STAAT EN MAATSCHAPPIJ
HET CRISISKABINET.
Bij het afdrukken van ons blad van de vorige week, waren wij nog juist in de gelegenheid om de Regeeringsverklaring op te nemen, die dr. Colijn namens het Crisiskabinet op Woensdag 31 Mei in de Tweede Kamer heeft afgelegd.
De tijd ontbrak ons toen echter om over het zoo gewichtige staatsstuk iets te zeggen.
De aandachtige lezer van de Regeeringsverklaring zal intusschen begrepen hebben, dat de inhoud der verklaring opgebouwd is op het vierhoeksprogram, dat voor de verkiezingen van antirevolutionaire zijde is geformuleerd geworden.
Dat vierhoeksprogram behandelde den economischen toestand, de financiëele moeilijkheden, het werkloosheidsprobleem en de handhaving van het gezag.
Deze vier punten vinden wij thans breeder uitgewerkt in de Regeeringsverklaring terug.
Van den economischen toestand wordt gezegd, dat deze zoowel hier te lande als in Nederlandsch-Indië in menig opzicht een beeld biedt van volkomen ontwrichting, zoodat snel en krachtig ingrijpen een gebiedende eisch is, en langer wachten met verdere maatregelen tot algeheele instorting van het economische leven zou voeren.
Met de financiën des Rijks en met die der Overzeesche gewesten is het niet minder ernstig gesteld. De groote tekorten, die nu reeds op de begrootingen dier beide gebiedsdeelen voor het jaar 1934 werden berekend, zijn van dien aard, dat de financiëele toestand onrustbarend moet worden genoemd en het meer dan voorheen noodig is, wil er geen inflatie intreden, er voor het financieel evenwicht en voor sluitende begrootingen gezorgd worde. Om daartoe te geraken, acht het Kabinet allereerst een belangrijke inperking der publieke uitgaven onafwijsbaar. Deze (de inperking) is — zoo lezen wij in de regeeringsverklaring — niet te ontgaan, ook al zou het uiterste beproefd zijn om door belastingheffing het evenwicht te herstellen.
Wat de werkloosheid aangaat, deze heeft, als gevolg van de economische inzinking een omvang gekregen, die in bedenkelijke mate de algemeene volkswelvaart aantast.
Het vraagstuk der werkloosheid — zoo deelt de Regeering mede — heeft dan ook hare volle aandacht. Terecht merkt zij op, dat eene grondige verbetering in den tegenwoordigen toestand slechts denkbaar is door een krachtig herstel van het bedrijfsleven. Daarom moet aan de verheffing van het bedrijfsleven de uiterste zorg worden besteed. Eerst daarna komen verruiming van werkgelegenheid en werkverschaffing tot leniging van den nood der werkloozen aan de orde.
En eindelijk de handhaving van het gezag. Tengevolge van allerlei invloeden is vooral in de laatste jaren het gezag dermate ondermijnd, dat het rustig en ordelijk volksleven wordt bedreigd. De Regeering heeft begrepen, dat de handhaving van het gezag tot de eerste plichten van de overheid moet worden gerekend. Dit verklaart zij in de Regeeringsverklaring dan ook met nadruk. Tegen extremisme, van welke zijde dit zich ook openbaart — zoo lezen wij in de verklaring — zal met beslistheid worden opgetreden. Het oefenen van terreur tegenover de ordelievende bevolking en het verwekken van onrust, zullen zonder aarzeling worden tegengegaan.De Regeering zegt bovendien de plaatselijke Overheid steun toe, waarin voor deze eene aanmaning ligt opgesloten om ten deze hun plicht te verstaan.
Uit de Regeeringsverklaring — en dit is onze conclusie — spreekt duidelijk en klaar de wil van het Kabinet om met kracht en doortastendheid de problemen, die van de crisis het gevolg zijn of daarmede verband houden, aan te vatten en zooveel mogelijk tot oplossing te brengen.
Drie dingen vallen daarbij nog op te merken.
In de eerste plaats, dat ook het Crisiskabinet de Christelijke volksneigingen als een sterk en bestendig element in ons volksleven ziet en dat het verklaart, in zijn beleid met dit element te zullen rekenen.
In de tweede plaats, dat de Regeering het in dezen zwaren tijd van het grootste gewicht acht, dat er een gestadige samenwerking en voortdurend overleg plaats hebbe met de Staten-Generaal. Daaruit blijkt dat het Kabinet zich vrij toont van alle dictatoriale neigingen
en lusten en niets liever wenscht, dan zijn arbeid te volbrengen in overleg met de volksvertegenwoordiging.
En ten slotte, dat het Kabinet, de taak, welke het op 'zich heeft genomen, niet in eigen kracht wil uitwerken en volvoeren, doch daarbij op Gods hulpe bouwt.
Het Kabinet vertrouwt op de hulpe des Heeren, en verwacht van die hulpe steun en kracht voor het 'bereiken van het beoogde doel.
Ons volk kan dankbaar zijn voor de Regeeringsverklaring en voor het karakter en den geest, die uit den inhoud van de verklaring spreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's