De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

11 minuten leestijd

20. Dogma en Dogmatiek. Het Grieksche woord dogma (dokein) beteekent meening, besluit, stelling. Voor ons doel moeten we dan hebben een stelling in de engere begrenzing van: „een met kerkelyk gezag bekleede stelling in geloofszaken". Het is een kerkelyke leerstelling in den loop der tyden door de Kerk in zake haar geloof vastgesteld en op haar synodes aangenomen en bevestigd. (Roomsche-, Luthersche-Gereformeerde dogma's). In het dogma wordt heit geloof zich bewust van wat God heeft geopenbaard in zyn Woord, in Christus, tot eere Gods en tot zaligheid des menschen. In het dogma spreekt de Kerk haar geloofsbezit uit. „In het dogma sluimert het loflied" (prof. Gunning). Het is het geloofsantwoord, dat de Kerk wil geven op Gods openbaring. Uit de ontroering van het hart welt de beiydenis van den mond. Het is het wederwoord dat de Christen geeft aan God.
De Dogmatiek is de systematische uiteenzetting der leerstellingen of dogma's, die de Kerk in den loop der eeuwen heeft vastgesteld en in haar belydenis heeft opgenomen. Het is de stelselmatige ontvouwing van de leer aangaande het Wezen en de werken Gods ; de systematische ontvouwing der kennisse Gods, tot Gods eer en onze zaligheid, zooals de Kerk die belijdt.
Nader moet dan worden omschreven van welke Kerk, want elke Kerk heeft haar geloofsovertuiging en haar dogmatiek, waarin haar geloofsbezit ordelijk tot uiting komt (Roomsche-, Luthersche-, Geref.-, Remonstrantsche dogmatiek, enz.)
Als onderscheiding tusschen Dogmatiek en Geloofsleer zouden we kunnen noemen, dat Geloofsleer meer persoonlyk, meer subjectief is en Dogmatiek meer objectief en meer Kerkelyk.
21. Symboliek is de studie aangaande de belydenisschriften of symbolen (herkenningsteekenen) der Kerk. De symbolen geven slechts kort de dogma's aan; een ontvouwing der Chr. leer geven ze niet of zoo goed als niet. Daarvoor is de Dogmatiek. In de symbolen (belydenisschriften) komen de verschilpunten, die er bestaan tusschen de verschillende Kerkgemeenschappen, uit.
22. De pluriformiteit der Kerk. De Kerk van Christus, onder haar éénig Hoofd, heeft in éénigheid des waren geloofs te leven en in eenigheid van belydenis en leven zich te openbaren. Christus is niet gedeeld. Eéne, heilige, algemeene of Catholieke Kerk. („Una Sancta"). Gedeeldheid en verscheuring van de Kerk is te veroordeelen. Institutair (als instituut) is de Kerk van Christus, die één Heere, één geloof en één doop heeft, geroepen zooveel mogelijk de éénheid te bewaren rondom de belydenis en de ambten, zoowel plaatselijk als landelijk en zelfs internationaal. Zonder principiëele oorzaken moet verdeeldheid en gescheurdheid in het Kerkelyk leven worden geacht te zyn, wat ons moet stemmen tot ootmoed en nauw zelfonderzoek. Het „ten deele" kennen en de zondige geaardheid met de gevolgen van allerlei dwalingen en stryd maken het zoo moeilijk, dat de éénheid van Christus' lichaam een gewenschten openbaringsvorm in het midden der wereld krygt. In den hemel zal het één schare zyn rondom den troon en op de nieuwe aarde zal God zyn alles in al de Zynen.De zonde zal dan uitgezuiverd zyn en de goddeloozen zullen de aarde niet beërven. „De zondaren zullen van de aarde verdaan worden en de goddeloozen zullen niet meer zyn. Loof den Heere, myne ziel. Halleluja". Ps. 104 : 35.
Voor deze aarde geldt ook ten opzichte van de Kerk : wat God komt vereenigen zal de mensch niet scheiden — waar God de scheidingslyn trekt zal de mensch niet vereenigen Een edele geloofsstrijd over dingen, die waarlijk het hart van de belydenis van Christus' Kerk raken, is beter dan een doode eenvormigheid of een onnatuurlyke eenheid.

DE LEER VAN DE GODSOPENBARING OF HOE WIJ GOD KUNNEN LEEREN KENNEN
A. De algemeene Godsopenbaring.

1. In onze Nederlandsche Geloofsbelydenis gaat het om de leer van God en de zaligheid des menschen. (Ware christelyke belydenis, inhoudende de hoofdsom van de leer van God en van de eeuwige zaligheid der zielen)
Art. 1 van de de Ned. Gel. bel. komt dan ook met het credo der christenheid : „wy gelooven allen met het hart en beüjden met den mond, dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wy God noemen". (Eenvoudig = niet-samengesteld, niet-gedeeld).
