De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

STEFANUS.

10 minuten leestijd

David, gezalfd met den Geest des Heeren, werd reeds spoedig daarna geroepen tot den strijd met Goliath. Maar zoo wordt ook al Gods volk, na de zalving des Geestes, geroepen tot den strijd, een strijd nog geweldiger dan tusschen David en Goliath, een strijd met satan en zijn trawanten.
In dien geestelijken strijd der ziele ligt 't echter voor rekening van een trouwen, sterken God en Zaligmaker, die hen in dien strijd niet begeeft noch verlaat en hen eenmaal leidt naar de plaats der eeuwige overwinning.
Die waarheid werd heerlijk bevestigd ook in't leven en sterven van Stefanus, waarbij we willen stilstaan en wel naar aanleiding van wat we lezen in Hand. 7 : 54—60 :
„Als zij nu dit hoorden, berstten hunne harten en zij knersten de tanden tegen hem. Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkhheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods. En hij zeiide : Ziet, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des menschen, staande ter rechterhand Gods.
Maar zij, roepende met groote stem, stopten hunne ooren en vielen eendrachtig op hem aan en wierpen hem ter stad uit en steenigden hem en de getuigen legden hunne kleederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus. En zij steenigden Stef anus, aanroepende en zeggende : „Heere Jezus, ontvang mijn geest.
En vallende op de knieën riep hij met groote stem : „Heere, reken hun deze zonde niet toe. En als hij dit gezegd had, ontsliep hij”.
Bovenstaande vormt 't laatste gedeelte van 't leven op aarde van Stefanus, den eersten Christen martelaar.
Toen zijn ouders hem den naam gaven van Stefanus, d.i. gekroonde, hadden zij niet kunnen vermoeden dat deze naam de profetie was van wat met hun zoon geschieden zou. Dat hij gekroond zou worden met de martelaarskroon op aarde en daarna met de onverwelkelijke, onbevlekkelijke en on verderfelijke kroon des eeuwigen levens. En toch — dat had de Heere voor hem weggelegd.
Deze Stefanus was gekozen tot diaken en hij was een diaken „vol van geloof en kracht", een diaken bij de gratie Gods, een machtig getuige van Christus, wonderen doende en groote teekenen onder 't volk. Een machtig getuige van Christus door woord en daad, maar hij was ook een doorn in 't oog der Joden. Zij vreesden dat door dezen getuige van Christus steeds meerderen zouden worden toegevoegd aan de gemeente van Christus.
De meest geletterden onder Israël maakten zich op, trachtende Stefanus te overtuigen van zijn dwaasheid, dezen machtige getuige van Christus door hun wijsheid te ontwapenen, maar tevergeefs. Zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door welken Stefanus sprak. Gods geest klaarde zelf 't verstand van Stefanus op, legde zelf hem de woorden op de lippe: tot weerlegging der vijanden. Het werd aan Stefanus treffend bevestigd : „Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken noch wederstaan, die zich tegen u zetten”.
Zij meenden te twisten met een nietig menschenkind, maar twistten met den geest Gods en tegen dien konden ze niet bestaan ! O, als 't maar gaan mag uit genade om de eere Gods, dan laat Hij Zijn volk niet beschaamd staan. Dat is de bevinding van al Gods kinderen.
Satan gaf den strijd echter niet op. Bevreesd voor 't verlies van zijn koninkrijk, deed hij een nieuwen aanval op Stefanus,
Hij werd beschuldigd van Godslastering, een zonde, die met den dood moest gestraft worden en Stefanus werd geleid voor den Joodschen Raad.
Daar stond Stefanus, omringd door degenen die zijn dood zochten en valschelijk beschuldigd te hebben gesproken lasterlijke woorden tegen den tempel en de wet.
De rechters houden 't oog op Stefanus gericht, zijn antwoord op de tegen hem ingebrachte beschuldiging afwachtende. Maar welk 'n wonder gebeuren : „Allen die in den Raad zaten, de oogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als 't aangezicht eens engels”.
