De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE DOOD VAN STEFANUS.

10 minuten leestijd

En zij steenigden Stefanus, aanroepende en zeggende : „Heere Jezus, ontvang mijnen geest!" En vallende op de knieën, riep hij met groote stem: „Heere, reken hun deze zonde niet toe !" En als hij dat gezegd had, ontsliep hij, Handelingen 7 ; 59, 60,

Het leven is vol roepstemmen.
De voornaamste van deze is zeker wel het woord des Evangelies, dat in de prediking tot ons komt; het woord, dat tot onze ziel spreekt van verlorenheid in onszelf, maar van behoud in Christus; dat ons spreekt van zonde, maar ook van de genade ; dat ons zal zijn tot een val of tot een opstanding.
Moge echter in het Evangelie de voornaamste roepstem gelegen zijn, toch niet de éénige. God de Heere komt nog met andere roepstemmen tot ons, opdat wij toch mogen ontwaken uit onzen geestelijken doodsslaap en Christus over ons moge lichten.
Is daar soms niet in ons een roepstem in de kloppingen van ons geweten? En komen ze ook niet menigmaal van buiten af tot ons, roepstemmen uit het volle leven, die ons waarschuwen : „Menschenkind, gedenk te sterven !" Wat een machtige sprake kan er niet tot ons uitgaan van een sterfbed!
Niet, dat wij van het zalig afsterven van een ander kunnen leven. Dat laat de Heilige Schrift ons duidelijk merken. Want het is een uitzondering, wanneer zij ons iets verhaalt van het sterven van één van Gods kinderen. Gij kunt bij Jakobs sterfbed staan, maar probeer er zoo nog eens enkele op te noemen uit het Oude Testament?
En in het Nieuwe Testament hebt gij Stefanus, van wiens sterven ons ook wat meer verhaald wordt. Maar 't blijft toch sober. Onze ziel zou er ook niet van kunnen leven. Dat kan zij alleen van het sterven van Christus en daarom zijn ook de Evangeliën voor bijna de helft daarmede gevuld. Heerlijk wanneer wij in den dood des Verlossers ons leven gevonden hebben.
Wij hebben nog zoo korten tijd geleden het Pinksterfeest gevierd. De indrukken zijn nog levendig. Onze gedachten zijn bepaald geworden bij dien jongeren-kring, die het middelpunt werd van de Jeruzalemsche gemeente, omdat zij ook vol was van den H. Geest en de mogelijkheid kan bestaan, dat bij de overdenking van het Pinkster-Evangelie ons hart hen heeft benijd en, toen wij hoorden van die milde, overvloedige uitstorting des Geestes over de Apostelen, het gebed in stilte tot God is gerezen : „Zoo doe Hij ook aan mij!”
En voorzeker, het is ongetwijfeld de grootste gave, die een mensch op aarde kan ontvangen, de gave des H. Geestes, want zij is een onderpand van het toekomend Koninkrijk, maar hebt gij er wel eens bij stilgestaan en hebt gij er u wel genoeg rekenschap van gegeven, dat het bezit van Gods Geest wel een innerlijken vrede schenkt, doch naar buiten een strijd in het leven roept, de bange strijd tegen wereld en vleesch?
Wat neemt die strijd in Jeruzalem terstond al een scherpe vormen aan ! Alles maakt zich op, om die gemeente van Christus, die volgelingen van den gehaten Nazarener te vernietigen.
De discipelen, zij prediken het Evangelie des behouds, zij deelen aan de armen uit, zij doen niet anders dan goed en genezen de kranken, getuige de kreupele aan de Schoone poort des Tempels, doch de wereld, ook 't godsdienstige Jodendom, verdraagt den Naam van Jezus Christus niet en de weldaad aan den kreupele bewezen is één van de oorzaken, dat de Apostelen in de gevangenis worden geworpen en voor den Joodschen Raad moeten verschijnen. Evenwel, men neemt nog niet de strengste maatregeien, ook al uit vreeze voor het volk, dat de discipelen om hun wondermacht nog eenigszins aanhangt en na geeseling en scherpe berisping laat men hen weer vrij. Maar de gram van het Sanhedrin stijgt.
