De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

Uit het ongeschreven Woord.

9 minuten leestijd

Genesis 4 : 15, 16. Doch de Heere zeide tot hem: aarom al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden. En de Heere stelde een teeken aan Kaïn, opdat hem niet versloeg al wie hem vond. En Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren ; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.

2e Serie.
XXXVI.
Gods openbaring heeft de grootste waarde voor de menschheid. Ook de natuurlijke mensch, die haar niet wil erkennen, geniet door haar de grootste zegeningen, zonder dat hij het beseft. Dat de Heere zich aan den mensch openbaart, heeft toch niet alleen de strekking om hem over de eeuwige dingen het licht te doen opgaan, maar sluit ook eene zedelijke kennis in, die voor het natuurlijk leven en zijne ontplooiing van de grootste beteekenis is. Ook voor het zedelijk leven is de godsdienst de draaggrond. En zonder zedelijke orde, zonder zedelijk gezag en zonder zede wet zou het menschelijk leven op dien naam geene aanspraak kunnen maken. Het maatschappelijk leven zou niet mogelijk wezen, indien er geene zedewetten waren, die tot gehoorzaamheid wenken en in de wetgeving der volkeren belichaamd werden.
En nu is dit merkwaardig, dat ons hier wordt geleerd, hoe van den beginne af de mensch onder Gods leering eene wetgeving heeft verkregen, ook al was er nog van geen schrijven, en dus van geen geschreven Woord, noch ook van eene geschreven wet sprake. „De Heere stelde een teeken aan Kaïn". Daardoor wordt ons geleerd op welk eene bijzondere wijze de Heere er voor waakt, dat Kaïn's misdaad geene oorzaak zal worden, dat zich een toestand van volslagen wanorde zal ontwikkelen. Zijne gruweldaad eischte eene gerechte straf, eene wrekende gerechtigheid zou over Kaïn het vonnis voltrekken. Maar ook daarin openbaart zich de Heere als een God van orde, die niet kan toelaten, dat ieder zonder meer als bloedwreker optreden kon. Nu er nog geene overheid was, die als rechter kon optreden in den Naam des Heeren, nu staat de Heere zelve op. Hij geeft niet slechts het vonnis der gerechtigheid, maar ook de voltrekking daarvan neemt Hij in eigen hand. Hij wil niet, dat aan een regellooze menschelijke wraak de misdadiger zal worden overgeleverd, doch zal Zelve dezen broedermoorder richten. Daarom God zet aan Kaïn een teeken. Hij onderscheidt dus Kaïn door een bepaald, voor aller oog zichtbaar teeken, opdat een iegelijk zal kunnen weten, dat niet straffeloos de hand der wrake kan worden geslagen aan dezen mensch, hoe vreeselijk ook zijne gruweldaad was. Dit teeken had dus ten doel Kaïn te beschermen, door den menschen te toonen, dat deze stond onder de bijzondere schutse Gods. En dit niet daarom, dat hij nu straffeloos zou uitgaan, maar juist om hem voor te stellen 3.1s gevallen in Gods eigen hand. Waarin nu dit teeken heeft bestaan, wordt ons niet meegedeeld en doet ook eigenlijk niet ter 2ake. Wat het eigenlijke hierin is, wordt ons slechts aangewezen, namelijk, dat Kaïn door zijne medemenschen onderkend werd als door den Heere met een merkteeken onderscheiden, opdat niemand den moed zou hebben de hand naar hem uit te strekken. Een iegelijk kon hem dus terstond kennen als een man, die hoe vreeselijk hij ook gezondigd had, toch daarom nog niet op eigenmachtige wijze mocht worden gestraft. Hij was een geteekende Gods, het tegenbeeld van Gods kinderen, waarvan de Heere zeide tot den profeet Ezechiël aangaande den man, die met linnen bekleed was en des schrijvers inktkoker aan zijne lendenen had : „Ga door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teeken een teeken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden". Hier worden dus Gods kinderen ook met een merkteeken voorzien, opdat als het oordeel zou doorgaan, de verderver hen terstond zou kennen en voorbijgaan. Het teeken, waarvan hier sprake is, werd als ingegrift, althans op de voorhoofden onafwischbaar aangebracht. Maar Kaïn werd met een teeken voorzien, niet opdat hij zou zijn als een uitverkorene uit velen begenadigd, doch als een gemerkte, die door alle anderen zou worden gemeden, als een ten oordeel opgeschrevene, die niet door menschen, maar door God zelven zou worden bewaard tot den dag des oordeels.
En nu is het merkwaardig, dat onder dé volkeren der wereld dit zelfde verschijnsel wordt aangetroffen, zoolang zij nog niet tot eene cultuur-ontwikkeling gekomen zijn, waarbij er voor geschreven wetten en geordende rechtspraak ruimte is. Ook zelfs op dien lagen trap, waarop de natuurvolken staan, is er toch van onderscheidende teekenen sprake, waardoor personen en zaken als van Gods wege worden beschermd. De geschiedenis der godsdiensten kent het zoogenaamde „tabu" verschijnsel. Door dit Polynesische woord wordt aangeduid de gewoonte om bepaalde zaken door een merkteeken te onderscheiden en ze alzoo als onder goddelijk verbod staande aan te wijzen. Door het onderscheidingsteeken wordt de gemerkte zaak aan het gewoon gebruik onttrokken. En onder dat licht verschijnt hier nu ook Kaïn. Niemand mag meenen, dat deze mensch, hoe schuldig hij ook staan mocht, hoe groot ook de afschuw was door zijne daad verwekt, daarom door iedereen mocht worden aangerand. Een teeken werd aan hem gesteld, waardoor voor aller oog duidelijk werd, dat hij aan goddelijk recht was overgeleverd en juist daarom tegen alle menschelijke willekeur werd beschermd. Zoo is er dus van den aanvang af reeds eene door Gods openbaring aan de menschheid in het algemeen bijgebrachte rechtsorde, die in goddelijk licht voor het menschelijk bewustzijn verschijnt. Met Gods gezag is dit recht gekroond, reeds voordat er van eene overheid sprake kon zijn. Er was van den beginne een rechtsbesef levendig in den mensch, dat als eene temperende macht in zijn zondeleven verscheen en alzoo medewerkte tot het ontstaan van een geordend maatschappelijk leven.
