KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE SACRAMENTEN: DOOP EN AVONDMAAL en
DE VRIJZINNIGE HERVORMDEN (4).
Nu nog iets over 't Avondmaal. In Cor. 11 : 23—25 vinden we — schrijft ds. Beversluis — het oudste getuigenis. Hij leest daarin, dat we te doen hebben met een plechtigheid „ter gedachtenis van Christus" ; „een gemeenschapsoefening met Christus" en „een gemeenschapsoefening in Christus met elkander".
Bij Rome is het door de leer van de „wezensverandering van brood in vleesch en van wijn in bloed, een ontbloedige herhaling van het bloedig offer van Christus geworden", 't Is daar dus offer. En het Protestantisme heeft dat een „vervloekte afgoderij" genoemd. Maar „bindt het zelf óók aan het leerstuk van de offering van Christus als een verzoening voor onze zonden" (blz. 14). Zoowel de Catechismus in Zondag 30, als ook het Formulier om het Heilig Avondmaal des Heeren te bedienen, doet dat.
Het leerstuk der verzoening door Christus' offerdood ligt aan het Avondmaal ten grondslag.
Breede aanhalingen uit het Formulier kunnen dit klaar toewijzen.
Ds. Beversluis vervolgt dan :
„Deze verbinding van het Avondmaal met het leerstuk der verzoening in ouden zin" (wat verzoening in nieuwen zin is, begrijpen we niet goed ) „heeft de vrijtzinnigen afwerend doen staan tegenover dit sacrament".
Afwerend. Dat is dus met een handbeweging, om te zeggen : daar moeten we niets van hebben
Maar — zoo schrijft ds. B. — „dat is te betreuren, want het Avondmaal heeft ook voor vrijzinnigen, ook naar zijn oorspronkelijke beteekenis, diepe waarde".
Doch wat is dan de waarde en de beteekenis, welke de vrijzinnigen aan het Avondmaal moeten hechten ?
„Er is geen reden voor de vrijzinnige christenen niet alle nadruk te leggen — bij het gedachtenismaal — op de beteekenis en diepen zin van Christus' kruis".
Nu zal het komen. Nu zal het komen, wat de diepe zin en beteekenis van het kruis van Christus is voor de vrijzinnigen Och, arme !
En we willen het wel uitspreken, dat we ons hier het meest geërgerd hebben aan de manier waarop gespeeld wordt met woorden.
Want door héél het Nieuwe Testament en in heel het Avondmaalsformulier komt het kruis van Christus in een bepaalde heteekenis voor. En wel in de beteekenis van de verzoening door Christus' offerdood. Daarbij denkt heel de Kerk van Christus van alle eeuwen tot op dezen dag : Roomsch-Luthersch-Gereformeerd te zamen, niet anders bij 't kruis van Christus dan om de verzoenende 'kracht van het .bloed van Hem, die gestorven is voor onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. En dan gaan de Vrijzinnigen in de Hervormde Kerk, onder de schijnbeweging van vast te houden aan de oude voorstelling, met aanhaling van b.v. het gezangvers (209 : 4) „In uw Kruisdood meegekruisigd sterven, en herboren — opgestaan, achter U ten hemel gaan" — alles herleiden tot: wie zich bij Christus aansluiten wil, die verloochene zich zelven, neme zijn kruis op en volge hem" (blz. 15). „Ons herdenken van Christus' dood is inleven in zijn leven, zijn persoonlijkheid, zijn heiligende verlossende kracht".
„Verstaat ge nu" — zoo schrijft ds. Beversluis aan 'z'n geestverwanten — „de diepe zin van het symbool van het nuttigen van brood en wijn als teekenen van Christus' leven en lijden ? Het spreekt van een contact, dat er zijn Tian, 'van een zich toeeigenen, van in eigen leven opnemen van Zijn heilig leven en persoonlijkheid. Het versterkt de 'band, die ons als gedoopten en leden der gemeente met Christus verbindt". Hier is die algeheele verwaarloozing van het stuk der rechtvaardigmaking, uit louter genade om Christusi' wü. En hier is een totale verbastering van de heiligmaking. Hier is het humanisme in de plaats gekomen van het Christendom, het humanisme mei christelijke symbolen en gebruiken, waarvan evenwel de zin en beteekenis absoluut niet wordt verstaan, daar Christus als Martelaar optreedt in plaats van als Middelaar, als Voorbeeld inplaats van Verlosser en Zaligmaker.
