De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

DE SACRAMENTEN : DOOP EN AVOND­MAAL en
DE VRIJZINNIGE HERVORMDEN (3).

Ernstig wil ds. Beversluis het leven en den levensstrijd nemen voor den mensch. De werkelijkheid van den zedelijken strijd, met „de spanning tusschen zonde en heiligmaking" moet diep gevoeld worden door den christen van de 20ste eeuw. Oppervlakkig gebazel past ons allerminst. Het evolutionistisch optimisme van de 19de eeuw heeft ons bedrogen. „Voor ons menschen van dezen tijd geldt de strijd om innerlijke, heilige levenswaarden, in een wereld en tegenover krachten, die wij gerust „duivels" durven noemen". We moeten het dus héél ernstig nemen. De vrijzinnige dominé durft zelfs gerust van „duivels" spreken waartegen we te strijden hebben. Dat dorst een vrijzinnige vroeger niet, want dan werd hij uitgelachen. En natuurlijk bestaan er in werkelijkheid geen duivels. Maar er zijn tegenwoordig zooveel van die slechte, gevaarlijke dingen, die ons menschen van de 20ste eeuw omringen, dat men daar gerust van duivels kan gaan spreken !
En nu is de moderne prediking: De mensch moet den strijd niet als een lafaard ontwijken, maar moedig aanvaarden; en de spanning tusschen goed en kwaad kennend, moet hij zich inspannen met alle krachten, om niet onder te liggen in den strijd, maar om te overwinnen en het hoofd met eere omhoog te steken straks. Daarbij past de radicale loochening van de beteekenis van Jezus Christus als Borg en Middelaar, om te leeren de gerechtigheid uit de werken.
Natuurlijk blijven dan onze dwaasheden en onze afdwalingen.
Maar de liefde Gods is er gelukkig óók nog.
En voor de zooveelste maal wordt dan — ook hier door ds. Beversluis — de gelijkenis van den verloren zoon ten tooneele gevoerd, om te bewijzen, dat alle Middelaarschap uit den booze is. Over 't hoofd wordt gezien waarop de nadruk in deze gelijkenis moet worden gelegd (Luc. 15 : 1 enz.) en uitgebuit wordt waarover deze gelijkenis absoluut niet spreekt; waarbij een enkel gedeelte van de Schrift losgemaakt wordt van heel de Godsopenbaring, die in Oud-en Nieuw-Testament is: dat Jezus Christus, Slons Borg en Middelaar is, het Hoofd van het genadeverbond, in Wien allen begrepen zijn, die Hem van den Vader gegeven zijn en die Hem met een waar geloof worden ingelijfd, om Hem te mogen omhelzen en in al Zijne weldaden te mogen deelen (art. 22 Ned. Gel. bel.), om zoo in Christus, den eeniggeboren Zoon van God, als Gods kinderen uit genade te worden aangenomen (Held. Cat. Zondag 12 en 13) „Zoo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn”.
Die bij de liefde en de genade Gods den Middelaar Gods en der menschen, het eenig offerand van Jezus Christus uitschakelt, verwaarloost het hart van het Evangelie, zooals Oud-en Nieuw Testament ons dat predikt.
Heel de bate van ons christelijk geloof (Zondag 23) wordt verworpen en de bate des vleesches van een vrijzinnig christen wordt aangeprezen. Dat geeft dan vrijmoedigheid voor leven en sterven !
Principieel en radicaal wordt verworpen de leer van de rechtvaardiging des zondaars door het geloof in Jezus Christus, de verdienende oorzaak van onze gerechtigheid en zaligheid. Verworpen de eenige troost des christens!
Wat Zondag 23 (onmiddellijk voorafgaande aan de Zondagsafdeelingen, die handelen over de Sacramenten) leert wordt van de hand gewezen. Want daar lezen we de belijdenis van den christen, die antwoordt, dat hij rechtvaardig voor God is : „alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzóó dat, al is het dat mij mijne consciëntie aanklaagt, dat ik tegen alle de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadde ik nooit zonde gekend noch gedaan, ja, als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zooverre ik zulke weldaad met een geloovig hart aanneem”.
Dit is het hart van het Evangelie, het hart van de leer der Reformatie : zonder eenige verdienste mijnerzijds — uit louter genade — de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus — bij toerekening ons geschonken uit de volheid van Slons Borg en Middelaar!
