JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
In een ander, minder ernstig geval zoU de dokter om deze woonden hartelijk gelachen en geantwoord hebben : „maar je man is geen koe, en ik ben geen beestendokter" ; doch hier hoUdt hij zich stil, omdat hij wel merkt, dat vrouw Brandsma geheel van streek is, en eigenlijk niet weet wat zij zegt, en ook, omdat hij het met de familie op heeft. Hij mocht Brandsma graag vanwege zijn eerlijk, rondborstig karakter, en omdat hij zoo resoluut in alles was.
„'t Geeft hier niets." — „Kunnen wij dan niks meer doen ? " — „Op het oogenblik niet. , Zijn de kinderen gewaarschuwd? ”
— „Och heden, neen ; 'k wou het gister al gedaan hebben, maar de boer was er tegen, 't Zal izóo wel weer overgaan zéi hij, en dan hebben zij zich maar voor niets ongerust gemaakt. Die stumperds."
„Wil ik op den bruine er op uit gaan, vrouw, om ze te halen ? " vraagt de knecht, die bij den schoorsteenmantel staat, en zoo nu en dan een vreesachtigen blik naar de bedstee werpt, waar hij voor het eerst van zijn leven een mensch ziet sterven.
De dokter oordeelt echter, dat het beter is hier te blijven, 't Kan zijn, dat zijn tegenwoordigheid van nacht hier meer noodig is.
Zoo kruipen de uren voorbij. Vrouw Mollema heeft de kachel 'n weinig opgepookt, terwijl Jap voor een kopje thee zorgt en tevens een warme stoof voor de vrouw klaar maakt, die nog altijd als gebroken naast het bed zit. Dikwijls vouwen haar handen zich tot het gebed : als haar man toch niet weer beter wordt, dat hij dan maar voor verdere benauwdheid bewaard mag blijven. Over zijn zieletoestand is zij niet bekommerd, die is in orde, omdat hij een gekende des Heeren is, die door genade Hem gevonden en daarna in alle oprechtheid, heel zijn verder leven, gediend heeft. Ook over haar eigen toekomst, en wat de gevolgen zullen zijn als deze oogen zich hier voor altijd zullen hebben gesloten, denkt zij niet. Als haar oude man maar niet zooveel behoeft te lijden.
En telkens beluistert de dokter den hartslag en ademhaling, en merkt met kennersoog aan de kleur van het gelaat en aan het gebroken oog, hoe de dood al meer naderbij komt en het oude lichaam wordt gesloopt.
In den morgenstond, als het oosten door de eerste lichtstrepen van den komenden dageraad gekleurd wordt, komt er verandering. Tegen zijn gewoonte in is dr. Hannema er bij gebleven en heeft naast de kachel plaats genomen in den grooten rie ten stoel, door Jap voor hem uit de opkamer gehaald. Fluisterend wordt nu en dan een woord gesproken en door enkele bijzonderheden uit de laatste dagen opgemerkt, dat het eigenlijk al eenigen tijd niet goed geweest ds met den boer.
Opeens valt het allen op hoe de ademhaling afneemt. Soms is het alsof deze even stilstaat. Een akelig reutelen van de borst geeft de benauwdheid te kennen. Allen staan voor het bed, in diepen eerbied voor de vreeselijke majesteit van den dood. Jap schreit in stilte, terwijl zij haar vrouw ondersteunt, wier bevende voeten haar ter nauwernood meer kunnen dragen. Hoe flink zij anders (in alles ook wezen mag, thans dreigen haar de krachten te begeven. De slag is ook zoo zwaar.
„Stil maar, vrouw", zegt Jap, en tracht haar naar de tafel te leiden, maar daarvan wil zij niet weten. Tot het laatste toe wil zij aan de zijde van haar man blijven, met wien zij zoo gaarne verder zou reizen, maar die haar nu vooruit gaat en haar zóo eenzaam en gebroken achterlaat.
„Heb jullie niet wat Hofman in huis ? " vraagt vrouw Mollema aan haar dochter. Maar dat kent men niet op „de Eendenkooi", omdat men hier nooit last van zenuwen had. Brandsma placht altijd te zeggen, dat een goede voeding en trouwe arbeid de beste medicijnen voor alle kwalen waren.
Intusschen wordt de ademhaling al zwakker, tot zij eindelijk geheel stilstaat. Oude Brandsma van „de Eendenkooi" heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, zonder dat men het nog merkt. Alleen de dokter heeft met het oog van den man van ervaring gezien, hoe de dood de zilveren koorde los maakte en de gulden schaal in stukken sloeg.
Langzaam wendt hij zijn blik de kamer door, tot deze rusten blijft op de oude vrouw, zoo het toonbeeld van gebroken kracht. Daarna kijkt hy Jap aan, die de boerin nog altijd vasthoudt en zegt dan met iets in zijn stem, dat men van hem niet gewoon is:
„’t Is afgeloopen." Dat woord doet allen een schok door de leden gaan.
„Nu al? ” kreunt de boerin.
En dan laat zij zich willig naar het oude hoekje bij het raam brengen, waar zij in den breeden eiken armstoel ineen zinkt, 't gerimpelde hoofd in de bevende handen, en om nu aan haar tranenstroom den vrijen loop te laten. Geen oog blijft droog. Jap barst in een luid geween uit, en zelfs de stoere knecht haalt zijn zakdoek te voorschijn, om daarachter zijn ontroering te verbergen.
Thans acht vrouw Mollema het oogenblik gekomen haar diensten te bewijzen. Zij begint met te trachten vrouw Brandsma te vertroosten, door haar te wijzen op de rijke beloften Gods voor allen die gelooven, en op de heerlijkheid, die aan de andere zijde van het graf hun deel is. Zij haalt eenige woorden van den Heiland aan, waarin voorkomt van het Vaderhuis met zijn vele woningen, en herinnert hoe Paulus zegt, dat er geen verdoemenis meer is voor degenen, die in Christus Jezus zijn, en hoe in de Openbaring dat troostvolle woord geschreven staat: „zalig zün de dooden, die in den Heere sterven van nu aan ; ja, zegt de Geest, want zij rusten van hunnen arbeid, en hunne werken volgen hen." Al te maal heerlijke toezeggingen en beloften, zooals zij alléén gevonden worden in het Woord Gods en zooals geen mensch die zélf zou kunnen uitdenken.
In gewone omstandigheden vindt de boerin dit alles dan ook een verkwikking Voor de ziel, maar het ïs alsof het haar nu zóó maar voorbij gaat. Zij kan er niet inkomen en er niet achterkomen. Zij voelt de werkelijkheid van dit alles op het oogenblik niet.
„Ik wil den Heere niets ongerijmds toeschrijven, " zegt zij, „en God is vrij in alles Wat Hij werkt, maar het is mij alles zóó vreemd. Wij waren vooral de laatste jaren zoo gelukkig samen en nu opeens alles weg!”
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's