Absoluut vreemd is aan deze vrijzinnige beschouwing wat het Avondmaalformulier zegt aangaande het gedenken van den dood van Christus. Dat immers op een bepaalde wijze moet geschieden : „Eerstelijk, dat wij gansch en al in onze harten vertrouwen, dat onze Heere Jezus Christus van den Vader in de wereld gezonden is den toorn van God voor ons gedragen en alle gerechtigheid voor ons vervuld heeft". „Want door Zijn dood heeft Hij de oorzaak van onze eeuwige kommer, namelijk de zonde, weggenomen en ons den levendmakenden Geest verworven enz."
Van deze dingen lezen we niets bij de, vrijzinnige-Hervormden ! Al gebruiken ze woorden, die er op gelijken
Daarom is het aanzitten aan den disch des Verbonds bij de Vrijzinnige-Hervormden ook heelemaal niet: „En opdat wij vast zouden gelooven, dat wij tot dat genadeverbond behooren enz." Maar het wordt een „broederschapsgedachte", die in die gemeenschappelijke maaltijd, met die gemeenschappelijke schotel en beker spreekt.
„Zoo is ook ons lid worden van de Kerk uitdrukking van een innerlijk verlangen en streven christen te willen worden en te willen zijn".
„Zoo wordt elke avondmaalsviering een hernieuwing en versterking van het verbond, dat wij sloten toen wij tot de gemeente toetraden". „En omdat het leven zoo verslappend werkt zal het ons tot zegen zijn telkens weer bewust het oude vuur te wekken, de oude banden te vernieuwen. Daartoe klinkt de noodiging : „schaart u om den disch des Heeren".
„Het avondmaal Is het symbool van ware christelijke gemeenschap" (blz. 17).
Het komt ons voor, dat de vrijzinnige-Hervormden èn bij het Sacrament van den Heiligen Doop — tot wijdingssymbool verlaagd — èn bij het Sacrament van het Heilig Avondmaal — tot gedachtenismaal en gemeenschapsmaaltijd terug gebracht •— het wezen van het aloude christendom hebben verloochend. Christus, de Heiland, de Middelaar, de Zaligmaker is een andere Christus geworden. En daarom spreken ze wel van Christus, van geloof in Christus, maar zij bedoelen wezenlijk iets anders, dan het waar, zaligmakend geloof van den christen inhoudt. De hoofdlnhoud van Woord en Sacrament is losgelaten : „dat Hij ons vanwege het eenige slachtoffer van Christus aan het Kruis volbracht, vergeving der zonde en het eeuwige leven uit genade schenkt" (Cat. Zondag 25).
Als ds. Beversluis dan ook z'n brochure besluit met deze woorden : „Doop en Avondmaal spreken beide op eigen wijze van de grondslag, het wezen van ons christelijk geloof : Christus" — dan is dat in zooverre waar, dat Schrift en belijdenis ons dat leert, dat zulks in „de leer der Hervormde Kerk" zekerlijk begrepen is, maar de vrijzinnige-Hervormden hebben het losgelaten en verworpen.
„Wij willen ze laten spreken het woord van het geloof in Christus van alle tijden, ze laten spreken tot den mensch van dezen tijd" — is de laatste zin van de brochure. Maar in dat spreken falen de vrijzinnige-Hervormden.
Zij hebben er iets anders van gemaakt.
Wat zij spreken tot den mensch van dezen tijd is niet de taal van Schrift en belijdenis, is niet het Evangelie van Jezus Christus, ons tot zaligheid geopenbaard.
In de vrijzinnige leer blijft er niets over van het heerlijk, rijk Evangelie des kruises, dat wij duur gekocht zijn, niet door zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van het onstraffelijk Lam.
En dan kan er geen gemeente des Heeren geboren worden om zich te openbaren tot heerlijkheid Gods en tot zegen voor den naaste. Dat kan alléén maar, wanneer er een volk verlost wordt, dat roemen mag in het Kruis en dat zeggen mag : „wij zijn uit onze ellendigheid, zonder eenige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost — en Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, vernieuwt ons ook door Zijnen Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld, opdat wij ons met ons gansche leven Gode dankbaar voor Zijne weidaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde.
