sterkere mate van de Gereformeerde kerken en üe Christelijk Gereformeerden. Van deze godsdiensten, welke na aan elkaar verwant zijn, stijgt het percentage tamelijk regelmatig in de eerste dertig jaren dezer eeuw in de vijf grootste steden van ons land, hetgeen ook in het Zuiden van ons land plaats heeft. Ook deze kerken weten hare leden voor openlijken afval te behoeden, alhoewel ook zij geen weerstand kunnen bieden aan de met den Gereformeerden godsdienst strijdige geboortevermindering. En alhoewel de Gereformeerden steeds een grooter aantal kinderen hebben gehad dan alle anderen, zooals te Rotterdam onlangs is gebleken, is de geboortedaling bij hen toch evengroot als bij de anderen.
We zien dus, dat het aan de Gereformeerde en de Roomsch-Katholieke geestelijkheid wel, aan de Nederduitsch Hervormde en de Joodsche niet gelukt is hare parochianen van openlijke bekentenis tot afval af te houden. Zietdaar, hetgeen ons bovenstaande cijfers leeren”.
WAAR ZAT DE ONKERKELIJKHEID VOORAL ?
In de dissertatie van dr. J. P. Kruyt komt op blz. 263 een lijst voor van 83 Gemeenten die in 1920 meer dan 10 pCt. van de bevolking onkerkeiijken hadden.
We schrijven enkele namen hier af :
Noord-Holland, Friesland, Groningen staan — in 't algemeen genomen — boven aan de lijst.
Koog aan de Zaan 38.27 pCt. van de bevolking ; Zaandam 37.29; Zaandijk 37; Wormerveer 34.61 ; Westzaan 31.93 ; Krommenie 25.88.
De Zaanstreek stond bovenaan. Opsterland (Fr.) 27.60 ; Schoterland 22.41; Sneek 17.40 ; Engwirden 16.77.
Groningen 23.20 ; Beerta 21.30 ; Hoogezand 15.33 ; Nieuweschans 15.13 ; Winschoten 13.52 ; Delfzijl 12.33 ; Giethoorn (Ov.) 15.56 ; Zuilen (Utr.) 13.95 ; Hilversum 13.28; Bussum 13.14; Laren (N.-H.) 12.50 ; Bloemendaal (N.-H.) 11.38 ; Assen 11.30 ; Rijswijk (Z.-H.) 11.27; Deventer (Ov.) 11.18; N. Pekela (Gr.) 10.49 ; Gieten (Dr.) 10.01.
De groote steden staan in 1920 in bovenstaande lijst van 83 gemeenten niet vooraan. Amsterdam staat no. 16 op de lijst van boven aan gerekend (21.73 pCt.), Haarlem no. 28 ; Den Haag no. 30 ; Leiden no. 79 (10.31 pCt.) en Rotterdam no. 80 (10.26 pCt.).
De steden Tilburg, Arnhem, Utrecht, Nijmegen, Dordrecht, Maastricht komen op de lijst niet voor, omdat het percentage van onkerkelijkheid toen beneden 10 pCt. van de bevolking was.
De hoogste percentages kwamen toen niet voor in de groote steden.
Natuurlijk kan nu zóó maar niet een conclusie getrokken worden, omdat er altijd bij een statistiek velerlei factoren in 't oog gevat moeten worden, maar cijfers als hier nu zijn vermeld zeggen ons toch wel één en ander.
HOE STAAT HET BIJ DE ROOMSCHEN?
Uit een Statistiek, die als bijlage in de dissertatie van dr. J. P. Kruyt voorkomt blijkt o.a. dat in de 22 Ressorten overal een grooter of kleiner percentage is dat de Paaschplicht niet meer waarneemt (Non-Paschanten). In het Ressort Leeuwarden 6.7 pCt., Groningen 10.8 pCt., Deventer 6.8 pCt., Utrecht 14.8 pCt., Hilversum 9 6 pCt. enz. Het aantal afvalligen is in het Ressort Groningen en Utrecht en Hilversum het grootst, 4.0 pCt.; 5.2 pCt.; 3.8 pCt. Het aantal ongedoopte kinderen is in Utrecht 7.5 pCt. Het percentage gemengde huwelijken is in Leeuwarden 19.5 ; Groningen 16.3 ; Zwolle 17.1 ; Culemborg 19.7; Arnhem 24.3 ; Amersfoort 26.8; Utrecht 28.2 ; Hilversum 20.5.
Het aantal gezinnen waar geen kinderen, één kind en hoogstens twee kinderen zijn is in de verschillende Ressorten ongeveer als volgt: Leeuwarden 39.4 pCt.; Heerenveen 34 pCt.; Groningen 43.7 pCt.; Zwolle 42.8 pCt.; Over-Betuwe (Eist) 33.2 pCt.; Culemborg 37.3 pCt.; Arnhem 40.3 pCt. ; Utrecht 48.1 pCt.; Breukelen 41.9 pCt.; Hilversum 45.2 pCt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's