CHRISTELIJKE ETHIEK
Niet de mensch heeft het huwelijk gemaakt. Het is een instelling en gave Gods, z'n grond vindend in Gods wilsbeschikking en aansluitend aan het wezen van den mensch, dien God schiep; man èn vrouw.
Vóór dat er wetten en overheden waren was het huwelijk. En daarom maakt de wet des lands ook het huwelijk niet. Het is een heilige ordinantie Gods en de wetten des lands moeten met Gods wil en inzetting rekening houden, om het huwelijk te beschermen.
Tot het wezen van het huwelijk behoort, dat het steunen zal in de liefde en dat het hecht en vast, onverbreekbaar, voor geheel het leven zal zijn.
Lichamelijke gemeenschap geeft nog geen huwelijk. Alleen de liefde maakt den echt tusschen man en vrouw. En dan voor gansch het leven.
Ons Burgerlijk Wetboek geeft als voorschrift : „De echtgenooten zijn elkander wederkeerig getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd". En de Christelijke Kerk laat de echtgenooten, bij de huwelijksbevestiging in Gods huis, beloven, dat zij elkander zullen liefhebben en elkander nooit zullen verlaten, overeenkomstig het heilig Evangelie.
Ieder die den echt verbreekt, hetzij door kwaadwillige verlating, hetzij door overspel, hetzij door zware verwondingen of mishandelingen, ten gevolge waarvan verwijdering van den mishandelde uit levensbehoud noodzakelijk wordt, staat derhalve schuldig voor God. En de bepalingen op de echtscheiding mogen nooit de bedoeling in zich dragen, om het huwelijk zoo gemakkelijk mogelijk te kunnen verbreken — wat een miskenning is van de instelling Gods — maar moeten dienen, om de positie van hem of haar, ten nadeele van wien de echt verbroken wordt, zoo goed mogelijk te beschermen en te verzekeren, opdat de verlatene niet rechteloos en onbeschermd staat.
In beginsel moet dus echtscheiding als ontoelaatbaar worden geacht. En zelfs bij oud-Israël, toen de hardigheid des harten echtscheidingen deed gehoren worden, was er een spreekwoord volgens het Talmoedtractaat in aansluiting aan Maleachi 2 vs. 16) : „Al wie zijn vrouw verstoot, over hem giet zelfs het altaar Gods tranen." (Vermeld in het art. van prof. dr. J. L. Palache : „De echtscheiding naar de Joodsche wet”).
Daarom is het zoo te betreuren, dat er in Nederland „een practijk is ontstaan, die dwars tegen de voorschriften der wet ingaat", zooals mr. J. H. Telders zegt in z'n artikel : „Onze wetgeving inzake echtscheiding", betoogende, dat ernstig moet worden beproefd aan „de bespotting van het recht" een einde te maken. Hiermee wordt bedoeld, dat in de practijk, in strijd met de wet, „bij onderling goedvinden" echtscheiding gemakkelijk kan plaats hebben, van welke ontduiking van de wet, met schending van het recht, door velen gretig gebruik gemaakt wordt.
De practijk is dan : men stelt, na onderling overleg, als aanklacht b.v. overspel (hoewel 't niet waar is). De wederpartij komt niet voor de rechtbank en laat zich schuldig verklaren. En de scheiding kan plaats hebben!
Dat is spotten met een zoo ernstige zaak als overspel en echtscheiding (alles berust slechts op een „onderlinge afspraak") en de wet stelt N.B. voorop „dat echtscheiding bij onderling goedvinden n i e t is toegelaten" (Art. 263 Burgerlijk Wetboek). Dat is dus frauduleus handelen. En geen wonder, dat in den loop der jaren door velen dan ook ernstig gewezen is op deze „bespotting van het recht". De rechtbank wijst de vordering tot echtscheiding elk oogenblik toe, hoewel zij niet door wettelijke bewijsmiddelen overtuigd is van het bestaan der gronden, uit hoofde waarvan de echtscheiding wordt aangevraagd en gevorderd!
