De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

12 minuten leestijd

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, toen gij jonger waart, gorddet gij uzelf en wandeldet alwaar gij wildet, maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken en een ander zal u gorden en brengen waar gij niet wilt. Joh. 21 : 18.

Simon Petrus was sinds enkele jaren niet meer in eigen dienst, noch in dien van zijn vader, maar hij diende den Heere sinds de ontmoeting aan het meer.
De Heiland zei tot dezen visscher, dat hij Hem moest volgen. Oogenblikkelijk was hij daartoe bereid alsof hij het visschen moe was, doch visscher zou hij blijven, al was het, dat hij voortaan menschen vangen zou. Zijn taak werd moeilijker, want wie zielen vangt is wijs. Simon is een der discipelen geworden, die steeds vooraan stonden. Nochtans is er een oogenblik in zijn leven geweest, waarin op hem van toepassing dreigde te worden dat vele eersten de laatsten zullen zijn.
Altijd stond hij klaar om voor den Heere te strijden. Vooral in den aanvang ging hei. hem naar wensch. Hoe werkte hij er aan mee om de komst van het Koninkrijk Gods te verhaasten. Hij was er — als wij het zoo eens mogen zeggen — nog drukker mee dan de Heere zelf. Maar hij was ook Zijn dienstknecht, werken zou hij voor Hem zoo hard hij kon. Hij had er inderdaad zijn leven aan verpand. Om één ding te noemen, bij de verheerlijking op den berg, waar Mozes en Elia aanwezig waren als oude Godsgezanten, wilde hij hun pennen vastslaan en Gods heerlijkheid bestendigen op de toppen der aarde. Dan zou het wel verder afdalen van God uit den hemel en de aarde vol worden van de kennis des Heeren gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. Doch wat Petrus in vurigen ijver wilde vasthouden, lag buiten de bedeeling der tijden, die God hier geschapen heeft. Nog altijd is het zoo, dat elk, die wat gezien mag hebben van daarboven, weer af most dalen naar de vlakte van het dagelijksch leven.
Petrus was een voorman. Daardoor haalde hij eenmaal 's Heeren toorn op den hals. Rake dingen werden dezen discipel gezegd, maar dit gaf geen verwijdering. Want al werden allen geërgerd. Petrus immers niet. Doch welk een overschatting. Ook hij heeft in de rechtzaal voor Jezus niets gedaan. Niet dat hij niet mocht en kon helpen omdat Gods Raad daardoor zou worden verijdeld, maar kleinere overweging, louter menschenvrees hield hem er van af. Hij heeft ook niet, zooals Johannes, bij het kruis gestaan. Met eigen last beladen is hij de eenzaamheid ingevlucht en weende bitter. Daarna heeft hij zich weer bij de andere geschaard, die allen ook uit elkaar gevloden waren, maar inmiddels weer waren verzameld als schapen zonder herder. Dat hij nog tot hen behoorde daarvan mocht hij het eerste woord vernemen door de boodschap, die de vrouwen van het graf medebrachten. Het moet beslist door Jezus zoo gezegd zijn : „zegt het Mijn discipelen en Petrus, dat Ik ben opgestaan".
Hoe bang was hij, dat hij discipel afwas. Het graf waarvoor hij eerst zoo vreesde dat het ook zijn graf zou worden, ging hij nu dadelijk binnen. Nu het Jezus' grafstee was, kon het geen gevaar meer. Met behoud van eigen leven durfde hij er wel in, als de dood hem niet zou schaden. Hij wilde weten waar Jezus was gebleven, want meer dan de anderen was hij Hem kwijtgeraakt. Hij had Hem, al was het ook uit angst, al was het noodgedwongen, losgelaten. Zou daar niets meer aan te doen zijn ? Neen, tenzij de Heere Petrus verscheen aan deze zijde van het graf. Zoo kon hij niet sterven. Er zou hier iets aan hem moeten gebeuren, want zoo als de boom straks valt zoo blijft hij liggen. Meer dan te voren was de dood hem, nu een koning der verschrikking, daar hij na dit leven Jezus niet kon ontmoeten. Daarom zocht hij hier beneden bij het graf ontmoeting met zijn Meester, rust voor zijn arme ziel. Meer dan brutaliteit of dan nieuwsgierigheid dreef hem deze groeve binnen. „O mocht het eens waar zijn, dat Hij uit dien dood was opgestaan, waarin ook ik Hem feitelijk gebracht heb, toen ik Hem van mijn verantwoording heb afgeschoven".
