De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Mijnheer weet wel wat hem hinderde. ie geschiedenis met dat land en dien spoorweg. Maar toen heeft mijnheer hem dat duidelijk gemaakt, en vanaf dat oogenlik was het heel anders met hem. Ik dacht, u wordt hij weer geheel dezelfde van vroeger ; 's Zondags weer mee naar de kerk n in huis veel opgewekter ; maar het heeft zoo niet mogen zijn. De Heere heeft het anders gewild”.
Voor den Jonker is het een pak van het art dit te hooren. Gelukkig, hij gaat dus in het oog der familie vrij uit.
Daarna wordt nog eenigen tijd gesproken ver hetgeen de laatste dagen voorviel, en n 't bijzonder hoe het dezen nacht afliep. ranen heeft het oudje niet meer als met telkens afgebroken stem dit verhaal gedaan wordt; zij heeft al zooveel geweend. Maar de toon waarop zij spreekt geeft duidelijk eer, hoe er een wonde aan haar hart is toegebracht, door geen tijd meer te heelen.
Bij zijn heengaan drukt Jonker van Sterrenburgh haar hartelijk de hand en houdt deze een oogenblik in de zijne.
„’k Hoop, dat God je kracht zal geven voor alles, vrouw Brandsma, en mocht ik je ergens mee van dienst kunnen zijn, dan zal het mij een voorrecht wezen je te helpen.”
„Dank je wel, mijnheer ; dank je voor de belangstelling, 'k Zal er om denken. O ja, als de Heere mij maar nabij blijft”.
Als hij is heengegaan zegt een der schoonzoons, een jonge man met een vuurrood gelaat en in alles het beeld vertoonend van iemand, die zich zeer weinig van de treurigheid rondom hem aantrekt, omdat hij op de erfenis hoopt :
„Die is fijn geworden, hé? ”
„Fijn of niet, " zegt zijn buurman, „maar ik zeg, dat het mooi is van zoo'n mijnheer, dat hij naar de oude vrouw omziet".
En dat oordeelt de heele familie, die nu tevens een onderwerp voor een ander gesprek heeft.

HOOFDSTUK XIV.
Het was een trieste, sombere winter. Niettegenstaande de begeerte van velen, dat tegen Kerstmis een flinke vorst de wateren zou stollen, om deze in spiegelgladde ijsbanen te herscheppen, bleef het kil en druilerig weer. Regen en wind in overvloed, soms dagen aaneen, nu en dan door een sneeuwbui afgewisseld, doch voor de rest geen nieuws. De wind bleef maar uit het N. W. waaien, en ondanks de berichten uit Petersburg, welke van strengen winter spraken, was het dooi en bleef het dooi. De arbeidersbevolking, voor zoover deze in de zeer primitieve braakhokken het vlas had te bewerken, ondervond dag aan dag de gevolgen van deze weersgesteldheid. Door de vochtige lucht wilde de bast met breken en eischte dubbele krachtsinspanning. Het moesten sterke longen zijn, die bestand waren tegen dezen sloopenden arbeid, welke in overvloed stof opjoeg, doch slechts weinig verdienste gaf. Theunis b.v. kon onmogelijk dit werk volhouden. Reeds den eersten avond had hij in hevige mate de zoogenaamde brakerskoorts, en was sindsdien zóó benauwd op de borst, dat Aaltje spoedig een flesch abdijsiroop was gaan halen, welk middel volgens Klaas Kroontje zoo probatum was, al beviel het hem maar matig, dat daardoor de rekening, welke zij bij hem had, al weer hooger werd.
„Groene Kerstmis, een witte Paschen", werd er gezegd, want de kou moet toch van de lucht en de natuur heeft ook haar rechten. En zoo kwam het ook. Vooral de Maart en Aprilmaand waren vreeselijk scherp en brachten niet die mildheid, welke soms een vroeg voorjaar kenmerkt. Inzonderheid kwam het er voor de ouden van dagen en de langdurige sukkelaars op aan. Onophoudelijk klonken de doodsklokken over de dorre vlakte om in wijden omtrek te verkondigen, dat al weer een mensch de groote reis naar de eeuwigheid ondernomen had.
En voor de tweede maal in korten tijd kwam de dood ook op „de Eendenkooi", om nu de hand op het reeds gebroken leven van de boerin te leggen.
Na het heengaan van Brandsma is zij niet meer de oude van vroeger geweest. Toen onder zeer veel deelneming, van alle zijden ondervonden, het stoffelijk overschot van haar man werd uitgedragen, om naast de kindergraven op het stille dorpskerkhof te worden bijgezet, was het haar geweest, alsof een stuk van haar eigen leven mee in de groeve gezonken was. Toen was ook haar levenskracht weg, en daarbij kwam nog de ellende met de kinderen. Zeker er bestond een testament, waarin haar overleden man als zijn uitersten wil had bekend gemaakt, dat, ingeval hij mocht heengaan vóór zijn vrouw, alle dingen bij het oude moesten blijven en geen der kinderen de moeder eenigen overlast mocht aandoen. Maar de oudste der schoonzoons, die wij reeds uit een enkel woord leerden kennen, had al aanstonds na de begrafenis weten te vertellen, dat heel zoo'n testament niets beteekende, zoo er mondige kinderen waren, en hij voor zich wel eens wat geld wilde zien. In den laatsten tijd had hij vele uitgaven gehad, was in eigen zaak niet zoo voordeelig geweest en zou dus heel wel een aanvulling van een en ander kunnen gebruiken.
Daarop waren echter de dochters uit den hoek gekomen. Hij moest zich schamen om zoo te spreken en de oude vrouw last aan te doen ; dan moest hij maar wat minder uitgaan en zich meer aan zijn zaken wijden, 't Kon wel wat anders dan het ging. Overigens was zijn eigen familie er ook nog, die wel kon bijspringen als het moest, en anders was het maar beter, dat hij de tering eens naar de nering ging zetten. Het eene woord lokte het andere uit en het einde van de geschiedenis was, dat met de vuisten op de tafel geslagen werd, zoodat de kopjes rinkelden, en de familie uiteenstoof zeggende, dat men verder niets met elkander te maken wilde hebben. Elk zou voortaan zijn eigen weg wel gaan om recht te zoeken.
’t Spreekt van zelf, dat dergelijke tooneelen het verdriet van vrouw Brandsma vermeerderden. Het ging altijd zoo rustig en kalm in haar huis toe en nu zóó. In stomme smart is zij getuige geweest van de oneenigheid der erfgenamen, tot het haar te veel werd. Toen had de oudste dochter moeder bij den arm genomen, en was met haar naar een ander vertrek gegaan, om haar hier haar verdriet te laten uitweenen. Gelukkig, dat zij in die dagen Jap nog bij zich had. Niet één, die haar zoo bijstond als deze, en zóó helpen en troosten kon.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's