En dat wij daarin niet van doen hebben met eene menschelijke uitvinding, noch met product van menschelijk overleg, maar met eene daad van goddelijke openbaring, dat blijkt ons uit hetgeen er met Kaïn geschiedde. De Heere stelde aan Kaïn een teeken, liet hem van nu aan voor het oog zijner medemenschen verschijnen in het licht van Gods verbod, opdat niemand het wagen zou de hand tegen hem op te heffen om wraak te doen over Habel's onschuldig vergoten bloed. De misdadige Kaïn wordt niet prijs gegeven aan de bloedige wraak van anderen, maar alleen door den Heere zelven gestraft. En deze rechtsvorm wordt mogelijk gemaakt door de openbaring Gods, die aan Kaïns' medegenooten leerde verstaan, dat de broedermoordenaar niet staat buiten goddelijk recht. Zoo ligt er dus eene maatschappelijke orde in dezen door God gegeven rechtsvorm besloten, waardoor duidelijk wordt, hoe de leiding Gods met de menschheid van den beginne is gericht op de schepping van een geordend maatschappelijk leven, dat door Gods openbarende daad wordt gedragen. Daarom is dan ook in art. 36 onze Belijdenis gezegd : „wij gelooven, dat onze goede God uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts" heeft gewild, dat „de wereld geregeerd worde door wetten ende politiën, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde". De Heere, en dit wordt ons door het teeken, dat Hij aan Kaïn stelde, geleerd, heeft van den beginne aan door Zijn openbaringslicht daartoe de kinderen der menschen opgevoed, daar op deze wijze zelfs de moordenaar werd gesteld onder de wet Gods, die hem beschermde.
Kaïn verschijnt, ondanks zijn bloedschuld, voor de zijnen in het licht van dit verbod Gods, waardoor hem wordt gewaarborgd eene levenszekerheid van de zijde der menschen, een oordeelszekerheid van de zijde Gods. Kaïn zou niet verslagen worden door wie hem maar ontmoet. En daarmede bewijst nu de Heere nog een groote lankmoedigheid jegens dezen mensch. Immers, tengevolge van de ontwrichting zijner consciëntie door zijne misdaad veroorzaakt, leefde hij in gedurig vreezen. Uit vreeze des doods is de zondaar der dienstbaarheid onderworpen gedurende zijn gansche leven. En dit woord wordt op angstwekkender wijze vervuld, naarmate de uitgieting der zonde geweldiger was. Zoo heeft dan ook Kaïn ervaren hoe de wroeging hem geworpen heeft in den maalstroom der ellende. Hij gevoelde zich vervolgd van oogenblik tot oogenblik. In elke ritseling, die de stilte van den nacht verstoorde, beluisterde hij de booze vijandelijke macht, die met hare wrake hem najoeg. En zijn eigen verbeelding schiep onder den druk van zijnen zondelast de benauwende figuren, die als eene nachtmerrie hem beklemden. En zoo zag hij ook in elk mensch, die hem benaderde, een vijand, die hem bejegenen zou, zooals hij Habel had gedaan, een moordenaar, die het toelegde op zijn leven. Waar hij ook toefde, bij dagen en bij nachten, steeds waren er de gedrochten van zijn ontrust gemoed om zijn zielsvrede te bannen en zijne levenszekerheid te bedreigen. Het was dus een vreeselijk lijden, dat aan Kaïn's leven alle blijdschap ontroofde.
Zoo wordt deze broedermoordenaar ons dus geteekend als een typisch exempel van de verwoestende uitwerking der zonde in het zielsbestaan des menschen, opdat de menschheid na hem de eeuwen door zou weten welk een nasleep van ellende de zondedaad met zich brengt. Zij moest weten, dat het lijden der ziel veel smartelijker, veel vlijmender is dan alle pijn des lichaams. Daarom heeft de Heere Jezus met zooveel nadruk gewaarschuwd tegen den dienst der zonde, ons predikende, dat het ons nut is, dat een onzer leden vergaat, opdat niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. En reeds Jesaja heeft dat lijden doorgrond, toen hij waarschuwde aan het slot zijner profetie : „want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitgebluscht worden en zij zullen allen vleesch een afgrijzing wezen". Doch hierin wordt de groote lankmoedigheid des Heeren over een Kaïn en over heel ons gevallen menschengeslacht openbaar, dat Hij met eene rechtsorde ook eene rechtszekerheid waarborgt, die althans in het aardsche leven zelfs aan een Kaïn nog een dragelijk bestaan bereiden kan. Hij mag weten, dat hij zal vallen in Gods hand en niet in die der menschen. In het bestel dezer rechtsorde heeft de Heere ons dus eene groote lankmoedigheid en goedertierenheid bewezen, want daardoor wordt het goddelijk recht ingedragen in eene wereld van ongerechtigheid, opdat de macht der zonde en de uitwerking van haar verderf zal worden getemperd en alzoo er ruimte zal blijven voor eene samenleving, die hoe diep gevallen de mensch ook moge zijn, alzoo toch het terrein kan wezen, waarop Gods particuliere genade werken zal, opdat uit den nacht onzer verlorenheid de dag zal opgaan van Zijn Koninkrijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's