JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
als Klaas Kroontje merkt, dat hij hier niet veel vordert, wordt hij gemelijk en zegt te hopen, dat Theunis nu maar eens een vette week mag hebben, zoodat er op de oude rekening wat afbetaald kan worden, en anders moest Claar eindelijk maar eens over de brug komen. Hij heeft nu lang genoeg geduld gehad. Waarop Aaltje hem het antwoord niet schuldig blijft en botweg zegt, dat zij hem zal betalen als het haar past. Eerst heeft hij haar de verschillende artikelen veel te duur aangesmeerd, en nu zij niet precies op tijd kan wezen met betalen, wil hij haar gaan manen. Maar hij behoeft voor dit doel niet weer aan haar deur te komen, en als hij dat toch doet, krijgt hij geen roode duit. Welke ontboezeming den koopman de wijste partij doet kiezen met te zeggen, dat hij het niet zoo kwaad bedoelt en zij dan maar komen moet als er wat overschiet.
Dat voorts menschen als boer Yntema en Lettinga, benevens de verdere meer intieme kennissen, met droefheid het bericht van het heengaan van Brandsma ontvingen, laat zich denken. Anneke b.v. was geheel van streek, te meer, waar zij den vorigen avond nog naar den toestand geïnformeerd had en blijkbaar niemand dien zoo ernstig inzag. Zij begrijpt wat dit voor de oude boerin, wier leven nu gebroken is, zal wezen. Bovendien is het haar bekend hoe de oude boer alles bij elkaar hield, en geen der kinderen tijdens zijn leven den moed had iets tegen zijn handelingen en bestuur in te brengen; maar het zal de vraag zijn of dit nu zoo blijft. En dat zou voor de moeder wat worden.
Oude Marijke beziet 't geval van een anderen kant. Weer 'n kind Gods thuis gehaald, zei ze, toen Theunis aan haar deur de bekende boodschap bracht, — nu is hij ons vooruit en ziet reeds den Koning in Zijn schoonheid, Dien hij hier voor elk beleed.
Doch den diepslen indruk maakte dit onverwachte heengaan van een van Kleiterp's meestgeachte ingezetenen wellicht op Jonker Van Sterrenburgh.
't Is ongeveer een uur of tien in den morgen als hij met een verstoord gelaat bij MoUema komt, die juist de laatste hand aan de gareelen legt, welke straks bij gelegenheid van de jachtpartij gebruikt moeten worden voor het afhalen der gasten, voor zoover zij niet met eigen equipage kwamen.
„Houd maar op, en gooi den boel maar neer", zegt hij op toornigen toon tot den in diepe gedachten verzonken Douwe.
Verschrikt laat deze den verzilverden toom van het hoofdstel vallen en ziet zijn heer verwonderd aan. Zóó heeft hij hem nog nooit gezien. Heeft hij dan misschien iets verkeerds gedaan ? Doch spoedig volgt de reden van des Jonkers toorn.
„Gisteren" aldus gaat deze voort, „kreeg ik een schrijven van Jonkheer Van Rinia. dat hij tot zijn leedwezen verhinderd is ditmaal aan het jachtvermaak deel te nemen, en zoo juist Brengt de post eenzelfde boodschap van al de andere heeren. 't Schijnt wel, dat zij „Grovestins" besmet beschouwen en bang zijn hier een ziekte op te doen, waaraan zij wellicht meenen, dat ik zelf ook lijdende ben”.
Een bittere trek is om zijn mond zichtbaar en een blauwe ader aan de slapen van het blanke voorhoofd zegt, dat hij ternauwernood zijn toorn over deze beleediging meester is.
„’t Is geen onmacht hij de heeren, " vervolgt hij, terwijl hij de wit gepoederde rijzweep aan kant schopt, tot niet geringe ontsteltenis van Douwe, die haar zoo sneewwit gemaakt had, „maar het is opzet, klink-klare opzet, het is afspraak en anders niets ! De heeren weten, dat de wind hier uit een anderen hoek waait en nu zijn zij kwaad geworden. Dat is nu hun liberalisme en hun verdraagzaamheid, waarvan zij anders altijd den mond vol hebben!”
Blijkbaar vergeet de Jonker een oogenblik, dat hij tot zijn mindere spreekt. Zoowel de teleurstelling als het grievend leed, hem van de zijde zijner voormalige vrien den aangedaan, zijn oorzaak, dat hij deze harde woorden uitspreekt zonder er bij te denken, dat zij hier niet op hun plaats zijn.
Dan, zich opeens bedenkend, valt zijn oog op Douwe, die nog altijd vol verbazing hem aanstaart, uit welken blik tevens medelijden spreekt.
„Hoe zou jij het vinden, als je zoo iets werd aangedaan ? " vraagt hij hem. — „Zou het werkelijk met opzet gebeuren, Jonker ? " — „O, daar is geen twijfel aan; waarom anders van allen hetzelfde bericht ? Bovendien is een der heeren nog zoo eerlijk om er aan toe te voegen, dat deze tijding mij nu wel niet zoo erg hinderen zal na de toekende verandering, dia hier heeft plaats gehad, en het voor mij misschien wel een verlichting is, dat ik niet in hun gezelschap behoef te verkeeren." — „Mijn vrouw zou wel zeggen, " en hier maakt de hand van Douwe de bekende toeweging weer naar het hoofd, „dat het de smaadheid des kruizes is, die wij om Christus' wil moeten willen dragen, mijnheer.”
’t Is eigenaardig welk een invloed dit eenvoudige woord op den Jonker heeft. Van dien kant heeft hij het geval heelemaal nog niet beschouwd. Toch is het waar, wat die nederige man zegt. Immers, als hij. Jonker van Sterrenburgh, dezelfde van voorheen gebleven was, dan was dit niet gebeurd.
En dan vervolgt Douwe:
„Allen, die achter den Heiland aankomen om te gaan waar Hij hen roept, krijgen vroeg of laat een doorn in Zijn kroon, die hen steekt, maar die hun tevens ter zaligheid dient." - „Zou je denken ? " vraagt de Jonker. - „Ja, mijnheer; geen één blijft hiervan verschoond, en het zou ook niet goed voor hen zijn, maar later leeren zij er den Heer voor danken. Oude Brandsma heeft zijn deel hiervan ook wel gehad, maar nü is hij er boven en geniet de vrucht." - „Wat bedoel je ? " vraagt de Jonker verwonderd, die nog niet weet wat er op „de Eendenkooi" geschied is. - „De Jonker heeft het toch zeker al gehoord ? " - „Wat ? " - „Dat Brandsma is overleden." - „Brandsma ? " - „Ja, mijnheer; van morgen, toen het licht werd, is hij de eeuwige rust ingegaan." - „'k Wiest niet eens dat hij ziek was." - „Het beteekende ook niet veel, maar gisteravond heeft hij een beroerte gekregen, die zijn leven wegnam." - „Verbazend, zoo plotseling, en hoe is het met zijn vrouw ? " - „Zij is erg bedroefd en bijna ontroostbaar; de slag kwam zoo onverwacht." - „Dat is te begrijpen, hij was een flinke man.”
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's