JONKER VAN STERRENBUBGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
De dood komt altijd onverwacht, 'k weet het bij ervaring, en ook wat het zeggen wil aan hem te moeten afstaan, wat wij zóó liefhebben, maar daarom te meer is het zoo'n voorrecht als een mensch op zijn Komst is voorbereid. Brandsma heeft den Heere in zijn leven gediend, en de Schrift zegt, dat allen die Hem hier vreezen, Zijn Heerlijkheid ingaan"; zoo troost vrouw Mollema.
„O ja, maar het gemis, het gemis, " zucht de 'boerin. Weer zakt het oude hoofd in de hand, en een pijnlijke zucht, als van iemand die zwaar gewond is, klimt op uit de borst.
Wat moet ik nu beginnen ? " vraagt zij, het hoofd opheffende en in groote verslagenheid de kamer rondziende, waar anders alles zoo op orde is en thans de grootste Wanorde heerscht.
„Kan ik nog wat voor je doen, vrouw Brandsma ? " vraagt de dokter.
Och, ik weet het niet, is het antwoord „ik bedank u maar voor alles. Mijn man mocht; u zeer gaarne.
„’k Hoop, dat je kracht krijgt, vrouw Brandsma, in deze omstandigheden, en kan ik je met raad of daad van dienst zijn, kom dan maar gerust’”.
„’t Is heel vriendelijk dokter ; och, ik weet er niets van, wat gebeuren moet; ik kan niet denken.”
Met innig medelijden ziet de geneesheer op het oudje neer. Hij kent de familie sinds jaren, maar weet daarom ook, dat er in dezen kring zijn, die er eigenlijk niet in hooren, en meer last dan lust veroorzaken. Hij vreest dat de oude vrouw nog wel eens op onaangename wijze daarmee in kennis kan komen, doch juist daarom zou hij haar zoo gaarne van dienst zijn.
„Zal de knecht er nu maar niet op uit gaan, om de kinderen te waarschuwen, vrouw Brandsma ? 't Is , nu al licht, en er moet toch orde op de zaken gesteld!”
„O ja, de kinderen; wat zullen zij schrikken!”
„Je doet maar 'n beetje voorzichtig aan, " zegt dr. Hannema tot den knecht, die zijn kiel reeds los maakt om een donkere Jas aan te trekken. „Zeg eerst maar, dat het niet al te goed is, en begin dan zoo langzamerhand te vertellen wat hier heeft plaats gehad!”
„Best, dokter, 't komt in orde", antwoordt deze, en dan vraagt hij Jap : „kan jou met den arbeider alleen wel melken? ”
„Jawel.”
„Anders moet mijn man maar een paar koeien nemen" zegt , vrouw Mollema ; „hij hoeft toch net voor acht uur op het Slot te wezen".
Dat vindt de dokter veel beter ; dan kan Jap, die geheel van streek is, het huiswerk doen en bij de vrouw blijven.
Spoedig is men het eens. Vrouw Mollema moet noodig weer naar huis en zal met den dokter terug rijden en dan dadelijk haar man sturen. Tevens zal buurman Theunis met de rondzegging in het dorp worden belast, en met hetgeen er in dezen verder te doen valt. Allereerst moet ds. Velthuis met het sterfgeval in kennis worden gesteld.
Als gewoonlijk staat buurvrouw Aaltje in de deur bij de nadering van het doktersrijtuig. Zij heeft gisteravond laat wel eenig gerucht gehoord en begrepen, dat er iets gaande was, maar haar verwondering stijgt als het wagentje stilhoudt, om vrouw Mollema uit te laten, die haar dan de mededeeling doet, dat boer Brandsma plotseling overleden is en zij nu namens de boerin komt vragen, of Theunis aanstonds op „de Eendenkooi" kan komen, om daar met een en ander van dienst te zijn. Dat is juist iets voor Aaltje. In een oogenblik is zij in actie. Och, die stakkert van een Brandsma. Hij was zoo'n beste man, en zij is zoo'n flinke boerin ; en dat wordt wat voor Jap ; en hoe het nu met de vrouw zal gaan, en met de boerderij, en of ér ook een testament is, enz. Maar dat zijn vragen, waarop vrouw Mollema geen antwoord weet. Daarover is in het sterfhuis nog niet eens ge dacht, laat staan gesproken.
„Dus je man gaat er aanstonds heen ? Wacht, dan kan hij wel met mijn man medeloopen, die voor Jap zal melken.”
„Dadelijk hoor, " en dan tot haar man, die nog ligt te dommelen : „Theunis, kom je d'r uit ? Je moet naar „de Eendenkooi" ; oude Brandsma is dood”.
Als de oude torenklok acht uur heeft geslagen begint de doodsklok te luiden, om den dorpelingen en al den omwonenden aan te kondigen, dat van nacht in Kleiterp een mensch de eeuwigheid is ingegaan. En weldra verschijnt Theunis in zijn Zondagsche pak met 'n hoogen hoed op, en maakt namens de weduwe en de verdere betrekkingen aan het geheele dorp bekend, dat hun man en vader, Ype Brandsma, in den oude Mom van acht en zestig jaren en vijf maanden overleden is.
Dat geeft een opschudding in het dorp. Zulk een sterfgeval is een gebeurtenis in het anders zoo rustige buitenleven. Boer Brandsma dood. En kort geleden nog in de kerk. Maar toen zag hij er reeds erg verouderd uit, vond de een. En de ander dacht, dat de man meer last heeft gehad dan men wel wist, doch dat hij zoo hard voor zich zelf was. En een derde wist te vertellen, dat de aanleg van die spoorlijn, dwars door zijn land, het hem gedaan heeft.
Klaas Kroontje is een der eersten, die kwansuis bij Theunis' Aaltje een boodschap maakt, om aldus iets meer gewaar te worden en dan straks, als hij met zijn koopwaar, den boer opgaat, overal tot in bijzonderheden te kunnen vertellen, wat vandaag bij jong en oud het onderwerp van gesprek is. Vooral zou hij zoo graag weten hoe het nu verder op „de Eendenkooi" zal toegaan. Of de oude vrouw plan heeft met het dienstvolk te blijven wonen of, dat de boerderij op de kinderen overgaat of, dat de heele zaak op de borden komt of aan vreemden verhuurd zal worden. Maar daarover weet de spraakzame Aaitje, die het geen oogenblik binnenshuis kan uithouden en met elken voorbijganger een praatje maakt, hem niet in te lichten. Misschien dat buurvrouw Mollema daar wel meer van af weet, omdat zij den geheelen nacht op de zathe geweest Is ; doch daar durft Klaas geen informaties te nemen. Zij houdt zich zoo koest binnenshuis, alsof er familie van haar is overleden.
In ieder geval oordeelt de koopman, dat het voor Jap nu wel eens minder kon worden. Zij heeft nu een dienst gehad zooals er niet vele zijn en was zoo wat de meesteres op „de Eendenkooi, maar het zou nu wel een ander liedje worden. Nu, dat denkt Aaltje ook wel, maar veel durft zij er niet over te zeggen, omdat buurvrouw haar man het baantje van leedaanzegger bezorgd heeft, en wie weet wat er nog meer te doen valt.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's