VAN DEN WOORDE GODS
Uit het ongeschreven Woord.
Genesis 4 : 13, 14. En Kaïn zeidE tot den Heere : mijne misdaad is grooter dan dat zij vergeven worde. Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn ; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
XXXII.
2e Serie.
De koninklijke dichter der Spreuken geeft eene eigenaardige teekening van den psychologischen toestand, die met den haat gepaard gaat. Hij laat het licht opgaan over de innerlijke ontwrichting, die de haat; veroorzaakt. De haat kan gepaard gaan met een schoon schijnend gelaat, zelfs met vriendelijke woorden, die in schrille disharmonie zijn met hetgeen er leeft in de ziel. Die haat draagt, zegt de Prediker, houdt zich vreemd met zijne lippen, maar in zijn binnenste smeed hij bedrog. En daarom, zoo voegt hij er aan toe, geloof hem niet, als hij smeekt met zijne stem, „want zeven gruwelen zijn in zijn hart." Door deze zeven gruwelen wordt de volkomenheid van het zedelijk verderf ons gekenschetst, dat zijn hart verderft. Aan deze beschrijving beantwoordt nu deze Kaïn geheel. Zeven gruwelen waren in hem. Was hij niet begonnen met eene offerande, waaraan geloof en ware vreeze Gods ontbrak ? Ja, zoo begon hij. En daaraan voegde hij nu ten tweede toe eene verbolgenheid, omdat God zijn offer niet aanzag. Zijn oog bleef dus gesloten voor de gerechtigheid Gods. Daarom, en dit is zijn derde gruwel, hij hoorde niet naar de vermaning Gods en bleef doof voor de waarheid, omdat hij zich verstokte in zijne zonde. Tegenover zijn broeder sprak hij met een valsche tong, die ontstoken was aan de hel. En dit was zijn vierde gruwel. En daarbij doodde hij hem verraderlijk in het veld en bedreef de misdaad, waarvan hij later zelve zou belijden, dat zij te groot was om er vergeving over in te wachten en stond alzoo met zijn vijfde gruwelstuk. En daarbij voegde hij nu zijne zesde euveldaad door den Heere te liegen en zich voor te willen doen, alsof hij niet wist, waar zijn broeder was, noch wat er met hem was geschied. En daarbij sloot nu aan het zevende kwaad, dat hem voorgoed afsneed van den Heere zijnen God, hoewel Deze aan hem arbeidde en woorden der ontdekking tot hem sprak, want hij smeekte niet om genade, om vergeving der zonde, om uitdelging van het bedreven kwaad. Hij kende dus geene hope op God en verviel tot vertwijfeling en zonk weg onder het oordeel des duivels.
Naar waarheid kon dus van Kaïn gezegd worden, dat zeven gruwelen waren in zijn hart. Hij staat als een volkomen verdorven zondaar, als het afschrikwekkend voorbeeld, aan het begin van de geschiedenis der menschheid, opdat de eeuwen na hem zouden weten, hoe vreeselijk de zonde van den broedermoord is en de haat in zijne gevolgen voor hem, die er zich aan overgeeft en een slaaf wordt van de booze hartstochten, die geboren worden uit de ongerechtigheid onzer ziel.
Kaïn bekende zijne diepe ellende door haar te omschrijven als „grooter dan dat zij vergeven worde" en dus ook als grooter dan dat hij haar zou kunnen dragen. Dit toch gaat gepaard met eene misdaad, die als onvergeeflijk wordt omschreven, dat zij voor den mensch zelven ondragelijk moet wezen. Daarin is dan ook het ontroerende leed, dat hun wacht, die vallen onder het oordeel des apostels, als hij hen, die willens zondigen, nadat zij de kennis der waarheid ontvangen hebben, bedreigt : „hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zei hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan ? " Daarvan is Kaïn een blijvend exempel, dat ons het vreeselijk leven voorstelt van den mensch, die de genade Gods niet als zijn laatste toevluchtsoord leert kennen en in het starre ongeloof verhardt.