Hij mocht beschuldigd worden van een zonde, die met den dood moest gestraft worden. God kwam uit den hemel hem rechtvaardigen voor de menschen. Hij deed van zijn aangezicht afstralen den glans eens engels.
Wat 'n roepstem Gods tot degenen, die in den Raad zaten Heb toch niet te doen toet dezen rechtvaardige !
Als de Heere echter onder Zijn roepstemmen niet meekomt met almachtige genade in de ziele, dan werkt de mensch zich over alles heen. Dan zijn geen teekenen noch wonderen in staat onze vijandschap te breken tegen God en Zijn Christus.
Onbewogen en koelbloedig richt de hoogepriester de vraag tot Stefanus : „Zijn dan deze dingen alzoo?
O, 't kwam er nu voor Stefanus op aan den Heere te belijden ten koste van zijn leven.
Hij wist 't dat de belijdenis van den naam van Jezus hem 't leven kosten zou. Als de Heere hem niet ondersteund had met getrouwmakende genade, dan had hij Christus zeker verloochend als een Petrus in de rechtzaal van Kajafas. Och voor hoeveel minder dan 't leven, wordt Jezus niet verloochend door degenen, die van Christus zijn ! Van nature is en blijft een kind Gods voor geen enkele zonde te goed. Velen in onze dagen zijn echter te bekeerd om onbekeerd te zijn. De Heere echter kwam Stefanus getrouwmakende genade te schenken en alle vreeze zonk onder de voeten weg voor degenen, die wel 't lichaam maar de ziel niet kunnen dooden. Vol heiligen ijver, door de liefde van Christus gedreven, weerlegt hij de tegen hem ingebrachte valsche beschuldigingen en verkondigt Stefanus hun Christus en dien gekruist.
Het getuigenis van Stefanus vindt echter geen ingang in 't hart van den Joodschen Raad, met bitterheid zien zij hem aan en met dreigende gebaren en Stefanus eindigt zijn antwoord met hen aan te zeggen : „gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren, gij wederstaat altijd deri Heiligen Geest, gelijk uwe vaders, alzoo ook gij”.
Nu komt 't echter tot eene uitbarsting van woede, zijn vijanden raken buiten zichzelf, ze knersten de tanden tegen hem als wilden ze hem verscheuren.
O, wat moet 't Stefanus door de ziel gegaan zijn dat de uitwerking van zijn prediking van Christus deze was. De Joden waren toch met hen kinderen van Abraham naar 't vleesch, 't was toch z'n eigen volk dat bleef verwerpen Hem, buiten Wien toch ook voor hen geen leven was maar een eeuwig zielsverderf.
Ieder kind van God kan verstaan wat in Stefanus' ziel is omgegaan. Gaat er geen zwaard door de ziel, als ge ziet dat man of vrouw of kinderen in vijandschap tegen u uitbreken, als ge hen uit genade door de liefde 'van Christus gedrongen moet aanzeggen den dood buiten Christus en 't Leven alleen in Hem, voor tijd en eeuwigheid.
Als ge ziet dat degene, die ge liefhebt, ondanks alle waarschuwingen en vermaningen 'blijven voortwandelen op een weg, van welken ge weet, dat hij gewisselijk uitloopt op een eeuwige scheiding tusschen u en hen?
Deze openbaring van vijandschap ging Stefanus door de ziel ook ter wille van Hem, die zijn ziele uit genade had lief gekregen en waardig is gediend en gevreesd te worden!
De vijanden mochten echter tegen Stèfanus de tanden 'knersen, de Heere betoonde zich geen dorre woestijn noch een land van uiterste duisternis.
Vervuld met den Heiligen Geest, werden zijn oogen gericht naar den hemel en hij zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter rechterhand Gods.
De wereld stond gereed hem uit te werpen en te dooden, maar God deed hem zien de heerlijkheid die hem wachtte na den dood en Christus staande ter rechterhand Gods, opgestaan van Zijn troon, gereed zijn ziel in te doen dragen in die zalige heerlijkheid, als straks 't aardsche huis zijns tabernakels zou ineenstorten.