De Christelijke Kerk belijdt: „Quae Deus conjunxit, homo non separet" ; wat God vereenigt schelde de mensch niet. Maar waar het heilig huwelijk als inzetting Gods in de liefde zijn grond en sterkte vindt en daarbij den mensch als heilige plicht oplegt: strijdt den goeden strijd des geloofs' — is de moderne tijd gekomen om alles te vervlakken en alles neer te trekken tot lager orde.
En vooral de moderne roman-literatuur draagt in deze veel schuld ten opzichte van de ontaarding van het huwelijk. Er is langzamerhand een andere situatie van het leven gekomen, een andere verhouding van man en vrouw, ook van ouders en kinderen en het gewone is zoo burgerlijk, zoo saai, zoo levenloos, waarbij het „uitleven" aan den man zoo goed als aan de vrouw en aan de kinderen wordt gegund. Voor de ouderwetsche opvattingen zijn de veel meer vrijere ideeën gekomen. En het motief voor de moderne roman is gewoonlijk : er was een man en een vrouw, toen kwam er een derde in 't spel en het huwelijk is minderwaardig geworden, de „driehoek-constellatie" wierp alles onderst boven en bracht het interessante met of zonder echtscheiding. Zelfs om van het huwelijk „to make the best of it" ; om er van te maken het beste van 't geen er van te maken is, onder veel strijd en moeite, is verwerpelijk.
Vrijheid, blijheid — is de leus. Het gewone is uit de mode, het buitengewone is regel geworden bij onze moderne romanschrijvers, vooral bij de romanschrijfsters. Emants en Couperus schreven over liefde, huwelijk, verhouding van man en vrouw op een manier, dat verontwaardiging nog bij velen opkwam. De Meester en van Eckeren werden gemeen in hun schrijven. Ina Boudier—Bakker en Jo van Ammers— Kuiler teekenden ons de armoede van bijna elk huwelijksleven met de open poort, om van 't leven te genieten wat er te genieten is. Jeanne Kloos, Carrij van Bruggen, Annie Salomons, Anna van Gogh—Kaulbach, mevr. Overduijn—-Heijligers, mevr. Draayer—de Haas, Julia Frank, Jo de de Wit, Marie Schmitz.
Gewoonlijk laat men " de schoone droom als een droom vergaan". Het huwelijk wordt neergehaald, vernietigd, bedorven, stukgetrokken. Een derde komt het bederven, 't zij een vrouw die den man, of ook wel een man die de vrouw komt inpalmen, 't Wordt eerst sympathie, eerst extase, verrukking, een hoogere geestesgemeenschap — en dan een zinnelijk, dikwijls walgelijk lustleven tusschen twee die niet aan elkaar toebehooren. En „de driehoek-constellatie" doet dan minachtend over 't huwelijk spreken. „Ik voel", zoo zegt de indringer, „het huwelijk op zichzelf als iets verkeerds, iets uit-den tijd ; het is een verouderd instituut en als zoodanig niet geschikt, óm de liefde van een man en een vrouw te bevestigen ; integendeel, de liefde gaat. in het huwelijk over in genegenheid en verliest haar heilige .kracht en gloed. Wie de liefde niet wil zien verschrompelen, of ontluisteren, moet het huwelijk vermijden — zoo spreekt Henk van Raalte, de weduwnaar, die het huwelijk van z'n studievriend Kees van Marckwijk in de war komt sturen, door diens jongere vrouw Tine te begeeren (dr. C. Tazelaar : „De roman van het huwelijksprobleem" blz. 118). Men komt het huwelijk neertrekken en verwoesten, om dan in ongebondenheid zoogenaamd „echte liefde" te smaken ! Gehuwden worden dan genoemd „meikevers aan een draadje". Dat is dan een symbool van het ouderwetsche huwelijk. En intusschen worden mannen en vrouwen ons beschreven die in „vrije liefde" zich „uitleven", wat - veel hooger en heerlijker is, dan het „ouderwetsche" wat men een „degelijk huwelijk" noemde !.... Tantalus de altijd flirtende de interessante. . . . .
En zóó wordt het huwelijk bespottelijk 'gemaakt en vernietigd. Het echte wordt ingewisseld voor 't valsche. Alle heerlijke, heilige, geestelijke, goddelijke, perspectietiëven ontbreken. Ef. .5 : :25—33.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's