De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Aan vragen was schier geen einde gekomen. Of vader thuis was toen de Jonker kwam, en wat moeder had gedaan, en of de kinderen toen al naar bed waren, en wat hij gezegd had. Toen heeft vrouw Mollema haar in 't kort den inhoud van de gesprekken medegedeeld en vooral niet vergeten te zeggen, welk een groote verandering bij hem had plaats gevonden, en hoe hij met ernst over de eeuwige dingen dacht. Inzonderheid had zij laten uitkomen hoe heerlijk het was, als zulke jonge levens, met zoovele gaven en krachten, zich aan den dienst van den Heer gingen wijden, en had daarna haar dochter met moederlijke bezorgdheid aangezien, als om te zeggen hoe haar hart verlangde, dat zij ook deze goede keuze deed. En toen had Jap haar verteld — wat nog niemand wist — hoe zij naar aanleiding van de laatste preek van ds. Feurman, over dat tarwezaad, een strijd had gestreden, waarbij het haar o zoo zwaar was gevallen, doch waarvan dit het einde was geweest, dat ook zij voortaan den Heer met een volkomen hart wilde dienen. Dat had moeder o zoo goed gedaan. Tranen van dankbaarheid waren er gevloeid en nog dienzelfden avond zou vader het ook weten, die zeker ook heel blij zou zijn. Vervolgens had Jap vlug een kopje thee gedronken en was toen in allerijl weer vertrokken.
Al deze dingen overdenkt zij nu, als zij naar de boerderij terug wandelt. Zij zou wel kunnen zingen in de avondstilte bij het zachte schijnsel van het maanlicht, als het op de „Eendenkooi" alles maar goed was. Heimelijk maakt zij zich ongerust over den boer. Brandsma is een oude man en nooit veel ziek geweest. Zij heeft wel eens gehoord, dat, wanneer zulke menschen komen te liggen, het gewoonlijk spoedig afgeloopen is. En dat zou hier wat worden. Een opvolger is er niet en de boerin is ook niet meer geschikt de zaak met vreemden te drijven, terwijl er onder de kinderen, vooral onder de schoonzoons, zijn, die vermoedelijk hun deel wel zouden opeischen. Dokter heeft wel gezegd, dat hij hem spoedig wel weer wat zou oplappen, maar zoo spreken zulke heeren altijd. Als Gods wil eens anders is, dan kunnen al de dokters met elkaar het leven niet in een mensch honden.
Kijk, wat is dat daar ? Komt de knecht daar niet van het heem draven ?
„Jap !" — „Ja !" — „Kom gauw!”
Vliegensvlug ijlt zij het laatste gedeelte van de laan door.
„Wat is er ? " — „Ik geloof, dat de boer sterft. Ga gauw naar de vrouw ; ik zal den dokter halen!”
Met een paar minuten is zij in huis. Hoe is hier in weinige oogenblikken het tooneel veranderd. Toen zij straks met Anneke de deur uitging, zaten allen na het gebruik van den avondmaaltijd rustig om de tafel en niet een kon vermoeden, dat de koning der verschrikking zóó nabij was. Zoo even had de boer nog medicijnen ingenomen en zich daarna tot slapen neergelegd. Juist zou de knecht opstaan, om het vee af te voederen, toen een vreemd geluid uit de bedstee kwam. Hij was de eerste, die het hoorde.
Onmiddellijk was vrouw Brandsma opgestaan en had de gordijnen op zij geschoven. Zeg je wat ? had zij gevraagd ; maar er was geen antwoord gekomen. Alleen een onnatuurlijk keelgeluid. Och Heere, wat zullen wij nu beleven ! was haar uitroep geweest. Daarop heeft de knecht vlug de lamp omhoog gedraaid, om beter te kunnen bijlichten. Dat lijkt verkeerd vrouw, had hij gezegd en was toen naar buiten gesneld, om Jap te roepen en den dokter te waarschuwen.
Zoo vindt Jap den toestand als zij binnen komt. Tevergeefs tracht vrouw Brandsma een verstaanbaar woord op te vangen, wel bewegen zich de lippen van den stervende nog en schijnt hij iets te willen zeggen, maar het zijn slechts onsamenhangende klanken. Reeds is het oog verduisterd. Met bevende hand draagt Jap een kom met water aan, ten einde Brandsma's hoofd te verkoelen, doch zonder dat dit eenigen invloed heeft. Slechts wordt een zware ademhaling gehoord. Traag kruipen de minuten om.
Als gebroken zit de oude vrouw bij het bed van hem, met wien zij zooveel lief en leed heeft gedeeld, en dien zij nog zoo gaarne eenigen tijd behouden had.
„De kinderen", klaagt zij, „waren de kinderen maar hier, al was het slechts om nog één woord van hun vader te hooren”.
Maar allen zijn van huis en niemand kan ze halen. Als de knecht maar zoo verstandig is cm volk uit het dorp mee te nemen. Zoo wachten de beide vrouwen in angstige spanning de dingen af, die komen zullen. Somtijds wordt naar buiten gezien, of er nog niets aan komt. Eindelijk een rijtuig, en gelukkig, het dokters wagentje ! Voorop, bij den koetsier, de knecht en achterin, bij den dokter, vrouw Mollema. Want men had heel goed begrepen, dat hier voor den nacht behoefte aan meerdere hulp zou zijn, en zoo had de knecht ook aan vrouw Mollema gezegd hoe het er op „de Eendenkooi" bij stond, en haar gevraagd terstond mee te komen. Dat geeft weer eenige verademing, al wordt het doodsgevaar daardoor niet afgewend.
Een oogenblik later staat de dokter naast de lijdenssponde, aan de zijde van de boerin, die de klamme hand van haar man zacht streelt, als om hem te doen gevoelen, dat zij hem niet missen kan. Met een enkelen oogopslag overziet hij den toestand. Hier schiet menschenkracht en menschenwijsheid te kort; het schrijven van een recept is dus overbodig, er kunnen immeRS geen medicijnen meer ingenomen wordeN, en de dood laat zich voor eenige artsenij niet op de vlucht jagen. Nog maar flauw slaat de pols. Slechts de borst hijgt geweldig zwaar om lucht te krijgen.
„Is het een beroerte, dokter ? " vraagt de oude vrouw met bevende stem.
„Ja.”
„En zou hij nog niet eens even bijkomen, om nog een woordje te spreken? ”
Een veelzeggend schouderophalen is het eenige antwoord. Dr. Hannema is altijd stil, als hij zoo plotseling tegenover de majesteit van den dood komt te staan, waar hij immer weer moet ervaren, dat hij me al zijn wetenschap en kennis niet in staat is hem te overwinnen.
„Zou dokter hem niet kunnen laten? " vraagt de boerin weer. „De boer was daar altijd zoo voor en zeide, dat het zulk verlichting geeft als men benauwd is.
"vroeger jaren liet hij het zich altijd eenmaal per jaar doen."
„Geeft niet, vrouw Brandsma." , , De veearts heeft het laatst de roodbonte ook gedaan, en die is aanstonds weer opgeknapt.”
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's