't Moet ons om de kennisse te doen zyn. Ps. 73 : 25. Gods
2. Calvyn geeft in den Catechismus van Geneve als eerste vraag : „wat is het voornaamste doel van het menschelyk leven ? " en antwoordt dan : „God te kennen, door Wien wy geschapen zyn".
Onze Geref. Geloofsleer is sterk theo-centrisch. 't Gaat alles om de eere Gods : „Uit Hem en door Hem en tot Hem zyn alle dingen. Hem zy de heerlykheid tot in eeuwigheid". Rom. 11 vers 36.
God is het groote centrale punt in de geloofsleer der Kerk. Het 1ste Art. van de Apostolische Geloofsbel. : „ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde".
Ook voor de zaligheid des menschen ligt alles in God: „Dit is het eeuwige leven, dat zy U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gy gezonden hebt". Joh. 17 vers 3. Cat. Zond. 1.
„Wien heb ik nevens U in den hemel ? nevens U lust my ook niets op aarde. Bezwykt myn vleesch en myn hart, zoo is God de rotssteen myns harten en myn deel in eeuwigheid". Psalm 73 vers 25, 26.
3. Augustinus heeft gezegd: „Wyl Gy, o God, ons geschapen hebt tot U, is ons hart onrustig in ons, totdat het ruste vindt in U." (Tu fecisti nos ad te, et inquietum est cor nostrum, donee requiescat in te).
Ook schreef Augustinus : „Alle menschen zoeken dan ook eigenlijk naar God, maar zy zoeken Hem niet op de rechte wyze, niet op de rechte plaats, zy zoeken Hem beneden en Hy is boven ; zy zoeken Hem op de aarde en Hy is in den hemel, zy zoeken Hem verre en Hy is naby".
Ds. J. J. L. Ten Kate heeft het eeuwigheidsheimwee op de volgende wyze omschreven :
'k Voel een heimwee in de borst. Dat niet sluimren wil noch slapen. De Eeuwige Zelf heeft ons den dorst Naar het eeuwige ingeschapen. De aard' met alles wat zy biedt, Stilt dat zielsverlangen niet.
4. De kenbaarheid Gods wordt door velen geloochend (agnosticisme). De Koningsberger wysgeer Immanuël Kant (gest. 1804), een ernstige rationalist, kwam op tegen het platte rationalisme, dat beweerde alles te kunnen bewyzen en alles te weten met 't verstand. De rede (ratio) kan alles — zoo zeide men — verklaren, kan alles tot het laatste opnemen „zooals een jongen een koek tot de laatste kruimpjes opeet."
Kant leerde, dat de bovenzinnelijke waarheden voor de theoretische rede onbewysbaar, onkenbaar, zyn („Kritik der reinen Vernunft" 1781. „Kritik der practischen Vernunft").
De practische rede of het zedelyk bewustzyn (het geweten, de zedelijke mensch) speelt voor hem de voornaamste rol. (De categorische imperatief : Du solist"). (Het moreel bewys voor 't bestaan van God vond by Kant sympathie, maar b.v. niet bet ontologisch bewys, de gedachte kan misleiden, 't geweten niet).
Door Kant's filosofie is tegenover het rationalisme de onkenbaarheid Gods gesteld en dat heeft groote en schadelyke verandering gebracht in de oude belydenis, dat God groot en onbegrijpelyk is (niet binnen de grenzen van het grypbare, niet binnen de cirkel van het beredeneerbare te trekken). Daarvan heeft men op verstandelijke gronden gemaakt, dat wy van het bovenzinnelyke totaal onkundig zyn en dus van God niets weten. Voor de eerbiedige bely­denis van ouds : „dat God groot is en ons verstand verre te boven gaat", kwam het koude, arme agnosticisme.
De Zelfopenbaring Gods aan den naar zyn beeld geschapen mensch werd geloochend. En dan komt het subjectieve in de plaats van het objectieve, de zedelijke mensch (het geweten) in de plaats van de openbaring Gods. De subjectieve theologie zoekt uit eigen geloofservaring God te kennen; de geloofsleer wordt dan vrucht van Christelyke levenservaring, met sterk subjectief en individualistisch element.
5. De H. Schrift leert ons overal, dat God zóó groot is, dat wy menschen, met ons menscheyk verstand. Hem niet binnen de grenzen van ons begrypen kunnen omvatten (tegen het rationalisme). God is geen object van ons verstand, maar van ons geloof (2de gebod : „geen gelykenis" maken ; geen steenen beeld, maar ook geen filosofisch beeld enz.). Het tydelyke kan den Eeuwige niet „maken" ; het mindere kan het meerdere niet omvatten. Maar dat wil volstrekt niet zeggen, dat wy niets weten en niets kunnen weten van God (agnosticisme) .
De H. Schrift leert ons, dat de Heere, Die Zichzelf volmaakt kent. Zichzelf aan den mensch, Zyn beelddrager, die de ingeschapen Godskennis in zyn wezen omdraagt (ontvangstation), wil openbaren, voor zooveel noodig is tot zyn eer en des menschen zaligheid. Hier past „gelooven met het hart en belyden met den mond"; waarby de H. Geest wil leiden in alle waarheid. (De H. Schrift het Boek des Heiligen Geestes).