„In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade”.
Waarbij de christgeloovige het tegelijk maar zegt  — om valsche beschuldigingen in 't aangezicht te weerstaan — dat deze leer geen farizeërs kweekt en ook geen zorgelooze en goddelooze menschen maakt, „want het is onmogelijk, dat, zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid.”
De vrijzinnige Hervormde kan deze leer niet gebruiken. Die staat daar in de spanning des levens, welke er is door den strijd tusschen goed en kwaad — waarbij „duivels" hem omringen — maar als een moedig krijgsknecht; en ja, clementie van God is noodig, want er zijn en blijven gebreken en tekortkomingen voor ieder die het ernstig neemt (vooral in deze booze en moeilijke 20ste eeuw), maar gelukkig God is genadig en de kus der liefde (denk aan de gelijkenis van den verloren zoon) blijft niet uit.
Voor Jezus als Middelaar, als Redder, als Verzoener, als Zaligmaker is hierbij geen plaats. De „bloedtheologie" moet niet tusschen dien in gespannen ernst levenden mensch en den genadigen God, die gereed staat om den verloren zoon om den hals te vallen, komen staan om alles te bederven
Voor Jezus, den Middelaar, — geen plaats!
|Het kruis van Golgotha — past hier niet!
En dan zegt ds. Beversluis nog, dat hij zich graag bij het historisch-christendom aansluit; „ons christendom is niet los van de christelijke gemeente van alle eeuwen"! Maar in werkelijkheid is het radicaal het tegenovergestelde van het historisch christendom.
Over enkele dingen belangende den doop wordt dan nog gesproken (blz. 11—13).
Van de doopformule wordt gezegd : „wij achten het waardevol geen wijziging te brengen in de traditie van de eeuwen”.
Over de kwestie : kinderdoop of doop van volwassenen, lezen we: „Wij merken in onze,kringen een groeiende voorkeur voor den doop op volwassen leeftijd. Als bezwaren ontmoeten we tegen den kinderdoop : de kinderen begrijpen er niets van ; ik wil mijn kind nog niet binden, maar het vrij laten; „het onstichtelijke van kindergeschrei in de kerk enz." „Daartegenover wordt dan gesteld het plechtige en meer tot den jongen mensch sprekende van den doop bij de aanneming”.
Ds. Beversluis wil den kinderdoop vasthouden. Niet op gronden zooals onze Catechismus en ons doopformulier die geven. Dat onze kinderen even goed als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen zijn en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt enz. Maar als argument wordt genoemd, dat het toch wel goed is, dat ouders een belofte afleggen in het belang hunner kinderen.
't Draait om de ouders. En dat de ouders door een belofte zich plechtig verbinden is toch wel goed.
En wat het „vrij" laten van de kinderen betreft, wordt gezegd, dat de band van den doop niet zoo zwaar is, en „zij is bovendien nog zoo los, dat door het inmiddels volwassen geworden kind deze band gemakkelijk weer losgemaakt worden kan”.
Maar het „plechtige" van den volwassendoop dan ?
Daarvan wordt gezegd : „Men vergete niet, dat het bijzondere is, dat uit het groote getal aannemelingen enkelen uitkomen, voor wie dan door een persoonlijk woord bij den doop de bevestigingsplechtigheid een persoonlijk karakter krijgt — maar dat deze plechtigheid verloren zou gaan, indien vooral in groote gemeenten aantallen van 50 a 60 jonge menschen moeten worden gedoopt”.
Heel de kinderdoop komt dan voor ds. Beversluis hierin te liggen : „men moet niet vergeten, dat de mensch behoefte heeft om de groote momenten in z'n leven als geboorte, volwassen worden, huwelijk, dood in godsdienstig licht te zien en door enigerlei vorm daaraan uiting te geven, in dat licht moeten we de kinderdoop stellen. Hij komt dan tot ons als een wij ding van het kinderleven bij de geboorte. „Voor vrijzinnige christenen heeft dit sacrament bij de wijding van het leven diepe zin”.
„Als wijding van leven en opvoeding is de doop de eerste schrede op den weg, die langs de godsdienstige opvoeding in gezin en Kerkelijke gemeente" (de schooi Wordt overgeslagen) „leiden moet tot zelfstandig geloofsbezit en op grond daarvan afleggen van geloofsbelijdenis en aanneming tot lid der gemeente" (blz. 13).
