De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE KRACHT VERNIEUWD.

13 minuten leestijd

Hij geeft den moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft; de jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen, maar die den Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden; zij zullen loopen en niet moede worden ; zij zullen wandelen en niet mat worden. Jes. 40 : 29—31.

Hoort! Jesaja heeft een boodschap Gods aan zijn volk ! Troost, troost mijn volk, zoo had de Heere hem opgedragen ; en tevens legde de Heere de woorden in zijn hart en op zijn lippen. En daarom was het niet eens menschen woord, dat hij sprak, maar het van leven tintelende woord van Hem, die het leven heeft en het leven geeft. En wat moet Jesaja het volk nu gaan boodschappen ? Dit: uw strijd is vervuld ; uw ongerechtigheid verzoend ; dubbel hebt gij ontvangen voor al uwe zonden.
Om het geweldige van dit Godswoord te kunnen zien en te kunnen verstaan, moeten wij in gedachten naar Babel; moeten wij de kinderen Israels daar zien, treurend in ballingschap. Waarheen zij hun blik ook wenden, het is overal even donker en duister. Zij kunnen zichzelf niet verlossen; evenmin kunnen zij hope koesteren, dat een ander volk hen zou willen bevrijden. En wat den God hunner Vaderen betreft, hoor ze klagen : „Mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij".
En zie, daar komt nu het Godswoord tot hen ; een woord, dat als een bliksem inslaat in het veld van hunne gedachten. Het eischt volle opmerkzaamheid. Zou voor den Heere iets te wonderlijk zijn ? Hij komt tegen den sterke ! Zijn arm heerscht! De volkeren, altemaal, zijn bij Hem geacht als een stofje van de weegschaal, als een druppel van een emmer. Tegenover Zijn almacht komt alles in eigen nietigheid uit. O, wat beteekent nu het rijk der onderdrukkers ! Wat beteekenen nu de machten, die zich tegen Zijn volk verheffen !
En niet alleen is Hij groot in macht tegenover de vijanden Zijns volks, zoodat Hij ze zelfs met den adem Zijner lippen doodt; maar even groot en heerlijk is Hij ook in liefde tot Zijn volk, ook al is het, dat zij hun weg volkomen verdorven hebben. Als een herder weidt Hij Zijne schapen, de lammeren vergadert Hij in Zijne armen ; Hij draagt ze in Zijn schoot; de zoogenden leidt Hij zachtkens.
O, nu gaat ons het licht op over die woorden des profeten : uw strijd is vervuld ; uw ongerechtigheid verzoend ; dubbel hebt gij ontvangen voor al uwe zonden. Zóó lag dit alles in den almachtigen, genadigen en barmhartigen God ! Laat nu Sion den blijden roep van den man Gods maar overnemen en het luide verkondigen aan de steden van Juda wat Israël heeft aan zijn God ! Nooit evenwel ver ge te het den vollen nadruk er op te leggen, dat het heil enkel en alleen des Heeren is. Ook Sion ontvange een wel omschreven taak: Zie hier is uw God !
Intusschen mag het ons nu volstrekt niet ontgaan, dat temidden van de troostwoorden Jesaja's, zoo opvallend naar voren treedt het lijden van den Man van smarten. Wat dit ons leert ? Dat Sion verlost wordt, ja, maar door recht! Op het zien van de verlossing des Heeren, stamelt de ziele, ingeleid in de heilgeheimen Gods : „Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld ; de straf, die ons den vrede aanbrengt was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing geworden." Er is geen heil, dan het heil Gods ! En het heil, dat Hij ons schenkt, is verworven door het lijden en sterven van den Heere Jezus Christus. In Hem alleen kan het leven voor de ziel : uw strijd is vervuld; uw ongerechtigheid verzoend; dubbel hebt gij ontvangen voor al uwe zonden.
Welk een rust en vrede, als het kind des Heeren uit de volheid van Gods almacht en genade mag ontvangen alles wat het noodig heeft beide voor leven en voor sterven. Er blijft dan geen verdoemenis over voor degenen die in Christus Jezus zijn. Dan wordt in waarheid zoo vervuld : „Hij geeft den moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft". Immers tegenover onzen strijd staat dan de Heere als de almachtige Held, bij wien uitkomsten zijn tegen allen dood ; tegenover onze zonden en schuld staat Hij als de Barmhartige en Genadige in Christus Jezus, bij wien milde handen zijn en vriendelijke oogen.