Calvyn leert ons, dat het Semen religionis, d.i. het zaad der religie, in elk mensch sluimert krachtens zyn geschapen zyn naar Gods beeld, d.i. in ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid. (Heid. Catech. Zondag 3). Daardoor is de mensch niet slechts geschikt voor een gemeenschapsoefening met God (wat de dieren enz. niet hebben), maar er voor aangelegd en bestemd om openbaringen Gods te ontvangen; opdat hij God, zyn Schepper, recht kennen zal. En God laat Zich vinden door degenen, die Hem vreezen. „Hy openbaart Zyne verborgenheid aan Zyn knechten de Profeten". Amos 3 vers 7. (Job 29 vers 4).
Heel iets anders echter dan 't pantheïstisch wegzinken „in God", dat menschendienst wordt. Een verschynsel in de wijsbegeerte en in de religie.
6. Het Geref. Protestantisme belijdt de Zelfopenbaring Gods en gaat daarvan uit; waaronder dan verstaan wordt alles wat God van Zich Zelf aan ons heeft bekend gemaakt tot zyn eer en ons tot heil. De oorsprong van alle Godsopenbaring ligt in God Zelf, die zelfhandelend optreedt naar zyn souverein welbehagen. De Zelfopenbaring Gods is een daad Gods, waardoor Hy uit zyn eeuwige Zelfkennis mededeeling doet aan het eindige schepsel, den mensch ; en dan op zoodanige wijze, dat het schepsel, de mensch, die een ingeschapen vermogen en aanleg van God heeft ontvangen, daardoor Godskennis verkrygt en daarin toeneemt (ingeschapen-en verkregen Godskennis). Dat Hy Zich openbaart, is nergens aan ite danken dan aan God Zelf. De inhoud van de openbaring is óók God Zelf ; het is niet alleen een werk Gods, maar het is Zelfopenbaring, om Zich Zelf aan ons bekend te maken. (Zyn Naam). En het doel van alle Godsopenbaring is, dat Hy zal worden gekend, gediend en gevreesd.
We kunnen zeggen, dat zoowel de oorsprong als de inhoud en het doel der Godsopenbaring God Zelf is. Rom. 11 : 36 : „Uit Hem en door Hem en tot Hem zyn alle dingen. Hem zy de heerlykheid tot in eeuwigheid. Amen." Spr. 16 : 4 : „De HEERE heeft alles gewrocht om Zyns Zelfs wil". Jes. 43 : 10 : „opdat gij 't weet en My gelooft, en verstaat dat Ik het ben, dat vóór My geen God geformeerd is en na My geen zyn zal" (43 : 12).
7. De Zelfopenbaring Gods is tweeërlei, n.l. eene algemeene en een bizondere. De algemeene komt tot ons uit de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld en spreekt tot ons in de natuur, in de geschiedenis en in het geweten; die is overal. De bizondere is daar waar de Heere tot ons komt in zyn Woord, waarvan de inhoud is Jezus Christus, in Wien het welbehagen Gods in menschen is en in Wien de Heere vrede oii aarde wil geven in den weg des geloofs.
De toekomst van de bizondere Godsopenbaring is dat zy algemeen wordt, waarom het bevel van Jezus Christus aan zyn Kerk is : „predikt het Evangelie allen creaturen" — „gaat heen en onderwyst alle volkeren".
8. Nadat in Art. 1 van de Ned. Gel. bel. dadelijk als centrale zaak gezegd is, dat het credo der Christenheid is : „wy gelooven allen met het hart en belyden met den mond, dat daar is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wy God noemen", wordt dan in Art. 2 gezegd : „wy kennen God door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, overmits deze voor onze oogen is als een schoon boek, in 't welk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zyn, die ons de onzienlyke dingen Gods, n.l. Zijne eeuwige kracht en Goddelykheid, te aanschouwen geven. Rom. 1 : 20. Ten tweede geeft Hij Zichzelf nog klaarder en volkomener aan ons te kennen door Zijn heilig en Goddelijk Woord, te weten zooveel als ons van noode is in dit leven tot Zijne eer en de zaligheid der Zijnen”.
9, De natuur, waarin God Zich aan alle menschen die van Gods geslacht zijn (Gen. 1 : 26 ; Hand. 17 : 27), komt openbaren is de eerste en algemeene bron onzer Godskennis, (verkregen Godskennis). Met (ie natuur, schepping en onderhouding, is ook de geschiedenis der wereld een spiegel van de daden Gods, waarin alle menschen moeten inzien om op te merken dat er een God is, die regeert. In de derde plaats moet hier het geweten worden genoemd, omdat dit wondere ding in den mensch — of de mensch wil of niet — mede getuigenis geeft van een hoogeren Wegever en ons telkens stelt voor Gods aangezicht, aan Wien we voelen rekenschap verschuldigd te zijn. (Vergeldingsgedachte _-eeuwigheidsbewustzijn).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's