FINANCIËN
Welke reusachtige uitbreiding gegeven is aan het verkeer, merkt iedereen. Immers daar is geen gehucht zoo afgelegen, of het is in het verkeersnet ingeschakeld geworden. Een of andere verbinding is aangelegd waardoor het isolement ten eenenmale en voor goed is opgeheven. Daar wordt veel meer gereisd dan in de jaren die achter ons liggen. Natuurlijk is er een groot verschil tusschen reizen en trekken van het eene land naar het andere, en wanneer men zich alleen verplaatst van dorp tot dorp. Nu, van beide kan worden geconstateerd, dat het reizen en trekken verbazend is toegenomen. Denkt maar eens aan de dagen, de feestdagen, die vlak achter ons liggen. Welk een drukte, en wat een verkeer is daar geweest in die dagen, 't Is een gezegde, waarin gewoonlijk wel een weinig overdrijving schuilt, n.l. „zóó erg heb ik het nog nooit gezien", toch meen ik, dat er ditmaal niets behoeft te worden afgetrokken, 't Was in één woord enorm. Alles liep mee. Wat een schoone dagen ! Welk een heerlijkheid in de natuur, 'k Zou niet weten, wat er nog aan zou kunnen worden bijgewenscht. Zoo is het dus heelemaal voor de hand liggend, dat vooral de stedelingen, die in hun complex van straten en pleinen, van hun miniatuurparken altijd een tekort aanvoelen, dit tekort op zulke dagen zoeken aan te vullen. In drommen trekken zij uit. Trammen en autobussen worden bestormd. De rijen van fietsen en auto's zijn onoverzichtelijk. Op de drukste plaatsen telde men op 2den Pinksterdag, en dan nog maar van één kant komende, ver over de 1000 auto's per uur. Dat zulke drukke punten van verkeer zich in alle deelen van het land tegelijk laten aanwijzen, geeft te denken. Overal, aan het strand en in de bosschen, verdrong zich de massa, om toch maar iets van het schoone, dat ongetwijfeld met volle teugen te genieten werd gegeven, te proeven. Of het bij velen, misschien paste beter te zeggen bij verreweg de meesten, het waarachtig genot niet is achtergebleven, is een andere vraag. De overstelpende drukte en het overhaaste verkeer zijn al heel slechte gelei-banen voor het teeder genot dat Gods heerlijke schepping biedt aan den mensch. De eenzame waarnemer, temidden van het kleinste groepje draagt vaak veel grooter schatten met zich, dan de scharen, die het elkander toeroepen, wat hebben we genoten. Op de vraag waarin het bestond, zal een antwoord volgen, dat u ten volle ontnuchtert, n.l. „wat was het er vol”.
Men is uitgetrokken met een zucht van verlangens, met een groot begeeren om deze verlangens vervuld te zien, maar het einde gaf iets anders te merken.
Bij de poging om den maalstroom van het leven te ontvluchten, had men zich alleen een weinig verplaatst in een nog drukker gedeelte van dienzelfden maalstroom. Zou het nog niet voor hen pleiten, wanneer een gevoel van teleurstelling bij hen achterbleef. Ik vrees dat het aantal van hen, die ook dit gevoel nog niet eens kennen, vele malen grooter zal zijn. Hier kan van een bewust léven niet meer ge sproken Worden; men wordt geleefd.
Welk een naam hiervoor past, behoeft niet eens te worden aangegeven : „arm leven”.
Is dit één kant waarop we de aandacht vestigden, daar is nog een andere. Ook welke de moeite zeker zal loonen, wanneer hierop het licht valt.
Wat heeft een mensch er niet voor over, welke offers getroost hij zich, met welk een inspanning gaat het vaak gepaard, wat we noemen „uitgaan”.
Hij doet iets wat hij anders beslist zou weigeren. Met pak en zak beladen, in het zweet zijns aanschijns, geeft hij zich geheel, een heelen langen dag. Hier is van arbeidsbeperking weinig te speuren. En dan komt er nog iets achter aan. 'k Behoef niet eens te zeggen wat. De hinkende klepper stapt niet enkel tegelijk met u naar binnen, maar 't is dagen lang, dat ge die hinderlijke pas nog hoort. Want dit is een wet van Meden en Perzen : vaker dan eens kunt ge uw geld niet uitgeven. Wat met uitgaan, op een vaak losse wijze, wordt uitgegeven, daarnaar kijkt menige moeder nog dagen lang uit, met een zucht: „wat had ik het nu goed kunnen gebruiken". Offers worden er gebracht, niet klein en niet zoo heel weinig, 'k Zou het niet durven begrooten. Wat er tusschen de vingers door is weggevloeid is niet te schatten. Men hoort vaak spreken van tonnen, maar dat is, nu, hier genomen, kinderpraat. De grootere plaatsen nemen in onze dagen ieder tonnen voor hun rekening, 'k Vermeen, dat de minister van financiën met recht de opmerking zou kunnen maken : „ik wou, dat ik het maar in mijn laatje had". Ik voor mij was met een duizendste deeltje al tien keer tevreden.
Welke gevolgtrekking zou nu hieruit kunnen worden getrokken ? Mij dunkt deze. Als het met onze zinnen overeenkomt, het beweegt zich in de lijn van ons natuurlijk begeeren, wat getroost de mensch zich dan niet een moeite, tot welke offers blijkt hij dan niet bereid te zijn?