Hij geeft den moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft.
Deze prediking des heils in Christus Jezus moest dus het vereenzaamde volk in Babel worden gebracht. Waarom zouden zij klagen over een weg, die voor den Heere verborgen zou zijn en over een recht, dat van hun God voorbij zou gaan ? Wisten zij het dan niet, dat de eeuwige God, de Schepper van de einden der aarde noch moede noch mat wordt ? Den moede geeft Hij kracht; Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten bezit.
Nu moeten wij ook dit woord niet misverstaan ! De eeuwige God toont Zijn almacht. Hij verheerlijkt Zijn genade in den Zoon van Zijn eeuwig ontfermen. Maar aan wie?
Er wordt gesproken van den „moede" en van hem „die geene krachten heeft." Dit moeten wij vooral niet over het hoofd zien. Telkens wordt ons in de Schrift er op gewezen, dat God de Heere Zijn kracht in zwakheid volbrengt. Inderdaad, onze kracht moet er volkomen zijn aangegaan, onze zwakheid, ja onze onmacht, aan het licht getreden, zal de Heere Zijn almacht en mogendheid aan en in ons openbaren. Hij geeft den moede kracht, en den machtelooze vermenigvuldigt Hij sterkte.
Hoe onzegbaar moe kan het volk des Heeren wel eens zijn vanwege den loop, dien zij hebben te loopen ; vanwege den strijd, door hen te strijden. Zooals een daglooner hijgt naar den avond, zoo kunnen ook zij hijgen naar de rust. Maar zie, het schijnt hun wel, alsof de rust steeds verder van hen wijkt. Met den Apostel moeten zij zoo vaak klagen : van binnen vrees ; van buiten strijd ! Zoo zien wij den profeet Elia zich neerzetten onder den jeneverboom. Och, dat de Heere nu rust gave !
Maar wat gebeurt ? Wordt de strijd weggenomen ; het juk van de schouders gelicht ? En nu denk ik weer aan den apostel Paulus. Welk een moeilijk pad. Welk een zware strijd. Een engel des Satans, die hem met vuisten sloeg. Heere, zoo bad de Apostel tot driemalen toe, neem hem van mij weg, opdat ik op den weg niet bezwijke ! Maar, zie, de Heere nam dat kruis niet van hem weg ; die strijd moest worden gestreden ; doch de Heere gaf den moede kracht; deed Zijn genade den Apostel genoeg zijn ; volbracht Zijn kracht in zwakheid. Hoor hoe Paulus straks roemt den strijd volstreden te hebben, den loop te hebben voleindigd, en hoe hem weggelegd is de kroon der rechtvaardigheid. En zoo was immers ook de ervaring van Elia ? Neen, de Heere neemt hem niet weg. Allerlei arbeid heeft de profeet nog te verrichten. Wat de Heere deed ? Hij verkwikte, Hij versterkte den man Gods ; Hij gaf den moede kracht; Hij vermenigvuldigde de sterkte van hem, die geene krachten bezat.
Vooral deze laatste uitdrukking geeft ons een diepen blik in de goede zorg van God voor Zijn volk. Hoe minder zij worden, des te meer vermenigvuldigt de Heere de sterkte voor hen. Uit Zijne volheid, zoo zegt Johannes, hebben wij allen ontvangen genade voor genade. Gij gevoelt, welk een voorrecht het is, om dan maar als een nietsvermogende en niets-bezittende voor den Heere neer te zinken, opdat dan de kracht van Christus in ons moge wonen. Dan mag straks worden geroemd meer dan overwinnaar te zijn, door Hem, die ons krachten geeft. Dan is ook geen kruis te zwaar ; geen levensloop te moeilijk, omdat naar het kruis de Heere ook krachten geeft. Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft.