En nu wordt ons geleerd, hoe deze Kaïn zich gedraagt onder Gods recht. Zijn vonnis is hem duidelijk geworden. Hij weet wat het lot zal zijn, dat hem wacht en hij herhaalt het als in zichzelven en toont daarmede, dat hij een juist inzicht heeft in den toestand, waarin hij van nu aan verkeeren zal. De Heere had gezegd : „gij zijt vervloekt van den aardbodem" en ook dat deze zijn vermogen hem niet meer zou geven. En het gevolg daarvan zou wezen : zwerven en dolen, eeuwige onrust. En nu omschrijft Kaïn dat vonnis aldus : „Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn". Daar wordt ons Kaïn geteekend als zich beklagend over het harde lot, dat hem werd opgelegd. Daar is in dit woord de opstand en het verzet van den man, die weigert onder God te komen. Van de aarde weet hij zich verstooten, terwijl hij er zich van bewust is, dat het onherroepelijk oordeel hem voor immer van alle hope op ontferming uitsluit. En zoo staat hij met de ontroerende klacht, dat hij, wanneer de aarde hem niet wil dragen en de Heere Zijne hand van hem aftrekt, welk een reden van bestaan hem dan eigenlijk nog over was gebleven ? Uitgeworpen door de aarde, die den broedermoordenaar geen rustoord bieden kan, zou hij aan de andere zijde ook voor Gods aangezicht verborgen zijn. De Heere zou aan Kaïn Zijn aangezicht niet meer doen lichten. Daarom zou Kaïn's weg in duisternis zijn en gemeenschap met God zou hij niet mogen kennen. Als hij door zielenooden werd gedrukt, de weg des gebeds zou hem afgesloten zijn, als er een schreiende behoefte in hem leefde om toch redding te mogen ontvangen, liij zou blijven opgesloten binnen den kring van eigen zondaarshart. De Heere had toch alle bemoeienis met hem afgesneden en Kaïn zou een geestelijk leven kennen, waarin het hem van dag tot dag voor oogen stond, dat Hij den Heere niet meer zou ontdekken, dewijl Zijn aangezicht verborgen moest blijven achter de donkere wolken zijner vreeselijke misdaad. Hij zou dus moeten leven zonder God in de wereld, zonder hope voor den tijd, zonder uitzicht in de eeuwigheid. De aarde en de hemel beide werpen dezen Kaïn uit.
Dat is het ontroerend lot, dat hem treffen zal. En Kaïn ziet het in. Het is hem klaar geworden, wat het loon der ongerechtigheid is en hij staart in den donkeren nacht zijner verlorenheid en trekt nu zijne zielskracht samen in een hopeloozen opstand tegen God, Hij is zich bewust van de noodwendigheid, waaraan hij zich niet ontworstelen kan, maar ook van zijn geweldigen onwil, waarvan hij niet aflaten kan, want dit is ten slotte de toestand, waarin de zich verhardende, onbekeerlijke zondaar geraken moet. En ook daarin is er eene overeenkomst met Gods kinderen in den weg hunner ontdekking. Deze Kaïn leert diep gevoelen zijne vijandschap en de gevolgen, die zij hem baarde. Hij werd door den vloek over zijne misdaad geslagen in de boeien van een noodlots-gevoel; in de klem eener noodwendigheid, waaruit hij besefte zich niet te kunnen verlossen. En toch bruiste al wat in hem was daartegen op, want hij weigert onder God te komen, zich te vernederen onder Zijne krachtige hand. Hij verstokt zijn hart en in machteloozen onwil staat hij op tegen Gods oordeel. Hij komt niet als een Job om zijn Rechter om genade te bidden. Hij rammelt met de ketenen, waarin hij is geklonken, zou ze willen afschudden, maar zinkt terug telkens en telkens in de kuil der verlorenheid, waarin hij is gevallen. En van Gods genade kent hij niet meer en wil hij niet meer kennen, want God was het immers, die het oordeel aankondigde en over hem voltrok. En in dezen toestand blijft nu Kaïn, is hij gedoemd te blijven.
