MEDITATIE
Efeze 5 vers 14. „Ontwaakt gij, die slaapt! en staat op uit de dooden ; en Christus zal over u lichten.
Wij weten allen wat de slaap is. Hij is eene verdooving der zinnen, waardoor zij voor gewone prikkels ongevoelig zijn, gepaard met rust van die organen, wier beweging van 's menschen wil afhangt. Dat beeld gebruikt nu de apostel. Hij zegt : zoo kan de mensch ook zijn ten opzichte van het geestelijke leven. Dit vinden wij onder Gods kinderen. Hoe kunnen zij geestelijk dor en doodig zijn. Het gebed is dan geen gebed meer in den waren zin des Woords bij hen. Zij praten allerlei dingen goed, waarvan zij vroeger zeer goed wisten, dat zij voor Gods heiligen wil niet bestaan kunnen. Bij hen kan men niet spreken van dood, want het geestelijke leven is nog wel als een genadegift Gods des Vaders in Christus Jezus in hen, maar het spreekt niet uit hen en dat wel, omdat het ook niet spreekt in hen. Het is ingeslapen als 't ware. Dat zijn die gevaarlijke toestanden, waarin Gods kind uiterst zwak is, gemakkelijk tot zonde vervoerd wordt en in zonden voor Gods aangezicht komt te liggen.
De slaap is als 't ware een beeld van den dood. Want gelijk een slapende zonder bewustzijn is, wat de omgeving betreft en wat daarin gebeurt, zoo is het bij een doode, dat deze geheel en voor goed is afgesneden uit het land van bewustzijn. Gelijkt niet de toestand van den onverschillige, den goddelooze op dien van den doode ? Is zulk een mensch niet afgesneden van het bewuste leven voor Gods heilig aangezicht ? Hij toch is voor al wat Godes is, blind en doof. Wat hij ook kan opmerken, daarvan heeft hij ten eenenmale geen weet.
Het dood-zijn is dus een nog erger toestand dan het slapen, n.l. ten opzichte van het geestelijke leven. Weet echter wel dat zonder twijfel dengene, die slapende zou zijn en in dien toestand zou sterven, het niet beter zou vergaan dan den geestelijk doode.
En nu dat geestelijk dood-zijn is de toestand van alle onwedergeborene menschen, die dus niet kennen de bekeering des harten. Zij liggen daar in het leven als het kaf, dat van den dorschvloer wordt weggeveegd om in het vuur geworpen te worden ; alwaar zij eeuwig zullen branden door het vuur, dat nooit gebluscht wordt. Dat is het beeld van het lijden, van de smarten dergenen, die in het eeuwig verderf neder liggen door eigen schuld der zonden.
En nu gaat de roepstem van den apostel in Gods Woord tot de menschen, die geestelijk slapen en tot de menschen, die geestelijk dood zijn. Zijn herderlijke zorg gaat over beiderlei. Hij roept ze zoo vermanend toe : „ontwaakt !" Hij weet dat de levensdag kort is. De dood wenkt ieder uur. Het leven is een damp en gaat ras voorbij. Och, mensch ! Gij hebt waarlijk geen tijd tot uitstel. Er is niets in u of aan u, waarop gij steunen kunt en waardoor gij zekerheid hebt, dat er uitstel kan zijn. Dat bedoelt de apostel te zeggen door zijn „ontwaakt". Maar ook geeft hij aan, langs welken weg alleen er redding voor den mensch kan gevonden worden. Hij moet in een wakenden toestand komen. Hij moet zich van het leven bewust zijn en in daden laten zien, dat hij een levende is. Zoo is het ook in het geestelijke.
De ontwaakte mensch is bevrijd van den slaap en kan zich weder in het leven uiten in volle bewustzijn. En die uit de dooden is opgeroepen, die is uit den slaap des doods ontwaakt en nu in het land der levenden gebracht voor Gods aangezicht. Wij weten toch, dat dat ontwaken mogelijk is door de zoenverdiensten van Christus aan het kruis verworven ; door het werk des Heiligen Geestes, Die de kruisweldaden van Christus den mensch in het harte ingiet. Het is dan ook Gods heerlijk werk in Christus door den Heiligen Geest, dat de mensch uit dood en slaap wordt verlost en het ontwaken voor zich zelf leert kennen als de grootste zegen, dien een mensch in zijn leven kan verkrijgen.
En nu zegt Paulus nog : „en Christus zal over u lichten". Hier niet, dat Christus over u zal lichten, als gij eerst ontwaakt zijt en opgestaan zijt uit de dooden. Zoodat de bekeering van den mensch vooraf gaat en daarna pas komt of komen kan dat lichten van den Christus. Geenszins is dat de meening van den apostel Paulus ! Hij zegt hier: „ik roep u den eisch toe, waaraan voldaan moet worden, zal het wel met u zijn. Maar nu zal ik u tegelijk er bij den troost geven, dat gij niet behoeft te wanhopen : de eisch ligt wel voor mij, maar het kunnen is niet bij mij." Bekommerde ziel 1 Christus staat voor u gereed in al Zijn Heilandsliefde. Zijn licht des Geestes straalt uit Zijn Hellandshart over u, o zondaar ! Zooals Hij Zijn goddelijke kracht tegelijk met Zijn woord liet gaan tot Lazarus, als deze dood lag in zijn graf ; en gelijk deze toen gehoorzaamde, omdat hij gehoorzamend door Gods kracht gemaakt was, zoo gaat 't het menschenkind! ook in het geestelijke. God doet Zijn roepstem uitgaan, maar ook Zijn Geest lichten over den geroepene. En zoo eischt Hij de gehoorzaamheid, maar geeft ook wat noodig is om te kunnen gehoorzamen.
En als Christus nu maar lichtende gevonden wordt, dan is er geen sprake van slapen noch van dood-zijn. In Christus' licht is het leven en blijdschap. Maar buiten het licht van Christus is de duisternis en ook niets anders. Daar is niets dan de ondergang in eigen roekeloos leven, door wereld gelokt en door satan verstrikt. Wie buiten het licht van Christus is, is verloren.
Dat dan maar de roepstem des apostels door u verstaan worde ; dat dat lichten van Christus door dat heerlijke werk des Heiligen Geestes in het hart gekend worde ; dat gij maar getuigen kunt van het godzalige kennen van wat de apostel ons in onzen tekst beschrijft! Want dat is de weg tot de zaligheid, maar ook de èènige weg, die in Christus Jezus ligt voor een zondig en in zichzelf verloren mensch. En gij, die in dorheid des levens rondwandelt! De Heere geve, dat deze tekst voor u zij de wekker, die u doet ontwaken, om als bij vernieuwing het levenslicht in Christus voor u zelf te mogen smaken.
En hoe zal het eenmaal wezen, als het geestelijk-inslapen niet meer mogelijk zal zijn en het dood-zijn niet meer gekend kan worden, als alleen het lichten van Christus zal ervaren worden en dat dan voor eeuwig! Daarom ook, wie iets van dat licht in Christus kent, zal uitzien naar het kennen er van in volmaaktheid.
Hattem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's