Dan zullen we zelf uit de vruchten van ons geloof verzekerd worden en door onzen godzaligen wandel kunnen ook onze naasten voor Christus gewonnen worden ! (Zondag 32).
EEN DONKER VERSCHIET.
Z.Ex. Generaal L. F. Duymaer van Twist heeft op den Bondsdag van onze Hervorme Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden Grondslag, op Hemelvaartsdag te utrecht gehouden, over bovenstaand onderwerp gesproken. We nemen hier gaarne over wat de Courant ons daaromtrent te lezen gaf :
„Een donker verschiet!. De morgenstond is gekomen maar nog is het donker. Dat is het beeld van onzen tijd. De mannen van wetenschap produceeren nieuwe uitvindingen. De cultuur ontworstelt zich aan de duisternis van den nacht. Maar ondanks dit liggen de problemen nog als een duisternis om ons heen. De graanvoorraden in Amerika, de koffie-opbrengst in Brazilië worden zomaar verbrand. Zoo zouden we kunnen voortgaan. Groote massa's landbouwproducten gaan naar de mestvaalt. In deze chaos kunnen de mannen van wetenschap geen orde brengen. De morgenstond is wel gekomen, doch het is nog nacht. De Heere is met Zijn oordeelen op aarde. De mensch heeft God de rug toegekeerd. Ook ons land wordt door de crisis ernstig geteisterd. Is het wonder dat de nood de harten aangrijpt. Handel en nijverheid, scheepvaart en industrie ondervinden de gevolgen der malaise.
Het milieu van dezen dag leent er zich niet toe hier dieper op in te gaan. Gij verlangt iets te hooren dat uw levensinzicht kan verdiepen. Daarom ga ik u wijzen op de geestelijke inzinking, die van grooten omvang is. Die geestelijke depressie dateert niet van vandaag of gister. Duizenden geven hun kerkelijke gemeenschap prijs, en het aantal godsdienstlooze personen neemt ontstellend toe. De statistieken melden dat in Amsterdam het aantal Hervormden met de helft terug liep sinds het begin van deze eeuw, terwijl het aantal godsdienstloozen verdriedubbelde. Deze ontstellende cijfers toonen het feit van de geestelijke depressie sinds jaren. Hier is een symptoom aanwezig dat wijst op geestelijke verslapping. En in de slechte oeconomische toestand vindt deze gesteldheid een gunstige voedingsbodem. Er zijn thans in Europa dertig millioen werkloozen. Het op breeder schaal rationaliseeren van de bedrijven verergert dezen toestand. Maar met dit al wordt het dus steeds moeilijker om een plaats in de maatschappij te veroveren.
Al zou deze crisis komen te eindigen, dan zal toch het werkloozenvraagstuk een permanent probleem zijn. Er is geen profetische blik voor noodig om de toekomst als een donker verschiet te zien. Te willen en niet te kunnen werken is het ergste wat op dit ondermaansche kan gebeuren. Men wordt zoo aan de degeneratie overgeleverd. Ja, de toekomst is wel donker ! Zullen wel altijd de gelden beschikbaar kunnen blijven worden gesteld voor steun, werkverruiming etc. ? Wij willen alleen maar constateeren dat wij in donkere tijden leven. De gevolgen hiervan komen tot openbaring in allerlei verschijnselen die tégen het beginsel van het Christendom optornen. Zoo zijn er de verwildering der zeden en de stroomen die het Christendom vernietigen willen. Men wil, de dam van zedige voorschriften doorbreken. Hierover zouden ontstellende mededeelingen te doen zijn. Een zesdaagsche Wielerwedstrijd en de sensatiewoede van records geven er een voldoende beeld op. Reeds vele jaren was het symptoom van verval waar te nemen, maar, zooals dr. Colijn zei, de kracht van traditie als rem voor ingetogenheid van hart is meer en meer losgeraakt door werkloosheid.
Dit alles moet voor de jonge man een ernstige waarschuwing zijn. De kloekzinnige ziet het kwaad.
De zedelijkheid is niet los te maken van de religie, anders komt de moraal op het hellende vlak naar den afgrond.
