De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

Uit het ongeschreven Woord.

10 minuten leestijd

Genesis 4 : 16. En Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.

2e Serie.
XXXVILI.
Niet de willekeur der menschen, maar het goddelijke recht zou aan Kaïn worden voltrokken. Hij wordt daarom een geteekende des Heeren, die in tegenstelling met Gods kinderen wordt bewaard tot den dag des kwaads. Het oordeel zal hij niet ontgaan, de straf zal hij niet ontkomen. In de handen Gods zal hij vallen en niet in die der menschen. En alzoo laat de Heere reeds in de eerste periode der menschelijke geschiedenis eene rechtsorde geboren worden, die de samenleving mogelijk maakt door den gruweldrang van het gevallen geslacht te temperen. Door een teeken wordt het aan Kaïn's tijdgenooten openbaar, dat deze broedermoordenaar onder Gods verbod ligt. Niemand mag hem aanraken, niemand de hand naar hem uitstrekken en dus zal ook niemand verder gemeenschap met hem kunnen oefenen. Als een eenzame, van allen verlatene, door ieder geschuwde en gevreesde, staat Kaïn daar te midden der zijnen. Hij wordt voortaan gemeden, ontweken, ontvlucht door ieder, die hem ziet, want hij draagt het goddelijk merkteeken, dat aan allen verkondigt welk een bijzonder mensch deze is.
En zoo wordt het nu ook begrijpelijk, dat hij niet blijft in den kring, waarin hij geboren is. Hij kan daar niet blijven vanwege het goddelijk kenmerk, dat hem onder het verbod Gods legt. Hij is de door allen gevreesde geworden; wie zich met hem bemoeide, zou Gods oordeel op zich laden. Was daarin voor Kaïn een waarborg, dat hij niet zou worden gedood, anderzijds was het toch ook reeds een beginsel der oordeelen Gods, want zoo kan de mensch toch eigenlijk niet leven. Onder aller afschuw wordt den enkeling het leven tot een last. Zoo was het nu ook voor Kaïn geworden. En daarom volgt er: „En Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren." Dat beteekent natuurlijk niet, dat er voor hem een ontkomen was aan Gods tegenwoordigheid. Dit juist is het ontroerende in ons mensch-zijn, waaraan wij meestal zoo weinig denken, dat wij, ook als wij het niet schijnen te \\eten, toch voor Gods aangezicht verkeeren. Ook als de booze mensch zijne booze raadslagen formeert, als hij de gruwelstukken uitdenkt, de listen en het bedrog beraamt, verkeert hij in de onmiddellijke tegenwoordigheid Gods. Hij is steeds bij ons, om ons, voor ons, bij al wat wij laten en doen. Voor Zijne oogen geschiedt ook het verborgenste in onze ziel. Daarom zong David: „Heere! Gij doorgrondt en kent mij. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan. Gij verstaat van verre mijne gedachten." Zoo diep was deze dichter onder den indruk dezer onafwentelbare tegenwoordigheid Gods, dat hij daarvan zeide: „De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij." En zoo was daaraan ook geen ontkomen. »Zoo ik opvoer ten hemel. Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel. Gij zijt daar." Uit dat oogpunt gezien, was er dan ook voor Kaïn geen ontkomen. Zelve mocht Iwj daarbij niet stilstaan, ja, de gedachte aan God van zich afzetten, trachten Hem te vergeten door de roepstemmen, die van binnen en van buiten tot hem kwamen, tot zwijgen te brengen, hij mocht zich verharden in onwil en de handen dreigend soms opheffen naar den hemel, aan Gods tegenwoordigheid kon hij zich toch niet onttrekken. De Heere is God en niemand meer!