Deze gedachte van twijfel en van hoop ging er in Petrus om. Als discipel voelde hij zich dubbel schuldig. Doch Gode zij dank, dat Hij niet enkel voor hem, maar voor een gansche wereld is gestorven, die verloren ligt in schuld. Om Petrus dat te beduiden, is de Heere op den eersten dag Zijner opstanding aan hem verschenen. Gods Woord deelt ons dit niet omstandig mede, doch 's avonds werd uit den kring der elven aan de Emmaüsgangers verteld, dat de Heere van Simon was gezien. Petrus was de andere discipelen dus al weer voor, doch omdat de nood bij hem het hoogste was. En al wist hij voortaan, dat hij weer discipel wezen mocht, toch voelde hij zich van het apostelschap vervallen. Daarom zocht hij zijn oude beroep weer op. Doch de arbeid wou niet vlotten. Intusschen was hij er ook niet recht bij met zijn gedachte. Den geheelen nacht hadden zij gevischt en niets gevangen. Zij waren dicht aan den kant, toen iemand op den oever, die daar stond te kijken hen aanried, het net aan de andere zijde van het schip uit te werpen. Als bekwame visschers vroegen zij niet : waarvoor is dit noodig ? Terstond volgden zij den verkregen raad op en zie, het net kwam vol. Dit bracht hen in herinnering de wondervolle vischvangst met Jezus aan het meer. Johannes, die altijd dieper nadacht en meer bemerkte in het leven van zijn Heiland zei : Het is de Heere.
Petrus gunde zich daarop geen tijd het scheepje aan wal te brengen, doch maakte, dat hij oogenblikkelijk aan den kant was. Vermoedde hij soms reeds, dat Jezus nog iets persoonlijk aan hem te zeggen had en aan datzelfde meer, waar Hij hem eens geroepen had om Hem te volgen, hem andermaal zou roepen : kom ga mee ? Dan had hij goed geraden, want de Heere had inderdaad voor hem een boodschap of liever Hij had voor hem een vraag. Doch het was een vraag Waarop allen het antwoord moesten hooren. Tijdens den maaltijd, die daar aangericht was, vroeg Hij daarom : „Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen ? " „Liever" — hoe kwam de Heere daarbij ! Wel omdat hij gezegd had : al worden ze allen aan U geërgerd, ik echter niet. Simon Petrus meende dus, dat hij meer was dan de anderen, dat hij een uitzondering maakte, zijn liefde tot Jezus duurzamer van aard was. Doch hij, die zich zoo hoog verhief is toen het diepst gevallen. Een teere zaak was het die Jezus aanraakte. Petrus had langs een diepen weg zichzelf leeren kennen. Hij wist, dat het hem niet paste en ook nooit gepast had, zich boven de anderen te stellen. Jezus, die toch zijn Heiland was, wist wat hij doorgemaakt had. Daarom volstond hij met een half antwoord, daar dit voldoende was. De rest roerde hij niet aan. Hij mocht en durfde het daarom eerlijk zeggen : Heere, Gij weet dat ik U liefheb. Na die ontzettende verloochening zou hij den schijn wel altijd tegen zich houden, hij beroemde zich daarom nergens meer op. Wanneer de Heere het hem echter eerlijk afvroeg dan zou hij er voor uitkomen. In alle stilte had hij Jezus lief, niet in liefde, die zich op iets laat voorstaan of die naar het woord van den apostel Paulus alles vermag. Petrus was voorzichtiger geworden. Hij sprak niet over die liefde, die wortelt in de diepte der verkiezing, die met verwerping van al wat van de wereld is, met Mozes alles schade had leeren achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus. Petrus gebruikte een ander woord voor liefde, dat slechts op zwakke menschenlippen past. De wezenlijke liefde immers is uit God. Dit bescheiden antwoord was een woord, dat den Heere behaagde en daarom zei Hij : weid Mijn schapen. Zoo was hij weer tot het apostolaat verkoren.
Maar alsof het nog niet genoeg was, vroeg de Heere even later : Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief ? Al liet de Heere nu van Zijn eerste vraag de laatste woorden vallen, toch vroeg hij andermaal of er bij Petrus ook die sterke ongerepte liefde bestond. Zooals die bij God van eeuwigheid was, om hem te doen verstaan : gij hebt niet mij, maar Ik heb u verkoren. Want de vastigheid van zulk een liefde lag niet in Simons ziel verankerd, maar in den Roepende, die hem alleen tot een ware petra maken kon. De Satan had den zoon van Jonas begeerd te ziften als de tarwe en de zeef ware leeggeschud, hij was als kaf verstoven, hij met al zijn vaste voornemens, als de Heere niet Zijn bewarende hand over hem had uitgestrekt. Om hem daarvan goed doordrongen te maken, stelde Jezus hem voor de tweede maal die vraag, aan welks eisch der eeuwige liefde Hij niets afdeed. Petrus had zich nu voor den tweeden keer te bezinnen, voordat hij weer antwoord gaf. Doch de discipel had geen ander antwoord nogmaals dan enkel, wars van alle opsmuk en gemaaktheid : „Heere, Gij weet dat ik U liefheb", voorzoover een mensch althans liefhebben kan. Van nature zijn wij allen geneigd tot haten. Wij overdrijven zoo licht als wij iemand onze liefde verklaren, wij willen ze grooter maken dan ze in werkelijkheid is en bezweren het met onzen dood. Doch zelfs liefde en haat weet de mensch niet, want niemand weet wat hem te wachten staat, wat hij in een bepaalde omstandigheid ooit nog doen zal. Dat zien we hier aan Petrus. Het is de hand des Heeren, die over ons leven gaat.