In 'n volgend artikel zullen we nog even meedeelen hoe over des Heeren Heilig Avondmaal gehandeld wordt.
(Slot volgt).

DE VOLKENBOND.
Sinds 1919 bestaat de Volkenbond en op 18 Mei wordt er gewoonlijk elk jaar nog weer eens bijzonder geschreven en gesproken over dit internationaal instituut. Velen zijn teleurgesteld. Maar dikwijls om.dat men er zich een verkeerde voorstelling van gemaakt heeft. De Volkenbond is geen Staat boven de Staten, geen superstaat, 't Is geen internationaal gerechtshof met bindende kracht. Bovendien zijn en blijven de toestanden nationaal en internationaal niet zooals ze zijn, maar veranderen met den dag. Rusland, China, Japan, Duitschland, Oostenrijk, Spanje enz. zijn ten bewijs.
„De Standaard" schreef 18 Mei j.l. : „Wij grijpen gaarne deze gelegenheid aan, om ook onzerzijds met een enkel woord aan die herdenking deel te nemen en een beroep te doen op de sympathie voor den Volkenbond. Want méér dan ooit is dat op dit oogenblik noodig". Er is overal en op elk terrein „crisis" ; crisis in de wereldwelvaart en de nationale economie, crisis van den modernen staat, crisis van de democratie, van het parlementaire stelsel, een geldcrisis en van wat niet al meer. „Wat wonder, dat ook de Volkenbond zijn crisis doormaakt en dat er reeds zijn, die meenen, dat zijn dagen geteld zijn”.
Temidden van de gruwelen 'van den oorlog rees het besef, dat het uit moest zijn met de bestaande Staten-anarchie. Er moest komen een behoorlijke organisatie van de onderlinge verhoudingen tusschen de volken. Die gedachte verhuisde toen van de studeerkamer der geleerden, waar zij reeds eeuwenlang had geleefd, naar het werkcabinet der practische staatslieden". Maar wat in twee en een halve eeuw stelselmatig was bedorven, kon niet met één slag worden goedgemaakt; daarover vormde geen practish man zich eenige illusie.
Bij het  beëindigen van den oorlog — van Vrede-sluiting kan men moeilijk spreken — in het jaar 1918, kwam het plan van den Volkenbond naar voren. Zwak, gebrekkig, van den aanvang af (1919) is hij vol scheuren en kloven. Maar het roer was dan toch principieel omgegooid. Het werd tot onrecht gestempeld, dat de staten langer op elkander zouden loeren en elkander trachten te verscheuren als kannibalenstammen. En er werden maatregelen getroffen om den oorlog te beperken tot noodweer en rechtsexecutie. Daarbij werd het volkenrecht erkend en de grondslag gelegd voor positieve samenwerking voor de gezamenlijke zaken, die elke staat op zichzelf niet naar eisch kan behartigen.
Hier liggen natuurlijk allerlei voetangels en klemmen. Temeer waar juist na den oorlog een sterk nationalisme is opgekomen, wat bij regelingen van internationalen aard zoo belemmerend kan werken. Het nationaal besef is ongemeen versterkt, bij de oude èn bij de nieuwe staten. Dat weer ten gevolge heeft gehad, dat degenen die „overwonnen" hebben in den oorlog o, zoo gaarne uit die „overwinning" munt wilden slaan. Terwijl bij degenen die overwonnen zijn, de diepe krenking van de nederlaag nog sterker in de richting van het nationaal gevoelen ging werken. Overal vindt men een zelfgenoegzame machtspositie, waarbij „autarkie" de leuze werd. Dictatuur, met versterking van centraal gezag en besnoeiing der volksvrijheden, kwam op, om zoo een hechte inwendige organisatie te verkrijgen. En andere Staten werden dikwijls, tegen eigen begeeren in, op dienzelfden weg getrokken.
Zoo is er nu bizonder de laatste 15 jaar een geweldige spanning tusschen de vrijheid van den enkele en de binding der gemeenschap, en is er een noodtoestand op nationaal-en internationaal terrein ontstaan. Waarbij de Volkenbondsgedachte het hard te verduren heeft. En de Volkenbondsgedachte is nieuw, terwijl de „autarkie" (vrijheids-en zelfstandigheids)-gedachte oud is. Terwijl de Volkenbond gebrekkig georganiseerd is en niet over machtsmiddelen beschikt, en de Staten zijn hecht georganiseerd en in 't bezit van groote macht.