Als er dus geschreven staat, dat Kaïn uitging van des Heeren aangezicht, dan is daarmede niet bedoeld, dat hij zich aan Gods tegenwoordigheid kon onttrekken. Daarom wordt er ook gesproken van „het aangezicht des Heeren" om daarmede te kennen te geven, dat er hier sprake is van Gods openbarende daad. Kaïn ging uit van de plaats, waar de Heere zich openbaarde. Er blijkt uit deze omschrijving, dat Gods Woord een diep inzicht geeft in het menschelijk bestaan. Het aangezicht des menschen is de spiegel zijner ziel. Ook de minste roering, die er door onze ziel gaat, vertolkt zich op het aangezicht, weerspiegelt zich in de trekken van ons gelaat, in den glans van het oog, in al die kleine zenuwbewegingen, die teekening geven op ons gelaat. Zoo is op het aangezicht de weerschijn der verborgenheid onzes levens, daar het openbaart hetgeen zich innerlijk afspeelt. En alzoo wordt het nu door Gods Heiligen Geest gebezigd als de beeldvolle uitdrukking, die ons zegt wat het goddelijk Wezen is voor den mensch, hoe het Zich openbaart aan den mensch, hoe het deugdenbeeld Gods aan het bewustzijn van Gods Kerk verschijnt in den Naam des Heeren, waarin Hij Zich openbaren komt aan Zijn volk. Die openbaring Gods nu gaat dan ook steeds gepaard met een dienen Gods. Waar de Heere Zijn aangezicht ontdekt voor den mensch, daar wordt in dien mensch ook die diepe eerbied geboren, die tot Zijne vereering dringt. Zoo wordt er dan ook een eeredienst geboren, waarin de menschen zich vereenigen om den Naam des Heeren, die Zich aan hen openbaart, te verheerlijken. En ook in Adams geslacht was er zulk een dienst des Heeren. Hij was wel uit het paradijs verdreven om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen werd en hij vond wel, als hij wilde wederkeeren, de Cherubim, èn het vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens, maar de Heere had hem doen herboren worden tot eene nieuwe en levende hope en hem geloof gegeven in het zaad der vrouw, dat der slang den kop vermorzelen zou. Daarom had de gevallen Adam toch weder een dienst des levenden Gods ontvangen, dien hij in den kring der zijnen volbracht. In dit eerste gezin was er dus de kiem van Gods uitverkoren Kerk gelegd, al blijkt ook reeds daarin terstond van de verkiezende daden des Heeren. Niet alle Adams kinderen waren als Habel. Kaïn is het voorbeeld van de verwerping. En nu dan ook Kaïn's gruweldaad was voltrokken, was juist die dienst des Heeren, die zijn stempel zette op Adams gezin, als het brandende ijzer, dat pijnlijk schroeide over zijne ziel. Die dienst Gods, waarin en waardoor de Heere zich voortdurend openbaarde, prikkelde Kaïn's vijandschap, maakte hem het leven in dien ouderlijken kring ondraaglijk. Dat juist kwelde hem, deed hem uitzien naar eene andere omgeving, waarin hij niet meer zou hoeren van de sprake Gods.
Het was met Kaïn als met den natuurlijken mensch onzer dagen, die in den omgang met Gods volk geen behagen heeft, wiens vijandschap oplaait en die geen woorden genoeg heeft om „de fijnen" te smaden. Hij kan het onder Gods kinderen niet uithouden, want hun leven is hem tot een ergernis, hun woord tot eene pijn, tot een voortdurende hinder. En zoo lezen wij van Kaïn, dat hij „uitging van het aangezicht des Heeren", van uit dien kring, waarin de Heere zich openbaarde, van uit Gods volk en Kerk, waarin de Heere Zijn goddelijk deugdenbeeld deed uitstralen en de heerlijkheid Zijner goedertierenheid deed smaken. Kaïn had daarin geen behagen meer en het was hem eene kwelling des harten. En dus gaat hij uit van het vaderlijk geslacht, verlaat hij de omgeving, waarin hij was opgevoed. Hij had nieuwe en andere idealen, die hij nastreven zou, begeerde naar een ander oord, dat hem niet bij voortduur herinnerde aan het vreeselijk verleden en aan de Godssprake, die tot hem uitgegaan was. Hij wilde een ander leven, een nieuw leven, buiten hetgeen hij voorheen had gekend. En dus hij gaat uit van het aangezicht des Heeren, Wiens dienst hij verachtte. Wiens volk hij haatte. Wiens nabijheid hij vreesde. Als de verloren zoon ging hij de wereld in, doch om niet meer weder te keeren naar het Vaderhuis.
Zoo ging dus Kaïn uit het midden van Gods volk. Weg van alles en van allen, van zijn geheele verleden, van ouders en magen, van Gods aangezicht! Ongetwijfeld, nieuwe idealen wenkten hem voorwaarts. Maar dat hij toch het geluk niet vond, dat hij nastreefde, blijkt uit den naam van het land, waarheen zich zijne schreden richtten. De Schrift zegt ons: -„hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden."