Al had Petrus zichzelf laten gaan, de Heere had hem toch weer vastgegrepen. Toen hij dat mocht hooren werd de liefde tot den Heiland er nog inniger door. Er over spreken deed hij echter niet. De liefde vergaat nimmermeer, maar waar was hij gebleven met zijn liefde. Hoe weinigen zijn er, die zichzelf hebben leeren kennen, die het met Gods Kerk vrijmoedig durven zingen : „God heb ik lief". En al is'er waarlijk reden om te zingen van Gods goedertierenheên, zooals de dichter aangeeft, hoe velen hebben het door vele struikelingen met Simon Petrus verleerd vrijmoedig daarvan te zingen, van de liefde van Jezus Christus, die hen heeft liefgehad van voor de grondlegging der wereld. Daartegenover was ook Petrus' liefde als een morgenwolk, ras verdwenen. Hij had het in ontnuchtering leeren verstaan, hoe ver zijn liefde reikte, zoodat ook hij moest zeggen : wij zijn van gisteren en weten niets. In besef daarvan was zijn antwoord zeer bescheiden. Het antwoord des Heeren echter, dat deze liefde beloonde, was daarom des te grooter : „hoed Mijn lammeren". De Heere twijfelde dus geenszins meer aan de oprechtheid van dit antwoord. Toch vroeg Hij ten derden male, opdat hij, die tot drie keer toe zijn liefde had verloochend, tot drie keer toe zijn liefde zou betuigen, de Heere vroeg het nogmaals, maar nu met Simons eigen woorden, waarvan hij niet af te brengen was : „Simon, zoon van Jonas, hebt Gij mij lief", houdt gij wel van Mij ? In den grondtekst kunnen wij het verschil opmerken, dat Jezus maakte in de vraag, die Hij tot • drie keer stelde. Al meer en meer liet hij varen, datgene, wat alleen in Zijn eigen volmaaktheid was te vinden en niet bij eenig schepsel was te zoeken. Hij wist wat van zijn maaksel was te wachten, hoe ook liefde bij hen sterfelijk was en wegkwijnde.
Petrus heeft niet, nu hem er voor de derde maal om gevraagd werd, met alle stelligheid volgehouden, zijn woord er op gegeven, ja zelfs met een eed bevestigd dat het waar was wat hij zeide. Doch diep bedroefd geworden heeft hij - en zalig wie zich daarop mag verlaten - zich beroepen op Gods alwetendheid en zeide : Heere, Gij weet alle dingen : Gij weet dat ik U liefheb. Hij hoefde dus niets te verzekeren. De zekerheid van de waarheid van zijn antwoord lag in Gods alwetendheid. Hoe klaar blijkt uit dit antwoord het diepe inzicht, dat Petrus had verworven. Daarom kreeg hij de goddelijke opdracht : weid Mijne schapen. In Gods kracht was hij nu voor zijn taak berekend evenals Mozes, die eerst naar de wetten van den tijd veranderen moest in de woestijn, voordat Gods kracht bij hem in zwakheid werd volbracht. In de lijdensschool wordt de leidsman Gods geboren. Ook de overste Leidsman en Voleinder des geloofs is door lijden geheiligd. De liefde voor de zaak en naam des Heeren wordt beproefd. Dat wordt den lijdensschuwen discipel aangekondigd, niet tot ontmoediging, maar tot bemoediging. Met die wetenschap voor oogen kon hij zijn broederen sterken : geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking alsof u wat vreemds overkwame. Het hoort immers bij degenen die den kruisweg volgen wil. Petrus, die niet had willen hebben, dat Jezus Zijn voeten zou wasschen en voor hem den dood zou ingaan, hem zou God het leeren zich door een ander te laten gorden en hem te brengen, waar hij niet zijn wou. Hij is inderdaad gebracht waar hij niet wilde, opdat er geen vleesch zou roemen voor God, maar God alleen de eere ontving. Een ander zou hem gorden, aangorden met die liefde die nimmermeer verging, zoodat hij bij zijn einde door zijn dood nog God verheerlijken mocht. „Een ander zal u gorden", dat geldt voor ieder onzer, want wie is er die het leven nooit anders wenscheh zou. Het hangt er nu maar van af wie of die andere is, die ons altoos vergezelschapt. Is het de tegenspoed, dien wij telkens tegenkomen ? Of is het de verleiding, die velen van het rechte spoor afvoert. Of mogelijk ook de vreeze, zoodat wij vluchten als het op belijden aankomt ? Dat God ons dan bekwame onze handen naar Hem uit te strekken, omdat wij van Hem het diepst afhankelijk zijn.

Kortenhoef, P. Hakkesteegt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's