Daarin blijkt nu juist het diepgaand onderscheid met Gods kinderen. Ook deze worden in den weg der ontdekking tot de ware kennis hunner zonde gebracht. Hunne gerechtigheid wordt als een wegwerpelijk kleed. Als een Paulus leeren zij hetgeen hun gewin scheen, schade en drek achten, opdat zij den Heere Jezus zullen deelachtig worden en in Hem gevonden mogen worden niet hebbende hunne gerechtigheid, die uit de wet is, maar die uit het geloof van Christus is. In dien weg der levendmaking komt er het oogenblik, dat als een pendant van Kaïn's lijdensweg kan worden aangemerkt, als zij gebracht worden voor den tweesprong van niet kunnen en toch moeten, voor de paradoxale tegenstelling tusschen eigen onvermogen tot het ware goed en den goddelijken eisch : volmaakt te zijn, zooals de hemelsche Vader volmaakt is. Maar dan wordt ook het verschil klaar, dat er is tusschen den onbekeerlijken, natuurlijken zondaar, die zich verhardt en het kind des Heeren, dat verteederd wordt door den Heiligen Geest. Die de Kaïn's natuur omdraagt, breekt los in opstand en verzet, openbaart de volle kracht van zijn ongeloof. Maar Gods kind wordt verbroken van hart en in zijne ziel komt de bede op : „Heere, wederbaar mij door Uwen Heiligen Geest". Het kind des Heeren toch leert verstaan, dat er alleen zaligmaking is door eene daad van wondere genade Gods, Daarom leidt de Heere hem dan ook tot aan de voeten van den Heere Jezus, opdat hij in Hem de gerechtigheid zal ontvangen en zijn geweten zal gereinigd worden van doode werken om den levenden God te dienen. Daarvan is echter bij Kaïn geen sprake. Hij spant zijne zielskracht saam, zich verhardende tegen dien God, die zijne zonde hem voorlegt, Zijne oordeelen hem aankondigt, opdat Kaïn nog tot inkeer komen en zich verootmoedigen zal. En het einde zal zijn, dat zooals de wateren van den Oceaan hunne schuimende baren doen woeden tegen de kusten, om altijd weder terug te deinzen en duizendvoudig te breken tegen de onwankelbare rotsen, die alle orkaankracht tarten, zoo moet ook Kaïn ervaren, dat de Heere die de wateren der zee vergadert, den afgronden schatkameren stelt, de gansche aarde voor Zijn aangezicht doet vreezen, zijne gedachten breken zal en wat hij zich heeft uitgedacht, zal vernietigen. De opstandige Kaïn wordt nedergeworpen door zijn God. De aarde stoot hem uit en de Heere zal Zijn aangezicht voor hem verbergen en hij zal alleen zijn met zijne verlorenheid.
Zoo bereidde dus de Heere bij den aanvang der geschiedenis reeds een diep inzicht in het geestelijk leven des zondaars. Hij laat aan de eerste menschheid reeds zien het diepgaand onderscheid tusschen de ware vreeze Gods en den valschen schijngodsdienst, die den zondaar eenzaam laat met zijne eigengerechtigheid en vleeschelijke vroomheid en onbekeerlijkheid. Van den beginne openbaart de Heere de diepe gronden van zonde en genade, gunt Hij ons een blik in die verborgenheden, die de zondaar zielkundig doorleven kan. De Heere geeft dus, voordat er nog een geschreven Woord aan de menschheid is toegekomen, voordat er nog zelfs van eene gemeente kan worden gesproken, omdat er slechts een enkel gezin nog is geboren, aan de menschheid reeds een practikaal beoefende levensles mede. Hij ontdekt haar onder Kaïn's exempel het ontroerend drama, dat zich in de zondaarsziel afspeelt, wanneer hij weigert zich voor Gods aangezicht te verootmoedigen. Er blijkt uit, dat het Woord des Heeren een ontdekkend Woord is, dat het licht der waarheid doet opgaan over en in de donkere schuilhoeken des harten. Van den beginne aan zal de menschheid moeten weten, dat Zijne oogen zien naar waarheid, dat Hij alleen God is en niemand meer. Het is die zedelijke opklaring van het menschenhart, die ons in Kaïn's geschiedenis wordt gegeven, die haar stempelt tot een verdere rijkere ontwikkeling van des Heeren openbaring. Met de verrijking der genade, die er in wordt ontsloten, wordt er ook diepere ontdekking voor de gronden onzer verlorenheid in gegeven, opdat in de eeuwen, die komen, Gods gemeente zal leeren, dat haar noodig is eene dagelijksche beproeving des geloofs, een dagelijks zoeken van des Heeren aangezicht, opdat hare bekeering tot God waarachtig zij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's