Ongetwijfeld wordt er veel gevraagd in onzen tijd. Wij denken aan den maatschappelijken nood van velen, aan de drukkende zorg van allerlei liefdadigheidsinstellingen, aan kerken en scholen, aan fondsen zooals de onze, om het breede Zendingsveld met zijn blijvende aanvraag geen oogenblik te vergeten. De vraag rijst telkens : zouden deze dingen wel kunnen blijven bestaan ? Wanneer wij zien op de werkelijkheid van het leven, wat de mensch geven kan — getuige de uitgaven van enkele dagen als die pas achter ons liggen — dan zeg ik : wanneer van allen, die door de leiding Gods een open oog hebben gekregen voor het leven zelf, eens de handen ineen werden gelegd, was het zoo'n onmogelijkheid' nog niet, om dezen arbeid gemakkelijker te maken 'dan hij nu schijnt. Wanneer het geheel, waartusschen wij leven, ons lasten oplegt niet klein, waaraan wij toch ook voldoen, zou het dan tot de onmogelijkheden behooren, om de lasten te dragen welke God op onze schouders bindt ?
Het kan en het moet. 'k Zal er ditmaal niet meer aan toevoegen, alleen deze opmerking zij me nog geoorloofd.
Wanneer de wereld ons vaak iets opdraagt, zoo doen wij het gaarne, al is het verre van gemakkelijk. Met blijde aangezichten worden de offers gebracht — doch daarna is niet zelden een bittere gewaarwording het sluitstuk. Dit is met de offers, die God van ons vraagt voor Zyn arbeid, nimmer het geval. Hier volgt een steeds grooter wordende blijdschap, een innerlijke vreugde in God door Christus.
Het eenige wat wij in dezen behoeven is het rechte gezicht op den Heere en op ons zelf. Hij heeft recht op alles, op eiken ademtocht, op alles wat wij hebben, 't Blijft geleend goed, waarvan Hij de uitdeeler is. Hij vraagt alzoo het Zijne. Mag het zoo worden neergelegd aan Zijn voeten, zoo volgt de innerlijke vreugde vanzelf.
Iets daarvan kan ik vaak opmerken in wat bij de giften wordt vermeld. 'k Wil u thans het staatje van deze week voorleggen. Uit den aard der zaak is het geen lange lijst, toch ben ik niet ontevreden, integendeel.
1. Het eerste wat binnenkwam was van Oude-Tonge. Ds. Remme van Amsterdam mocht ook hier collecteeren voor onze fondsen. De opbrengst was niet klein, 'k Had zoo veel bij lange na niet verwacht. Zij bedroeg niet minder dan ƒ 75.—
2. Wat tegelijkertijd binnenkwam, was de Paaschcollecte, gehouden in de gemeente van Alphen. De vrienden hebben hier gelijk op tal van plaatsen een rondgang door de gemeente gedaan, wat van veel liefde getuigt en wat niet weinig waardeering verdient en ook van onze zijde verkrijgt. Ik dank de vrienden zeer voor al hun moeite en arbeid. De collecte was ƒ27.25
3a. Paaschcollecte gehouden te Mastenbroek ƒ 34.25
3b. Door ds. Klamer te Ter Aa ontving ik als gecollecteerd aldaar voor 't Studiefonds ƒ 2.50
4. Door den heer P. v. d. Pols van West-IJsselmonde werd me toegezonden een Paaschgift door hem en enkele kennissen bijeengebracht ƒ 9.—
5. De Paaschcollecte te Besoijen bracht op ƒ 6.57
6. Door ds. Meijer alhier van den heer v. d., V. voor 't Studiefonds ƒ 2.—
7. Van ds. de Bruin te Woudrichem ontving ik ƒ 10.—
8. Mej. C. Qualm te Hazerswoude 1 heeft den inhoud van haar busje no. 73 mij toegezonden. Deze bedroeg de belangrijke som van ƒ 26.12
’k Denk als ik dezen naam lees, nog altijd aan de dagen van ouds, toen ik zelf in deze omgeving mocht voorgaan, en daar zulke warme vrienden ontmoette. Welk een liefde tot de waarheid was er ook toen. Gelukkig dat zij er nog wordt gevonden. Mijn allerhartelijksten dank voor deze blijken.
9. Persoonlijk mocht ik verschillende giften ontvangen. Van mevr. de wed. H. ƒ
Van wed. N. N. f2.50 Studiefonds en f 1.— Geref. Zendingsbond. Samen ƒ
Verder aan mijn huis afgegeven onder letters H. J. T. en M. v. H. 5 gulden als Paaschgift voor de beide fondsen, 5 gulden als Pinkstergave voor den Geref. Zendingsbond. Samen ƒ 10.
10. Door ds. van Mastrigt te Harderwijk de helft van een a, ldaar gehouden collecte voor onze fondsen ƒ 14, 50
11. Van ds. Hakkesteegt te Kortenhoef ontving ik 10 en 5 gulden. Samen ƒ 15,
12. Mijn sluitpost voor deze week is de inzameling voor de Paaschcollecte, gehouden in Feijenoord.
'k Had nog wel een stille hoop, dat ook dezen keer Feijenoord niet achter zou blijven, maar toch was ik nog een weinig verrast door de mededeeling, dat de vrienden aldaar hadden tezaam gebracht niet minder dan ƒ 81.751
'k Zeg allen, die hieraan medegewerkt hebben, allerhartelijkst dank.
Tezamen geteld bedraagt de lijst van deze weck nog meer dan 300 gulden, 't Is n.l.
f 319.94.
Wij naderen steeds dichter tot de eindstreep.
Wat we zoo heel graag zouden zien, dat is dit, dat de vrienden, die nog niet klaar zijn gekomen met hun inzameling, of nog een collecte willen houden, dit niet al te lang uitstelden. Mag ik er nu op rekenen, dat allen zullen medewerken om een even gunstig eindresultaat te verkrijgen als het vorige jaar? 't Kan met niet te veel moeite worden bereikt. Ge zoudt hiermede mij ten zeerste verblijden. Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's