Eerlijk moet erkend — zegt „De Standaard" — dat de gang van zaken in de jaren, die verloopen zijn sinds de stichting van den Volkenbond een teleurstelling is geweest. Het Fascisme en Bolsjewisme zijn „opgezwollen" en houden met geen recht en vrijheid meer rekening. Economisch heeft de jacht naar „autarkie" (vrijheids-en zelfstandigheidsgedachte) een politiek van verdwazing over de volkeren gebracht. Inwendig-nationaal is de vrijheidsgedachte overprikkeld en de gemeenschapsgedachte van den Volkenbond vindt daar haar grootsten tegenstand. De ontwapeningsconferentie, de economische conferentie, de ijdele pogingen om Japan in het gareel van het gemeenschapsrecht te houden, bewijzen maar al te pijnlijk, wat de Volkenbond niet vermag. „En toch moet ook hier uitkomst worden gevonden, wil de wereld niet opnieuw verzinken in het verstikkend moeras der Staten-anarchie".
De grondgedachte van het instituut van den Volkenbond moet worden gesteund. Op de gebreken moet de vinger worden gelegd. En zijn de moeilijkheden dan vele, dan moet de tijd van druk en moeite ons aansporen de .krachten te vernieuwen en te verdubbelen. „Meer dan ooit", - zoo besluit „De Standaard", is thans warme steun voor zijn grondgedachte onder ons vereischt. Tegen de harde werkelijkheid vermogen ijl en oppervlakkig pacifisme en internationalisme niets. De Volkenbond heeft thans behoefte aan nuchter denkende en warmvoelende voorstanders.
„Van zijn herdenkings-dag gaat alzoo thans de roep uit, om ons in te leven in en te doordringen van het beginsel der Staten-gemeenschap, dat als evenwaardig met en onafscheidelijk van het beginsel van de zelfstandigheid der Staten, in Gods ordinantiën van natuur en Schriftuur is gegrondvest. Dat beginsel wordt thans in het internationale leven slag op slag achteruit gezet en geschonden, ten verderve der volkeren. Het vindt zijn practische belichaming in den Volkenbond. Daarom heeft de Volkenbond recht op onzen steun en toewijding. In deze dagen van druk méér dan ooit".

EEN AANKLACHT TEGEN Dr. SNETHLAGE.
Wij herinneren de geschiedenis van ds. Faure ons nog. Dat was een rechtzinnig predikant in Rheden bij Velp, die echter omtrent de ambten in de Kerk een overtuiging was toegedaan, zooals die niet door de Hervormde Kerk, wél door de z.g.n. „Apostolischen" wordt beleden; hij begeerde en ontving in die andere „Kerk" de „handoplegging", maar wilde overigens in de Hervormde Kerk blijven  om daar te verkondigen het Evangelie van Jezus Christus. Hoewel hij zelf ten volle overtuigd was, dat hij predikant kon blijven in de Hervormde Kerk, omdat er overigens in zijn prediking en arbeid niets veranderd was, was het Provinciaal Kerkbestuur van een ander gevoelen, liet het den betrokkene niet „met zijn geweten" uitmaken, had geen „eerbied voor deze eerlijke overtuiging", maar verklaarde den betrokkene ongeschikt voor de vervulling van zijn ambtsplichten en dwong hem zijn ambt neer te leggen, maakte hem dus „broodeloos”. (1894).
Zelfs van vrijzinnige zijde is toen geen enkel protest gehoord.
Toen kwam in 1905 de procedure tegen ds. Louis Bahler, die aan het „christelijk barbarendom van Europa" het heil van het Boeddhisme kwam prediken en Boeddha hooger stelde dan Jezus Christus. Aanklachten kwamen binnen. Aanvankelijke veroordeeling volgde. Maar toen die dappere Boeddhist een verklaring gaf „dat hij zich niet bewust was, zijn beloften te hebben geschonden", toen trok men hem niet aan de ooren, opdat hij ook nog iets anders zou leeren zeggen — maar de Synode trad eerbiedig terug voor deze persoonlijke, heilige „overtuiging" van ds. Bahler, hoewel 't ging om den persoon van Jezus Christus en de redding van zielen — en de zaak was afgeloopen. Dr. Bahler bleef predikant in de Ned. Hervormde Kerk, hoewel hij de proponentsbelofte had afgelegd en den beroepsbrief geteekend, waarin verklaard wordt, dat men naar het Heilig Woord van God het Evangelie van Jezus Christus zal verkondigen, overeenkomstig den aard en de beginselen van de Ned. Hervormde Kerk in dezen lande.