Over de geestelijke stroomingen die moeten werken op de harten van jonge menschen, zij er vooral het beginsel van weerloosheid en het nationalisme. Het eerste wordt geboren uit defaitisme. Hiertegen verzet zich het nationalisme. Als men nuchter is en goed onderscheidt zal men niet meegaan met de consequente weerloosheid. Op grond van Gods Woord hebben wij het vredesrijk niet op aarde te verwachten. Dit zal pas komen in de nieuwe bedeeling. De overheid behoeft het zwaard en dit beginsel mag niet ondermijnd worden.
Het nationalisme is iets heel anders dan gevoel voor het vaderland. Het is de samenvatting voor stroomingen als fascisme, etc. Het is de reactie tegen menschen die de jeugd opriepen zonder gezag. Men wil weer iemand hebben die met autoriteit boven hen staat. Geen woorden meer, maar daden wil de hedendaagsche jeugd. Men wil het gezag van den sterken man, dien men dan bewierookt. Ons land moge voor de proefnemingen van deze stroomingen bewaard blijven !
Het fascisme kant zich tegen het Christelijk wereldbeginsel. Het is revolutionair, omdat het verwerpt de souvereiniteit Gods. Het kruis van den Christus wordt misbruikt voor aardsche doeleinden. De kerk moet buigen voor den Staat, en zending onder de Joden is den Duitschers verboden. Is het wonder dat het geloovige deel van Duitschland in verzet gaat komen ? Voor onze jonge mannen is bij deze stroomingen geen plaats. Zij hebben de eere Gods op alle terrein van het leven naar voren te brengen.
Jongemannen, het zijn zware tijden. Het verschiet is donker voor de heele wereld, en ook voor ons land. In de Schrift lezen wij dat toen Christus in het schip geklommen was, de wind bedaarde. Dat is het beeld dat wij ons in dezen tijd voor oogen willen stellen. Hier ligt het contact tusschen Hem en Zijn Bruidskerk. Als de jongelingen zich tot den wachter wenden en vragen : „Wachter wat is er van den nacht ? " zullen zij een benauwend antwoord hooren. Maar, de Heere regeert. De aarde verheuge zich. Het is Paaschmorgen geweest en als de Heere ons het leven schenkt zullen we ook Pinksteren vieren. Deze dagen sterken ons. Wij zullen bemoedigd voorwaarts gaan. Ik zal het voor U maken, zegt Christus".
WERELDGELIJKVORMIGHEID,
Men verzoekt ons opname van het referaat dat ds. J. A. van Nie van Hoogeveen gehouden heeft op de Jaarvergadering van den Bond van Ned. Herv. Meisjesvereen. oip Geref. Grondslag (Presidente : Mevr. A. v. d. Wal—van Walsum van Wageningen. Secretaresse : Mevr. A. A. E. Mulder—Rupke te Huizen N.H.)
Ds. van Nie sprak ongeveer als volgt: „Het gelijkvormig worden aan de wereld wordt slechts éénmaal in de Schrift in waarschuwenden zin gebruikt. Toch hebben we het woord wereldgelijkvormigheid meerdere malen in den Christelijken kring. Het woord is ons dus zeer goed bekend. Mogelijk is wereldgelijkvormigheid een zonde juist van dezen tijd, zoodat dit woord speciaal in dezen tijd telkens waarschuwend moet worden gebruikt. We moeten een woord dat slechts éénmaal in de Bijbel voorkomt toch steeds zien in het verband waarin het voorkomt en het niet gebruiken zooals het in onze kraam te pas komt. Spr. gaf daarna het tekstverband aan. De opmerking van Paulus : Wordt de wereld niet gelijkvormig is een aansporing tot Christelijk leven. Wij moeten de Verbondsgedachte vasthouden. Men maakt vaak menscheiijke regels die men naast en boven de wet stelt en wanneer deze niet worden opgevolgd zegt men dat dit wereldgelijkvormigheid is. Spr. gaf daarvan voorbeelden. Terwijl men bepaalde dingen veroordeelde, liet men andere dingen toe. Vanuit de Verbondsgedachte moeten we bezien of we bloot staan aan wereldgelijkvormigheid. In deze wereld moet de Gemeente van Christus in de eerste plaats zijn de hoorderes en de draagster van het Woord Gods. God spreekt ons aan en doet een beroep op ons geloof. Slechts in het gelooven hooren