Welk een diepgaand verschil is er dan toch tusschen degenen, die vleesch tot hun arm stellen, en des Heeren volk, dat ellendig en arm in zichzelf, op den naam des Heeren leerde hopen ! Niet alsof dit altijd zo omaar bij den eersten oogopslag zou zijn op te merken, maar het einde maakt dit wel openbaar. Zelfs is het nog wel eens een moeilijk vraagstuk voor kinderen des Heeren, waarom zij zoo'n moeilijken weg door het leven hebben, terwijl degenen, die vragen naar God noch Zijn gebod, groeien als het kruid. Telkens vinden wij ons in de heilige Schrift van deze moeilijkheid gewag gemaakt. Maar de Heere doet het den Zijnen aan licht en waarheid niet ontbreken. Ook Jesaja mag het licht er over ontsteken. Scherp stelt hij tegenover elkaar : „De jongen zullen moede en mat worden en de jongelingen zullen gewisselijk vallen, maar die den Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen".
De jongen en de jongelingen komen hier dus voor als vertegenwoordigende degenen, die staan in eigen kracht. Geen wonder ! Want immers, der jongelingen sieraad is hun kracht! Geen moeilijkheid is er die niet overwonnen zou kunnen worden ! Geen weg te steil, die niet te loopen zou zijn ! De sterke schouder wordt gezet onder den last, die moet worden weggedragen ! Zij loopen ; zij wandelen ; en in het begin gaat het goed ; zij zijn voorspoedig in alles; maar zie, daar struikelt er een over een steen ; hij valt; ginds wordt een ander de last te zwaar; hij wordt moede en mat. Voorwaar, de profeet heeft het goed gezien. De jongen, zij mogen flink zijn en sterk, aan het eind worden zij moede en mat; de jongelingen, zij mogen nog zoo veel beloven, zij zullen gewisselijk vallen ; alleen, die den Heere verwachten, zij zullen de kracht vernieuwen ; zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden.
Hoeveler leven legt van deze dingen niet een duidelijk getuigenis af ! Het begin was zoo voortreffelijk ! Maar het einde stelde bitter te leur ! Hoeveler verwachting werd niet volkomen te-niet gedaan, omdat zij stond niet in den almachtigen en eeuwigen God, maar in den ij delen en nietigen mensch. Er worden wat huizen der zaligheid gebouwd, waarvan het einde zal wezen een ontzettend verderf. Het begin was zoo voorspoedig. Men was al bezig aan den bovenbouw, toen anderen, gelijk begonnen, nog groeven in den grond en zochten naar een degelijken grondslag. O wat een ijver vaak ; wat een vuur ! Maar het is vreemd vuur. Het wordt alles gewaagd met menschelijke theorie ; verricht in menschelijke kracht. En immers, vervloekt is een iegelijk, die vleesch tot zijn arm stelt!
Waar de Heere evenwel met Zijn Geest komt werken, daar wordt de zondaar openbaar in zijn ellende, zonde en schuld. Daar wordt de hooge en verhevene vernederd ; daar blijft over een arm en ellendig volk. De Geest toch ontdekt den zondaar wie en wat hij door de zonde geworden is. Geen vrucht der gerechtigheid is in eeuwigheid van hem te wachten. Zoo wordt het voor hem een afgesneden zaak, om ooit iets tot zijne zaligheid te kunnen toe doen. Toch echter opent diezelfde Geest, die een blik gaf op het ijdele en nietswaardige van al het menschelijk bedrijf, ook het oog voor de mogendheid der almacht en de volstrektheid der genade Gods. Wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij Hem ! Hoe lieflijk zijn dan der ziele de noodigingen en de lokkingen des Heeren, om tot Hem te komen en bij Hem te zoeken dien vrede en die ruste, die het harte voldoen. In den Heere blijkt dan alles te vinden te zijn wat de ziele in haar zelve mist. En weer is het de Heilige Geest, die den zondaar doet hopen tegen hope op het heil des Heeren ; en zijne verwachting leert stellen op den Heere zijnen God. En ziet, dezulken zullen nooit bedrogen uitkomen. De verwachting dier ellendigen zal niet in eeuwigheid verloren zijn. Zeker, de jongen, zij worden moede en mat; de jongelingen zullen gewisselijk vallen, maar die den Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen. Bedrogen zijn zij uitgekomen in zichzelf, maar om het dan ook te ervaren, dat de Heere in den weg des geloofs, dengenen, die op Zijn Naam leerden hopen, in Christus schenkt alles wat zij noodig hebben voor leven en voor sterven, voor den tijd en voor de eeuwigheid.