In 1894 plaatste de Kerk dus haar uitspraak tegenover en boven het geweten van één harer predikanten. Niet elke „eerlijke overtuiging" liet zij passeeren. In 1905 trok de Kerk zich terug voor het geweten van één harer predikanten. Elke „eerlijke overtuiging" moet worden geduld!
Zelfs in de Kerkelijke Courant, waarin toen de vrijzinnige geest oppermachtig nog was, werd gevoeld, dat de zaak dr. Bahler „krom" zat. En de Kerkelijke Courant bracht toen een uitspraak van een zeer bekend vrijzinnige : „Heeft dr. Bahler openlijk verklaard, dat hij het Boeddhisme stelt boven het Christendom en is hy bij deze verklaring gebleven, dan had zonder twijfel ontzetting uit zijn ambt daarop moeten volgen en niets minder.”
Deze vrijzinnige aanvaardde „leertucht". Deze vrijzinnige verklaarde „zonder twijfel" dat „ontzetting uit zijn ambt" moest volgen.
Maar het bleef uit
Nu is er een allerknapste, maar allerwonderlijkste dominé dr. J. L. Snethlage, Ned. Hervormd predikant te Oyen, bij 's-Hertogenbosch, die het Bolsjewisme en het Leninisme komt aanprijzen en prediken als religie.
We zullen eens zien hoe nu in 1933 deze aangelegenheid behandeld zal worden.
Ieder, zonder onderscheid, vrijzinnig en rechtzinnig, is in den grond van de zaak er van overtuigd, dat er geen leervrijheid in de Hervormde Kerk is, dat niet maar zonder meer „voor elke overtuiging" in de Hervormde Kerk plaats is ; dat het Boeddhisme er niet thuis hoort; dat zeker ook het Bolsjewisme als religie niet beschouwd kan en mag worden als een christelijke religie, die in geest en hoofdzaak overeenstemt met de leer der Hervormde Kerk.
Daarover zijn we het eigenlijk, wanneer ieder eerlijk z'n meening zegt, allen eens.
Maar nu de practijk!
Zal men nu eindelijk eens tot de overtuiging komen over heel de linie, dat we bezig zijn om de Hervormde Kerk als Kerk te vermoorden? Daarvoor is toch nooit een Kerk gesticht en daarvoor kan toch op den duur geen Kerk leven, dat de allerzonderlingste en allertegenstrijdigste dingen maar worden opgedischt en dat ieder er dan maar genoegen mee nemen moet!
De Kerk wil en moet toch getuigen van hetgeen haar heilig en waarachtig is, hetgeen zij zelve van den Heere ontvangen heeft, hetgeen naar Gods Heilig Woord is en in haar midden leeft als het ééne, ware Evangelie van Jezus Christus tot zaligheid voor een iegelijk, die gelooft.
De Hervormde Kerk moet zijn en meer en meer worden een Kerk, die het Evangelie van Gods genade in Christus ronddraagt onder de menschen ; wier karakter aanstonds in het oog springt; wier aard en wezen niet verlborgen is onder de kinderen van ons tegenwoordig geslacht. Een zoutend zout en een lichtend licht.
En als men zou zeggen — gelijk er gezegd wordt — dat het nu toch waarlijk geen tijd is, om over „leergeschillen" te gaan praten, nu er zoo groote behoefte is aan éénheid en samenbinding en liefde en geenszins aan verdeeldheid, twist en tweedracht — dan zeggen we met al den ernst die in ons is : deze ongelukkige tijd heeft behoefte aan een Kerk, die niet met twee aangezichten wandelt, die niet tegelijk ja en neen zegt, die niet tegelijk waarheid en onwaarheid predikt, maar die in de kracht des Geestes uitkomt voor het Evangelie van Jezus Christus en dat Evangelie van Gods genade kent als haar grootste schat en dat Evangelie predikt met al de liefde van haar hart; predikende Jezus Christus en dien gekruist, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
Daarvoor moest nu eens opening gemaakt worden tot heil van de Kerk, tot zegen voor het volk!
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's