De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTELIJKE ETHIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTELIJKE ETHIEK

6 minuten leestijd

Niets nieuws heeft de Heiland geleerd in zake het huwelijk, maar Hij leidde terug naar het eerste Bijbelblad, om er aan te herinneren (hoe het van den beginne geweest is. (Mare. 10:2—12). En als in Israël sterk de polygamie begeerd wordt, dan is dat zonde voor God en voor de menschen.
Het Israël in Jezus' dagen was afgegleden van het standpunt der monogamie: het huwelijk tusschen één man en één vrouw, voor héél het leven zijnde. Wettelijk en practisch was de veelwijverij inheemsch geworden. Flavius Joséphus deelt ons mede dat „de wetten toelaten verscheidene vrouwen te hebben", en in latere jaren komt, als tot bevestiging daarvan, de Talmud leeren, dat het een man is geoorloofd, zoovele vrouwen te nemen als hij kon onderhouden. De veelwijverij was een maatstaf van welvaren !
Van deze vrijheid werd door velen gebruik gemaakt. Er was geen sprake van, dat iemand deswege met den vinger zou' zijn nagewezen. Dit misbruik, deze zonde, was in de volkszeden ingegroeid. Naast gezinnen, waar één man en ééne vrouw zich met elkaar gelukkig gevoelden, bestonden andere gezinnen met een harem in het klein, of in het groot. Naarmate iemands levensstandaard hóóger was en zijn welstand zich uitbreidde, naar die mate werd gewoonlijk ook het aantal zijner vrouwen grooter.
Zóó dacht, zóó leefde het Israël van Jezus' dagen! Steeds meer raakte het Joodsche volk uit het spoor van Gods scheppingsordinantie en het gevaar dreigde, dat de grenslijn tusschen Israël en de volkeren geheel werd uitgewischt.
Eigenlijk ligt hierin niets nieuws en niets vreemds. Want naarmate de liefde wordt omgezet in eigenliefde en aan de hartstochten en vleeschelijke lusten onbeteugeld vrijheid geschonden wordt, raakt het heerlijk en heilig beginsel van het huwelijk zoek : als man en vrouw elkander in liefde toe te behooren en in vereeniging met elkander uiting te geven aan den rijkdom van het beeld Gods.
Overal in den Bijbel wordt het monogame huwelyk verondersteld. De Psalmdichter doet dit, wanneer hij den echtgenoot, die den Heere vreest, de belofte doet: Uwe huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis, uwe kinderen als olijf planten rondom uwe tafel" (Ps. 128). De Spreukendichter spreekt op dezelfde wijze, wanneer hij aldus den lof der huisvrouw zingt: Zij gaat de gangen harer huisigenooten na en eet het brood der traagheid niet; hare zonen treden op en noemen haar gelukkig ; zoo ook haar man en hij prijst haar". (31 : 27, 28 ; 12 : 4 ; 18 : 22 ; , 19 : 14). Maar vooral vinden we dit bij den profeet, als hij de verbintenis van een jongeling en eene jonkvrouw vergelijkt met de innige betrekking van den Heere op Zijn volk en hij Gods stem aldus vertolkt: Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht en in goedertierenheid en in barmhartigheden, en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof en gij zult den Heere kennen". Hos. 2 : 18, 19.
En Maleachi, de laatste profeet beschrijft het huwelijk met ééne vrouw als een vóór en dóór God gesloten verbond. (Mal. 2 : 14 —16). Veel, véél heerlijker komt ons in de Schrift voor het huwelijk van Abraham en Sara, Izaak en Rebecca, Jacob en Rachel, Amram en Jochebed, Mozes en Zippora, Aaron en Eliseba, Elimelech en Naomi, Boas en Ruth, Mikana en Hanna wanneer we de verbintenis met méér dan ééne vrouw wegdenken, en de Heere laat het ons dan ook telkens zien, dat men niet straffeloos afwijkt van den weg Zijner inzettingen.
Zelfs de apocryphe literatuur bepleit in schoone woorden het monogame huwelijk, als Jezus Sirach leert (25 : 1, 2) : „Drie schoone dingen zijn er die beiden, God en menschen, behagen: ls broeders het eens zijn; als buren elkander liefhebben ; als man en vrouw elkander verstaan".
Onder Israël was het huwelijk hoog geëerd en in de Wet was voorgeschreven : wanneer een man een vrouw getrouwd zal hebben, die zal een jaar lang thuis mogen blijven om met zijne vrouw samen te zijn en hij zal niet tot dienst in het leger mogen worden opgeroepen. (Deut. 24:5).
Maar in die Wet (Deut. 24 : 1) was óók voorgeschreven, dat, wanneer een man iets schandelijks vond in zijn vrouw, hij haar een scheidsbrief zou mogen geven.
Nu was er langzamerhand een zeer ruime toepassing van het begrip „schandelijk" in zwang gekomen. De bekende Rabbi Hillel, die omstreeks Jezus' geboorte een bekend leeraar in Israël was, leerde, dat daaronder ook die huisvrouw viel, die het eten liet aanbranden. Men mocht haar dan den scheidsbrief geven en 'n andere vrouw trouwen ! Ja, Rabbi Akiba, eveneens een beroemdheid, ging zóóver, dat hij leerde dat de man z'n vrouw mocht verlaten, als hij een andere vrouw, die schooner was, ontmoette en begeerde, want in zijn eigen vrouw was dan iets „schandelijks" te zien in vergelijk met haar die schooner was en hem méér aantrok!
Tegenover dergelijke loszinnigheid, die gedekt .werd met de Wet en met hetgeen
de ouden (de leeraars) gezegd hadden, verzette Jezus zich aanstonds, toen Hij in de Bergrede zeide : „Ik zeg u, dat zoo wis zijne vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel doet.”
Want de vrouw die verlaten werd gaf zich aan een anderen man, om toch maar een man te hebben en zoo begrijpen we het woord van den Heiland : „En zoo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel."
Voor de gaafheid, de heiligheid van het huwelijk komt de Heiland op. En ernstig waarschuwt Hij voor „de hardigheid des harten", om de heilige Wet Gods niet te verkrachten en voor de zonde der hoererij, om geen andere vrouw aan te zien en haar te begeeren. De Wet van Mozes mocht niet misbruikt worden, om allerlei schandelijkheden te bedrijven. Van het begin der schepping heeft God den mensch : man en vrouw geschapen ; daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten en zal Zijne vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vleesch zijn : alzoo, dat zij niet meer twee zijn, maar één. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, schelde de mensch niet". Marc. 10 : 2—12.
Ieder Christen weet daarmede eens en voor altijd wat het huwelijk is.
Het huwelijk is een goddelijke instelling van de schepping af.
Het huwelijk is de geestelijke en lichamelijke éénheid van twee personen, één man en ééne vrouw.
Het huwelijk is in zijn wezen onverbrekelijk, want wat God vereenigt scheide de mensch niet.
Zóó leerde de Heiland en die naar Zijnen Naam genoemd zijn volgen Hem, óók hier.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

CHRISTELIJKE ETHIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's