STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE VOLKSWELVAART.
Het gaat met het welvaartspeil der bevolking nog steeds in dalende richting.
Bij vergelijking der cijfers, uitgegeven door het Centraal Bureau voor de Statistiek, voor wat betreft het verloop van het inkomen, zou in het jaar 1930 ten opzichten van het jaar 1920/1921, rekening houdend met een bevolkingstoename in tien jaar tijds van 15 1/2 pCt., het nationaal inkomen met 667 millioen gulden moeten zijn vooruitgegaan. Echter blijkt uit de cijfers het tegendeel.
Er was geen vooruitgang met 667 millioen, maar zelfs een teruggang met 80 millioen. Het inkomen per aangeslagene daalde van 1921 tot 1931 van f2.619 op f2.253, dat is een terugloop van het inkomen tot bijna 14 pCt.
Sindsdien is de toestand nog veel ongunstiger geworden.
Toen de Minister van Financiën, mr. de Geer, zijn millioenen-nota bij de Staten-Generaal midden September van het vorig jaar indiende, becijferde hij het tekort Op de Rijksbegrooting voor het Dienstjaar 1933 op 147 millioen gulden.
De oorzaak van dit tekort was o.m. gelegen in de verminderde draagkracht van de bevolking. Op het artikel der begrooting „opbrengst der belastingen" moest 68 millioen gulden minder worden geraamd. Voorts diende gerekend te worden, dat ten behoeve van het Gemeentefonds, eveneens ten gevolge van de mindere draagkracht der bevolking, een bedrag van 20 million zou benoodigd zijn, wat een totaal aan teruggang der middelen gaf van rond 90 millioen gulden.
Voor het volgend jaar staan de zaken niet gunstiger. Integendeel voor het jaar 1934 dreigt weer een nieuw tekort. Dit te-kort, aangenomen dat de verschillende belastingmaatregelen zullen tot stand komen, wordt volgens de thans beschikbare gegevens geraamd op niet minder dan 122 millioen.
Ook in Nederlandsch-Indië is de financieele toestand, die zoo nauw samenhangt met de geldmiddelen hier te lande, buitengewoon ernstig. Alleen reeds vraagt de dienst van de schuld in Indië, rente en aflossing plus de pensioenen een uitgave van 177 millioen. De primaire diensten: binnenlandsch bestuur, rechterlijke macht, de gezagsorganen en de belastingdienst vorderen een uitgave van 160 millioen, samen 337 millioen, terwijl de inkomsten voor 1934 geraamd worden op 258 millioen en na een verhooging met 31 milioen aan nieuwe heffingen 289 millioen. Dit beteekent derhalve .-zooals dr. Colijn in de vergadering van de Tweede Kamer van 2 Juni zeide — dat als men geen cent uitgeeft voor onderwijs, als men niets uitgeeft voor den landbouw, als men geen enkelen anderen tak van Staatszorg onderhoudt, dat er dan nog In Nederlandsch-Indië rond 50 millioen tekort op het budget te dekken valt.
Deze cijfers spreken ongetwijfeld zeer sterk.
De toestand zoowel hier te lande als in Nederlandsch-Indië is dan ook metterdaad buitengewoon ernstig. Hij wordt zelfs hoogst bedenkelijk, wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen, — dat zooals wij hierboven reeds schreven ~ het welvaartspeil der bevolking in beide gebiedsdeelen van het Koninkrijk nog steeds in dalende richting gaat.
Men kan zich haast niet indenken, hoe het verder gaan moet, wanneer de economische depressie, die de algemeene volkswelvaart in hevige mate teistert, blijft aanhouden en de groote conferentie te Londen mocht mislukken.
Het was zoo juist gezien, wat dr. Colijn verder in zijne rede in de Tweede Kamer zeide, dat op het oogenblik in den toestand, waarin onze volkswelvaart verkeert, elke belastingverhooging een economisch-sociaal kwaad is, omdat het de verbetering van den toestand tegenhoudt. Toch zullen nieuwe heffingen onvermijdelijk zijn, omdat werkelijk ingrijpende bezuinigingen te langzaam doorwerken om daarvan te mogen verwachten een spoedige sluiting van het budget.
En om de sluiting van het budget moet het toch boven alle andere dingen gaan. Want worden de uitgaven met de inkomsten niet in evenwicht gebracht, dan komt de inflatie, die nu reeds voor de deur staat, naar binnen. Reeds de vorige week heeft men het kunnen waarnemen, dat een aanval op den gulden werd gedaan.