Tegenover degenen dus, die staan in eigen kracht, noemt de profeet dezulken, die den Heere verwachten. Zij hebben niets te vreezen. Niet alsof hun levenspad meer effen zou zijn; want veel rampen, veel wederwaardigheden zijn vaak des vromen lot. Maar, terwijl de jongen struikelen en de jongelingen zeker vallen, vernieuwen zij telkens de kracht. En, omdat zij telkens de kracht mogen vernieuwd zien, varen zij op met vleugelen, gelijk de arenden; zij loopen en worden niet moede, zij wandelen en worden niet mat.
Gij gevoelt, het gaat hier in de eerste plaats om de vernieuwing der kracht. Daaruit vloeit dan al het andere weer voort. Naar het grondwoord hebben wij hier te denken aan een boom, die na den barren wintertijd, waarin alles verstorven schijnt, weer nieuwe sappen en krachten ontvangt.
Zoo nu is het ook met hem, die den Heere verwacht; die op den Heere zijn vertrou­wen heeft leeren stellen. Al schijnt alles hem tegen, ziende op den Heere en Zijn kracht; ziende op den Heere en Zijn genade, wordt hem zijne sterkte vermenigvuldigd, ontvangt hij nieuwe kracht.
En het gevolg ? Een opvaart met vleugelen gelijk de arenden ; een loopen en niet moede worden ; een wandelen en niet mat worden. Hoe krachtig is de vlucht der arenden ! Doelbewust stijgen ze omhoog ! Maar niet minder krachtig en doelbewust openbaren zich Gods kinderen, als zij zich maar gegrepen mogen weten door de sterkte huns Gods ! Ziet, na een inzinking wandelt Elia, door de kracht des Heeren gedragen, veertig dagen en veertig nachten door de woestijn. En Asaf, wiens voeten bijna uitgeweken waren; wiens treden bijkans waren uitgeschoten, hij wil moedig den levensloop vervolgen, als hij maar weten mag, dat de rechterhand Gods hem heeft gevat.
Ja, dan wordt geloopen, zonder dat men moede wordt, dan wordt gewandeld, zonder dat men mat wordt. Dan roept men elkander nog blijmoedig toe : „Laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus". Want Gods genade is dan genoeg. Genoeg in Christus ! Dan blijkt in Hem de strijd vervuld ; de ongerechtigheid verzoend; dan wordt in Hem van de hand des Heeren dubbel ontvangen van al de zonden. Dan wordt ook door Sion, zelf geroepen door het heil Gods, de roep van Jesaja voortgeplant; en haar stem gaat uit tot de steden van juda : Zie hier is uw God !
Jesaja heeft een boodschap Gods aan zijn volk. Het is een boodschap van troost voor al dat ellendige en arme volk in zich zelf, dat op den naam des Heeren leerde hopen. Zij behoeven niet te wanhopen, want de Heere is ter redding nabij, en uit Zijne volheid mogen zij ontvangen genade voor genade. De Heere veracht de hoop Zijner ellendigen niet!
Wee echter degenen, die onverbroken in zichzelf, het willen wagen in eigen kracht, zonder God en zonder Christus. Zij zullen vallen en niet weder opstaan.
Lezer, deze boodschap komt ook tot ons. En in wie ontdekt gij nu uw beeld ? Wij weten van Hendrik VIII, dat hij op zijn sterfbed moest klagen : nu is alles verloren ; mijn rijk, mijn kroon en mijn ziel. Zoo zal het wezen met allen, die voor eigen rekening, in eigen kracht voortgaan, en zonder verzoening met God in Christus wegzinken in het eeuwig verderf. Zij zullen gewisselijk vallen.
Welgelukzalig daarentegen wier hope mag staan in Israels God, die trouwe houdt in eeuwigheid. Vernieuwde kracht doet hen steeds voortgaan en opvaren. Zij loopen en worden niet moede, zij wandelen en worden niet mat; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

Ridderkerk  M.Ottevanger.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's