En nu is het van belang er op te letten, hoe in de Schrift de namen der dingen, van personen en steden en landstreken, meestal een andere, diepere strekking hebben. Voor ons zijn de namen dikwijls niet veel meer dan etiketten, dan ledige klanken, die dienen om ons de onderscheiding in het leven mogelijk te maken. Ja, het schijnt yid alsof, naarmate de beschaving hooger peil bereikt, de namen hoe langer hoe zinlediger worden, daar we in het moderne leven op allerlei gebied als nummers worden gekenmerkt. Maar in Gods Woord is het anders. En zoo ook hier in Kaïn's geschiedenis. De Heilige Geest typeert ons het land, waarheen deze broedermoorder trekt, als het land Nod, dat beteekent, dat het een land is van ellende, een land, dat de geneugten van het vaderland mist, een land, dat geen rust biedt, een land van ballingschap. Dat woord „Nod" herinnert aan het riet, dat door den wind her en derwaarts wordt bewogen, aan het rusteloos omzwerven van een vluchteling, die steeds wordt achtervolgd. Zoo wordt dan ook in Psalm 56:9 hetzelfde woord gebruikt, als de dichter zegt: Gij hebt mijn omzwerven geteld." En dat zulk omzwerven met diepgaand leed gepaard gaat, blijkt wel uit hetgeen hij er aan toevoegt: leg mijne tranen in uwe flesch, zijn zij niet in Uw register? " Zoo draagt nu het land, waarheen Kaïn zijne schreden wendt, den naam „Nod", opdat de eeuwen door het zal worden verstaan, dat ter plaatse, waar des Heeren aangezicht niet meer wordt ontdekt, geene rust en vrede, geene vertroosting en geluk kan worden gevonden. En in dat land „Nod" woont nu voortaan deze Kaïn. Hij zal er zijne verblijfplaats hebben en vandaar niet meer uitgaan.
Zoo wordt ons dus in uiterst eenvoudige woorden het vreeselijk lot van Kaïn beschreven. Door allen geschuwd, gevreesd, gehaat, verdwijnt hij van uit het midden van Gods Kerk en volk, gaat hij de wereld in. Hij jaagt nieuwe idealen na om zich eene nieuwe toekomst te verwerven. Hij zwerft weg van het huis zijns vaders, van de oorden, waarin hij zijne jeugd had doorgebracht. En hij kwam in het land „Nod", het onherbergzame vreeselijke oord, dat hem geen rust zou bieden. Het was een land van vruchtbaarheid en weelde, dat op rijke wijze alle levensvoorwaarden bood, maar toch geen zegen en geen vrede schenken kon. Zoo werd het een land van teleurstelling, van onzeglijk zieleleed voor dezen Kaïn, waarin het oordeel over hem voltrokken werd, dat de Heere Zichzelven had voorbehouden, toen Hij aan Kaïn een teeken had gesteld.
Zoo toog hij uit naar het land „Nod", welks ligging nader wordt aangeduid met de woorden „ten oosten van Eden". Het lag dus aan dezelfde zijde, waar ook de Cherubim gesteld waren, die den weg moesten bewaren van den boom des levens. Ook deze waren gesteld tegen het oosten des hofs van Eden. Alzoo werd Kaïn's woonplaats verder afgebracht van de oorspronkelijke woonstede der menschen. En daarmede week het paradijsideaal steeds verder terug uit zijn leven. Dit was het droevig lot, dat den broedermoordenaar trof. Al mocht hij niet vallen in de handen der menschen en niet worden gedood, hoewel in latere tijden wie des menschen bloed vergoten had, ook zelve den dood moest sterven. Nu in deze eerste tijden, waarin het getal der menschen nog klein was, nam de Heere het vonnis over Kaïn zelve in de hand, spaarde hem nog het leven, opdat de vermenigvuldiging der menschen niet al te zeer werd gedrukt. Doch de straf kon Kaïn niet ontloopen. Zij was zeker niet minder gestreng dan die hem in den dood ware overkomen. De apostel Judas heeft dan ook over den weg van Kaïn het „wee hun" uitgeroepen. En naar het woord van Johannes is hij voor alle eeuwen het toonbeeld van den mensch der zonde, die zijnen broeder haat, die een doodslager is, „en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's