De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Op aanraden van Jap was de Jonker nog een-en andermaal verzocht geworden op „de Eendenkooi" te komen, en had hij eenige belangrijke aangelegenheden met vrouw Brandsma besproken en daarna in overleg met den notaris gehandeld, zooals dit voor de weduwe het beste was. Een onderzoek in de aanwezige papieren had aan het licht gebracht, dat er reeds meer dan een schuldbekentenis lag, waaruit bleek, dat de grootste schreeuwer een belangrijk voorschot genoten had, zoodat zijn aandeel in de te verdeelen goederen betrekkelijk gering was. Bovendien was, door het nemen eener niet onbelangrijke tweede hypotheek op een der panden van de kinderen, de financiëele toestand der eigenares van „de Eendenkooi" lang niet zoo rooskleurig als de meesten dachten.
Gelukkig, dat trouwe raadslieden in dezen nog hadden weten te helpen en tevens door hen zorg gedragen was, dat de oude vrouw, die zelf in het geheel geen verstand van geldelijk beheer had, niet door anderen geplunderd was geworden. Wel was het den aangetrouwden kinderen een doorn in het oog, dat Jonker van Sterrenburgh zich zóó met de familiezaken bemoeide, doch geen van allen had den moed om zich tegen de getroffen maatregelen te verzetten.
Met dat al was de levenskracht der oude vrouw gebroken, 't Scheen alsof zij van dag tot dag minder werd. Tevergeefs trachtte dr. Hannema door tal van middelen den eetlust op te wekken, ten einde zoo de krachten te sterken. Maar toen daarop het scherpe voorjaar kwam, en een hevige longontsteking haar aangreep, was in weinige dagen de strijd beslist.
Elken dag kwam ds. Velthuis op de boerderij om de kranke den troost des Evangelies te brengen ; — de eenige verkwikking, die haar nog kon worden toegediend. Begeerte naar beterschap was er niet meer.
Het leven had al zijn aantrekkingskracht voor haar verloren. Oud, en des levens zat, — zoo was de toestand. Ontbonden te worden en met Christus te zijn, dat was het eenige verlangen. Zelfs was het alsof de droefheid der kinderen, by wie thans het berouw scheen boven te komen over het vele verdriet de moeder gedurende de laatste weken aangedaan, op haar geen invloed meer had. Zij had uitgeleden. Haar laatste woorden golden Jap, die nacht noch dag van haar zijde week en haar verzorgde, als was het eigen vleesch en bloed.
Op een Zondagmorgen, toen de kerkklok de gemeente ten bedehuize riep, blies vrouw Brandsma den laatsten adem uit.
En weer werd Theunis geroepen om an­dermaal den dorpelingen te verkonden, dat de dood een levensfakkel had uitgebluscht, door thans vrouw Brandsma van hier weg te nemen.
Dat zal daar nu ook wat worden, had het publiek gezegd, nu is het hek voor den dam weg en kunnen de kinderen doen en laten wat zij willen. De een wist te vertellen, dat de oudste dochter volgens vaders begeerte op de boerderij kwam wonen. Een ander meende zeker te weten, dat deze er nog bij het leven van Brandsma was uitgekocht, om een niet onbelangrijke schuld gedekt te krijgen, en dat de tweede in jaren in aanmerking kwam voor het bezit van de vruchtbare boerderij. Een derde was er zeker van, dat eerstdaags de heele zaak met al de roerende en onroerende goederen op de borden zou komen.
Klaas Kroontje was er opnieuw op uitgetrokken, ditmaal naar boer Yntema, om te weten te komen hoe de afloop zou zijn ; doch ook hier wist men niets meer dan bij geruchte van dezen en genen vernomen werd. De familie Brandsma had steeds het leed binnen de deur gehouden, zonder anderen in de aangelegenheden, welke alleen het huisgezin betroffen, te mengen. Slechts twee waren er, die iets meer konden zeggen dan het publiek wist; — dat waren de Jonker en de notaris, doch deze zwegen natuurlijk, en wat de koopman ook aandurfde, niet naar deze twee heeren te gaan om van hen te vernemen, wat by zijn dagelijkschen rondgang bij de klanten of achter de toonbank zoo'n mooi nieuwtje zou zijn.
Intusschen had hij zich over één ding heimelijk verheugd. Het was, dat de vette dagen, zoo hij het noemde, voor Jap nu wel voorbij zouden zijn en deze het nü gewaar worden zou. Natuurlijk zou zij hoogstens nog zóó lang in haar dienst blijven tot de zaken daar afgewikkeld waren, waarschijnlijk tot Mei, maar dan was het ook voor goed met het „vrouw spelen" gedaan. En dat werd volgens hem hoog tijd.
Ook bij de familie Mollema was deze gebeurtenis telkens het onderwerp van gesprek. Gedurende de laatste weken was Jap zeer weinig thuis geweest, omdat haar tegenwoordigheid voortdurend op „de Eendenkooi" vereischt werd, doch dit nam niet weg, dat er geregeld gemeenschap bleef tusschen haar en het ouderlijk huis. Want kort na het heengaan van Brandsma, toen de eerste drukte die dit sterven met zich meebracht voorbij was, gebeurde het, dat Klaas Lolkes daartoe door Anneke aangemoedigd Jap gevraagd had, en dat deze zonder lang beraad hem had aangenomen ook. Van af dien tijd was hy nog meer dan te voren de huisvriend bij Mollema, en voor heel het dorp was het zeker, dat die twee vroeg of laat wel een paar zouden worden, omdat zij zoo by elkander pasten. Zoo kwam het, dat Mollema en zijn vrouw geregeld op de hoogte waren gebleven van het leven op „de Eendenkooi, " en toen het eindelijk zóó ver kwam, dat de dood zich blijkbaar niet afwijzen liet, niettegenstaande al de inspanning van den huisdokter, was andermaal om vrouw Mollema gestuurd, ten einde in de uiterste ure bij te staan.
Zóó is het voorjaar gekomen, 't Is Zondag. In de natuur wordt alles levend en groen. Na een malschen regen kan van uur tot uur gezien worden, hoe de knoppen aan de boomen zwellen en op het punt staan open te breken. De veelkleurige primula's in de tuintjes verheffen hun kelkjes vroolijk van tusschen het jonge groen omhoog. Sommige heesters staan reeds geheel in bloei.
In de weilanden, waar de lammeren huppelen, pronken de madeliefjes tusschen het jeugdig groen. Het vogelenkoor zingt zijn schoonste lied en is bezig in de toppen der olmen of berken de toekomstige woning te bouwen. Af en toe doet een ringduif het echt landelijk „roekoe" tot in het oneindige hooren. Een lange eiber stapt parmantig langs den slootkant, om met zijn scherp oog het voedsel te speuren. Ginds op „Landlust", bouwt een ooievaarspaar zijn nest op den nok van de schuur. Heel de natuur is uit haar winterslaap ontwaakt.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's