Stefanus ziet zijn Borg en Zaligmaker, die om de vreugde Hem voorgesteld 't kruis had verdragen en de schande veracht, maar nu gezeten is in heerlijkheid en die gezegd had : „Waar Ik toen, daar zal ook mijn dienaar zijn”.
Stefanus geniet een gezicht in de zaligheid die hem straks wacht en hij kan niet er van zwijgen. Neen, hij roept den Joodschen Raad toe : „Ziet, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des menschen, staande ter rechterhand Gods. Stefanus was zich zelf niet meer, hij moest spreken uit de aanschouwing zijner zalige toekomst, opdat zij ook nog eens tot inkeer komen mochten, maar ook dit getuigenis vermocht hun hart niet te breken. Neen, hun woede kent nu geen grenzen meer. Ze roepen met groote stem, zoekende hun geweten te overschreeuwen, ze stoppen hun ooren alsof zij Stefanus' godslasterlijke taal niet langer kunnen aanhooren, zij vallen eendrachtig op hem aan en wierpen hem ter stad uit. O, 't was 't roepen der hel tegen 't roepen Gods, de ontketening van de woede van 't rijk der duisternis tegen 't getuigenis Gods. Schrikkelijk beeld van wat we geworden i2ijn door de zonde. Vijanden Gods en vijanden van Christus en iedere ziel die aan Christus' voeten terecht mag komen, zal moeten belijden : „Gij zijt me te sterk geweest en hebt overmocht". Er zal voor Gods kind niet anders overblijven dan een aanbidden, van Hem, die om Zijns Naams wil een vijand te sterk werd!
Stefanus, ter stad uitgeworpen, zal zijn belijdenis van Christus nu betalen met den marteldood. De getuigen, die volgens de wet den eersten steen moesten werpen op den ter dood verwezene, leggen hun kleederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus.
Ze nemen den eersten steen op, waarna de woedende menigte volgt en de eene steen na den anderen Stefanus treft.
De Heere liet 't toe. Hij had 't kunnen verhinderen. Hij had de vijanden van Christus kunnen dooden, maar in Zijn aanbiddelijke wijsheid liet Hij 't toe, doch gaf ook martelaarsgenade. 'Stefanus schreeuwt niet van smart, neen de hemelpoort staat voor zijn zielsoog wijd geopend, hij geniet reeds den voorsmaak der hemelvreugde ; Jezus ziet hij staande, gereed hem te doen indragen in 's Konings paleis en Stefanus, 't einde voelende naderen, spreekt: „Heere Jezus, ontvang mijn geest”.
En dan valt hij op de knieën en roept met groote stem : „Heere, reken hun deze zonde niet toe". Hij buigt z'n knieën tot een gebed voor zijn vijanden. O, wat geeft dit gebed ons een blik in de zalige zielsgestalte van Stefanus. Van nature zijn en olijven we geneigd, ook na ontvangene genade, onzen naaste te haten. Maar bij Stefanus was de genade aan 't woord. Het was 'n gebed waar hij zelf buiten viel. In de gemeenschap met God verkeerende, als de Koning in de stad is, hebben we in die oogenblikken geen vijand meer. De vrucht van de ervaring in de ziel van Gods gemeenschap in Christus is liefde tot den naaste.
O, zalig bidden ! Zulk bidden, werk uit God zelf in de ziel, wordt gewisselijk verhoord. Ja, 't is verhoord aan Saulus, den bewaarder van de kleederen van de getuigen!
En als Stefanus dit gebed heeft opgezonden, ontsliep hij.
Zalig zóo te mogen ontslapen. De engelen droegen zijn ziel binnen in 't hof der hoven, Gods zalige woningen, om daar te worden gekroond met de eeuwige eerkroon. Heerlijke verwisseling. Daar een eeuwig inwonen bij den Heere, daar waar alle uiten inwendige vijanden zijn buitengesloten voor eeuwig, om met de verloste Kerk van alle eeuwen zich te verliezen in de grootmaking van Zijn heiligen Naam!
IJsselmuiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's