Is het u nooit opgevallen, hoeveel zwaarder en moeilijker het leven der discipelen geworden is na de uitstorting van den H. Geest ? Voor zoo ver ons bekend, is bijna geen enkele van de Apostelen den natuurlijken dood gestorven, doch is de marteldood de droeve kroon geweest van een leven vol gevaren en strijd en ontbering. Mag ons dat geen vingerwijzing zijn, om ons te leeren, dat het pad van den geloovige waarlijk geen pad op rozen is ? Hoe spoedig kunnen wij niet klagen over beproevingen en moeilijkheden en bestrijding, doch wij worden stil, wanneer wij ons leven een oogenblik vergelijken met dat der Apostelen en onze beproevingen, ze zijn maar een zachte koelte vergeleken bij de bange stormvlagen, die hun leven beroerden. En den moet ge hen daarvan nog hooren spreken als van een lic'hte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, ja, dan leggen wij de hand toch op den mond en zwijgen Gode stil.
Waar de Geest is, daar wapent zich de wereld. Van Stefanus lezen wij in één der voorgaande verzen, dat hij was „vol des H. Geestes". En dan breekt juist de haat en vijandschap der wereld los. Wij zien tijdens de verdediging van Stefanus de haat van het Sanhedrin groeien. Als Griek was Stefanus de aangewezen persoon om te verstaan, dat de Tempeldienst en de ceremonieele wetten hadden afgedaan, nu de H. Geest was uitgestort en God Zijn geestelijken Tempel ging bouwen in 't midden der volkeren. In zijn verdedigingsrede had hij op 't schaduwachtige van den Mozaïschen eeredienst gewezen en vooral, toen hij van den Tempel zeide, dat God in dien tempel met handen gemaakt niet blijvend kon wonen, omdat Hij gesproken had tot Salomo : „De hemel is Mij een troon en de aarde een voetbank Mijner voeten : hoedanig Huis zult gij Mij bouwen en welke is de plaats Mijner rust ? " en Stefanus daar nog aan toe durfde voegen : Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren, gij wederstaat altijd den H. Geest!" toen was dat teveel voor hun trotsche hart en zij knersen hunne tanden en Stefanus' dood was vast bij hen besloten.
„En zij steenigden 'hem". Welk een gruwzame marteldood ligt achter deze woorden verborgen. Eer dat een man in de volle kracht van zijn leven doodgesteenigd is! Maar Lucas, de schrijver van Handelingen, legt daarop de nadruk niet. Hij spreekt niet van he't lijden van Stefanus, van het smartelijke tooneel, dat zich daar afspeelde, maar hij toekent ons wel zeer nauwkeurig op, de God-verheerlijkende woorden, welke uit den mond des stervenden werden opgevangen.
Stefanus spreekt nu niet meer tot zijn belagers. Hij heeft hen gewaarschuwd, hij heeft "hen luide getuigd van de heerlijkheid des Gekruisten, Dien hij zag, staande ter rechterhand Gods; hij is aan het einde van zijn taak gekomen en nu beveelt hij zijn ziel aan Christus aan. Hij vreest niet degenen, die het lichaam kunnen dooden, maar veel meer Hem, die lichaam en ziel kan verderven in de hel. Temidden van den onbarmhartigen steenenregen hoort men hem bidden : „Heere Jezus, ontvang mijnen geest!”
Daar is uit dat heengaan van Stefanus veel te leeren. Wij kunnen zoo hooren uit de klanken, welke hij nog opstamelde onder zijn lichaamssmarten, dat hij op dat oogenblik geheel leefde bij het borgtochtelijk lijden en sterven van zijn Heiland en Zaligmaker; dat al zijn gedachten in zijn doodsure zich concentreerden op Golgotha en op hetgeen aan het vloekhout voor hem was geschied. Want de twee laatste woorden, die deze martelaar sprak : „Heere Jezus, ontvang mijnen geest!" en : , Heere, reken hun deze zonde niet toe", doen zij ons niet woordelijk denken aan de kruiswoorden van den lijdenden Verlosser? In dat verzoenend sterven van den Borg lag zijn eenige steun. Die kruisdood van Christus was in zijn leven zijn eenige troost geworden — nu hij sterven moet, gaan ook al zijn gedachten weer naar Golgotha uit. Wij zien uit ons tekstwoord, waaraan Stefanus zich in zijn laatste oogenblikken vastklemde.