we Gods roepende stem. God maakt aanspraak op Zijn gemeente, op ons. Hij zegt tot ons : „Gij zijt van Mij". We kunnen nooit zeggen dat we met God niets te maken hebben. Als we de roeping Gods verstaan, de aanval tegen ons geloof weerstaan, dan buigen we voor den Heere onzen God. Gods openbaring is immer een wonder; het is een ingaan van den Schepper in Zijn schepsel. De Gemeente is draagster van Gods Woord en dus Zendingsgemeente. Als de Gemeente daarin faalt dan is ze wereldgelijkvormig geworden. En helaas heeft de gemeente dikwijls gefaald. De Gemeente is te weinig Pinkstergemeente ; zij leeft te weinig uit het geloof. Te vaak wordt alleen nadruk gelegd op een Christelijke levensbeschouwing en te weinig op een leven uit den dienst van God. De hoofdzaak moet de hoofdzaak blijven en de hoofdzaak is 't geloof in God : het weten God is in Christus onze Vader
We hebben steeds te worstelen met Gods bestel in de wereld en te bidden met vollen ernst: Heere wat wilt Gij dat ik doen zal. Men vergeet te dikwijls dat het Koninkrijk des Hemels er wel is maar ook nog komen moet. We hebben te vaak onze aandacht geconcentreerd op het doen komen van Gods Koninkrijk in deze wereld en verliezen dan uit het oog dat het komen zal met de wederkomst van Christus. Te vaak ziet men de Kerk als een vereeniging tot bevrediging van godsdienstige behoeften. Dit is wereldgelijkvormig in den volsten zin des woords, Het is merkwaardig dat in kringen waarin de wereldgelijkvormigheid ten opzichte van de Kerk het grootst is, het meest gewaarschuwd wordt tegen wereldgelijkvormigheid ten opzichte van uiterlijke dingen.
Het klinkt vroom als men na een kerkgang zegt: de Heere heeft het gesloten voor me gehouden; er was geen opening. Maar dit is dan wereldgelijkvormigheid. Als men de Verbondsgedachte laat vallen dan maakt men het kerkgaan tot een kansspel: „Zou ik een woordje voor mijn ziel krijgen of niet ? "
Wereldgelijkvormigheid is de lijdelijkheid als we zeggen : ik wacht maar af. Als we zoo spreken dan maken we geen ernst met onzen Doop. Als de Gemeente dat zoo zag, dan zou ze beter in staat zijn later haar roeping te vervullen als draagster van het geloof in dezen tijd. De Kerk vergeet te veel dat we in dezen tijd zeer snel leven. De jonge menschen hooren erbij en de Kerk moet tot hen gaan en hen verplichten ernst te maken met hun Doop. Er wordt veel te veel getheoretiseerd en getheologiseerd, maar de Kerk is veel te weinig openbaringsgetuige en daarin is ze wereldgelijkvormig.
Hoe moeten we er voor zorgdragen dat onze Meisjesvereenigingen een Evangeliseerend karakter hebben ? Gebed en schuldbelijdenis zijn noodig. We kennen te weinig den nood der wereld. In veroordeelen van anderen zijn de Christenen van dezen tijd al heel veel gevorderd, maar in dien weg kunnen we niet het Evangelie brengen. Dat kunnen we alleen doen in 't gemeenschappelijk koesteren van hoop.
Wij hebben recht. God heeft de hand op ons gelegd en gezegd : gij zijt van Mij. Dat maakt de zaak voor ons niet lichter. Maar wij gevoelen in dank dat we Christus ons loruis achterna dragen.
Gods Vaderhand grijpen wil zeggen : eerst gegrepen te zijn door Hem en van Hem geleerd hebben het te zeggen : „Onze Vader, Die in de hemelen zijt". Onze nood te dragen voor God, onze nood te dragen achter Jezus aan, dat is onze levensroeping en al het andere is wereldgelijkvormigheid. Daartoe moeten we opwekken in ons vereenigingsleven. Dan zal dit ten zegen zijn voor ons vereenigingsleven en voor onze Kerk. Dan zal dit ook een zegen zijn voor de wereld".
De vice-presidente, mej. van Willigen, van Rotterdam (IJsselmonde) dankte den referent zeer voor zijn referaat, waarin hij heel wat kostelijke gedachten had neergelegd, gedachten welke waard zijn om besproken te worden op de vereenigingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's