Gelukkig is toen die aanval afgeslagen.
De toestand blijft echter hoogst onzeker en twijfelachtig.
De eenige weg, die ons met Gods hulp voor den chaos kan bewaren, is, dat ons volk in zijn geheel achter dr. Colijn en zijne medewerkers in het crisiskabinet optrekt.
Mocht het aan eensgezindheid bij ons volk gaan ontbreken, hetzij dat men poogt — waaraan helaas zelfs Gereformeerden mede doen ~ om de kracht van de Regeering te breken, of wel, dat men onrust en wanorde verwekt en zich tegen de wettige Overheid verzet, dan heeft men zich wel te bedenken, wat daarvan het gevolg zal zijn.
Het gaat dan recht op de revolutie aan, waardoor ons land wordt ten gronde gericht.
God moge daarvoor land en volk bewaren.
Het was ons uit het hart gegrepen, toen dr. Colijn aan het einde van zijne voortreffelijke redevoering in de Tweede Kamer onder groote stilte zeide : „Als men meent, dat ik zelf of een der andere ambtgenooten, die met mij in dieper levensbeginsel overeenstemmen, afstand zouden hebben gedaan van onze overtuiging omtrent den dieperen grondslag voor het Staatsieven, omtrent de beteekenis van de Goddelijke openbaring ook op dit terrein, dan weer vergist men zich. Gods Woord blijft voor mij, wat het altijd was : kenbron en richtsnoer ook op dit terrein van het leven".
Zoo het regeerbeleid ziende en opvattende gaat ons volk achter de Regeering aan met de hoop en de verwachting, dat het Kabinet onder Gods zegen het door de donkere tijden zal heen geleiden en het schip van Staat in veilige haven zal doen aanlanden.
HET MAANDELIJKSCHE OVERZICHT.
Uit het laatst verschenen Overzicht — dat van de maand Mei ~ van de opbrengst der Middelen, blijkt overduidelijk de juistheid van hetgeen wij hierboven schreven.
In de eerste plaats vestigt het genoemde Overzicht de aandacht op het verschil der ontvangsten over de eerste vijf maanden van het jaar 1932, een tijdperk, dat in financieelen zin reeds ongunstig was, en die over dezelfde tijdruimte van het jaar 1933. Bedroeg de opbrengst der Middelen over de eerste vijf maanden van 1932 ruim 177 miliioen, in het gelijke tijdperk van 1933 kwam de opbrengst niet hooger dan even 159 millioen, een vermindering aan inkomsten dus van 18 millioen gulden.
In de tweede plaats blijkt uit het Overzicht der Middelen, dat de opbrengst van de maand Mei 1933 bij die van de gelijknamige maand van het vorig jaar ruim 2 millioen ten achter bleef.
En eindelijk toont het Overzicht der Middelen aan, dat de totale opbrengst over de eerste vijf maanden van het jaar 1933 nog niet het 5/12 der raming, welke raming reeds met de verminderde draagkracht der bevolking heeft gerekend, kon bereiken.
De totale opbrengst over de eerste vijf maanden was bijna 2 ton lager dan de raming.
Wat de inkomsten van het „Leeningfonds" betreft, was de opbrengst, ondanks de nieuwe bronnen van Inkomsten, die over het jaar 1932 werden aangeboord, over de eerste vijf maanden bijna 3 millioen achter gebleven bij die van de eerste vijf maanden van 1932. De totale opbrengst was f 24.4 millioen tegen het vorig jaar 27.3 millioen.
Met de inkomsten ten bate van het „Gemeentefonds" stond het niet gunstiger. De inkomsten van dit fonds in de eerste vijf maanden van 1932 in totaal 45.8 millioen liepen over de gelijke periode van 1933 terug tot 38.2 millioen. Ook hier dus een teruggang van 7.6 millioen gulden.
De lagere opbrengsten van al deze bronnen van inkomsten van het Rijk wijzen er op, dat de financieele toestand van den Staat bij de maand slechter wordt.
Welke uitkomsten zal de maand Juni voor 's Rijks schatkist hebben opgeleverd ?
Met belangstelling zien wij het nieuwe Overzicht, dat in den regel in het midden van de daarop volgende maand verschijnt, tegemoet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's