Mocht ons dit wat te zeggen hebben! Daar is veel onderscheid in sterven, ook in hét sterven van Gods kinderen. Stefanus vond den marteldood, w ij hopen een zachteren dood, een stervenssponde te hebben. Maar het voornaamste zal wezen, of wij in het leven die troost ontvangen hebben, dat wij in onze laatste oogenblikken — in welken vorm de dood ook tot ons komt — zullen kunnen steunen op het volbrachte werk van Christus aan het kruis en ons mogen vastklemmen aan hetgeen op Golgotha is geschied.
Daarom is het sterven van Stefanus van groot belang en daarom is het goed, dat wij daar een oogenblik bij stilstaan, maar niet om het sterven van Stefanus zelf, want daar kunnen wij niet van leven, doch omdat zijn sterven ons brengt tot het sterven van Christus, waarin ook Stefanus zijn eenige troost vond. Waarin ook wij slechts het leven kunnen vinden. Waarom ook, — gelijk ik reeds boven zeide — de Schrift nooit breedvoerig uitweidt over het sterven van één van Gods kinderen, maar wel over het sterven van Hem, uit Wiens dood het leven opbloeit voor Zijn gansche gemeente.
„En zij steenigden hem", en het einde is, dat Stefanus ontsliep.
Maar wie was nu eigenlijk de overwinnaar ? Ach, de strijd was zeer ongelijk: de woedende Farizeeën tegenover de gelatene Stefanus. Voor het uiterlijk is de wereld altijd veel sterker dan de ware belijders van Christus en toch zal de wereld het tegen hen verliezen en zullen de poorten der hel de gemeente niet overweldigen. Want schouw eens een oogenblik dieper. Hoor, hoe Stefanus bidt voor zijn vijanden. Wie dat kan, die is geen overwonnene, maar overwinnaar ! Zegenen, die u vloeken, en bidden voor degenen, die u geweld aandoen, dat is een overwinning, die niet van deze aarde, maar van den hemel is. Dat kan alleen bereikt worden door de kracht des H. Geestes.
Intusschen, de steeniging is volbracht. De belagers kunnen tevreden zijn : Stefanus is dood, nu kan de Tempeldienst blijven leven. Alsof Gods Raad en de vervulling daarvan van Zijn dienaren afhangt ! Neen, de Tempel zal toch nog wel opgeruimd worden. Nog geen menschenleeftijd later.
Maar is 't nu niet opmerkelijk, dat wij, in deze gansche beschrijving van het heengaan van één van Gods kinderen het woord „sterven" niet vinden ? Stefanus is ontslapen. „En als hij dat gezegd had, ontsliep hij".
Hoe is het mogelijk een dood, zoo hard en wreed een ontslapen te noemen ! Lucas, die later met Paulus reisde, heeft zeer waarschijnlijk deze geschiedenis uit den mond van Paulus opgeteekend, want deze was van dit alles ooggetuige geweest, toen hij de kleederen bewaarde dergenen, die Stefanus steenigden. En Paulus getuigde : „En als hij dit gezegd had, ontsliep hij". Paulus kon dat geen sterven noemen, want hij had toen reeds de vrede en de rust op dat gelaat gezien, toen de ziel uit den tijd overging in de eeuwigheid.
De Heere Jezus had zijn geest ontvangen.
Stefanus beteekent krans of eerekroon. Zijn naam is heerlijk aan hem bewaarheid. Zijn sterven was een ontslapen en zijn ontslapen was het ontvangen van de eerekroon. De Koning der eere stond gereed om Zijn getrouwen getuige dien op 't hoofd te drukken ; om aan hem te bevestigen het woord : , „Die overwint. Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijnen troon”.
Van dit sterven van Stefanus gaat voor ons, stervelingen, een bijzondere sprake uit. Het toont ons, waar alleen ons anker mag liggen, n.l. in het volbrachte werk van Christus. Al het andere mag wegvallen en zal eenmaal wegvallen bij den dood, alleen dat niet. Dat alleen kan ons doen sterven onder een geopenden hemel; doen inblikken in een ontsloten Paradijs. Dat alleen kan ons sterven maken tot een ontslapen.

Oolgensplaat,
J.D. Kleijne

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's