JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Evenals bij den aanvang van ons verhaal wandelt, na afloop van de middaggodsdiensitoefening, de dorpsjeugd in breede rijen de dorpsstraat op en neer. 't Zijn oude kennissen : Louw Overzee, die dezer dagen zijn examen voor onderwijzer gedaan heeft en schitterend is geslaagd, tot niet geringe voldoening van Jans, die hiermede een harer lievelingsdroömen in vervulling heeft zien gaan ; dan Jouke van den slager, die na zijn oprecht berouw weer met open armen in den vriendenkring is opgenomen en binnenkort belijdenis des geloofs zal doen ; vervolgens Trijn en Claar van Theunis en Aaltje, welke laatste het hoogste woorid heeft en druk vertelt, dat zij met Mei voor goed Kleiterp gaat verlaten om in de stad te gaan dienen ; benevens tal van anderen. Alleen Klaas Lolkes en Jap en ook Anneke bevinden zich niet in de rij. Deze zijn aanstonds na afloop van den dienst naar huis gegaan. De eersten, omdat hun den tijd ontbreekt om te gaan wandelen ; de laatste, omdat zij thuis nog eens overdenken wil wat vandaag in de kerk gehoord werd.
En opnieuw gaan de gesprekken over alles en nog wat, doch niet het minst over de afwezigen.
„Wat Jap nu doen zal ? " vraagt de een. — „Misschien gaan zij wel trouwen, " oordeelt een ander. „Klaas is niet zoo jong meer en zal wel een aardig stuivertje achteruit hebben, en ook Jap is altijd zuinig geweest. — „Moet je toch ook maar een woning krijgen", , merkt een ander op, „in heel Kleiterp is geen huis te huur en hier ligt toch het werk." — „Zouden ze niet in de kamer van haar ouders kunnen komen ? " vraagt weer een ander. De familie Molema verhuist immers mettertijd naar „Grovestins", waar reeds een nieuw gebouw onder de kap staats te midden van mooi boschage, vlak naast de laan die naar het Slot voert ? ”
Maar Claar weet te vertellen, dat daar geen sprake van is, omdat dit Jap veel te min zou zijn en bovendien dat huis reeds lang door een ander is gehuurd. Allen ootrdeelen dat het toch maar een wonder is, dat Douwe met zijn gezin zoo deelt in de gunst van den Jonker, en er bij dezen in den laatsten tijd zulk een verandering heeft plaats gehad, waar hij Zondags nooit uit de kerk mist en zooveel belangstelling gaat toonen voor alles wat Christelijk is. Zelfs heeft hij dezer dagen ruim geteekend op een lijst, hem door de leden der Jongelings-Vereeniging aangeboden, om tot oprichting eener leesbibliotheek te komen.|
Of het evenwel met Klaas Lolkes en Jap al of niet tot een huwelijk komt, één bruiloft is er in elk geval in 't zicht, daar Jouke en Anneke besloten hebben op den aanstaanden hemelvaartsdag naar dorpsgebruik te trouwen. En reeds nu vermaken de jongelui eiclh ibij de gedachte aan de pret die dan komt. Want het spreekt van zelf, dat dan allen van de partij zullen zijn.
Aan den avond van dien zelfden dag is in de pastorie van ds. Feurman een geheel ander gezelschap bijeen en worden ook geheel andere gesprekken gehouden. Mevrouw zilt voor het theeblad, terwijl dominé en Jonker van Sterrenburgh, heiden in een gemakkelijke fauteuil gezeten, een sigaar rooken en luisteren naar het pianospel van een nichtje, dat op verzoek een der machtige composities van Handel speelt. Met groote vaardigheid zwegen de vlugge vingers over het gladde klavier en ontlokken aan het fraaie instrument de lieflijikste tonen. Als de laatste nagalm is weggestorven, ontwikkelt zich een gesprek over de kunst, zooals deze op allerlei terrein door groote geesten beoefend tot wonderbaarlijke scheppingen geleid heeft.
In de laatste tijden is de Jonker menigmaal op de pastorie geweest en worden telkens soortgelijke onderwerpen behandeld. Uit den vertrouwelijken toon, waarop het gesprek gevoerd Wordt, blijkt duidelijk, dat hij hier een gaarne geziene huisvriend is.
„Nooit heb ik voorheen geweten, " aldus zegt van Sterrenburgh, „dat in al den arbeid, die zoowel in het onbewuste natuurleven als door de diepe denkers plaats heeft, de groote Godsgedachten , zoo openbaar worden, gelijk Hij die zelf in Zijn werken uitspreekt. Hoe meer studie ik maak van de onbewuste schepping, hoe meer ik kan 'komen in de geïnspireerde ontboezeming van den psalmist als hij uitroept : de hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap." En hetzelfde vind ik ook terug in de grootsche werken van onze toonkunstenaars en dichters, onze beeldhouwers en schilders, al is het helaas maar al te waar, dat hun penseel en beitel of hun pen en lier niet immer in dienst zijn van Hem, Die de groote gaven van verstand en hart gaf, om ze tot Zijn eer te gebrulken."
Natuurlijk is ds. Feurman iiet hiermede volkomen eens, doch ziet daarin tevens het bewijs, dat alleen door het ontdekkend licht van den Geest des Heeren oog en hart ontsloten kunnen worden voor de heerlijkheid Gods, waarin alles zijn eindpunt vinden moet. Want van hoe onschatbare waarde het ook wezen mag toegerust te zijn met groote gaven en talenten, ja zelfs te leven onder het Woord, het blijft toch maar waar, dat alleen door de wedergeboorte, d.i. door de ontvanging van het nieuwe leven van Boven aan alles zijn waarachtige bestemming gegeven wordt.
Voor Jonker van Sterrenburgh is dit, volgens zijn eigen openhartige verklaring, langen tijd een struikelblok geweest, omdat het de hoogheid van eigen hart zoo vernederde en alle kennen en kunnen voor de eeuwigheid zoo waardeloos maakte, doch de eigen levenservaring heeft hen er hoe langer zoo meer toegebracht om in te zien, dat niet de mensch maar God de eerste en de laatste is en zoowel de roeping als de bewaring, zoowel de rechtvaardigmaking als de heiligmaking en jde verheerlijking het werk , Zijner genade is.
Onder zulke bespreking, zoowel hier als op „Grovestins" herhaaldelijk gehouden, vliegen de uren gewoonlijk om en wordt de Jonker meer en meer bevestigd in de waarheden der Schrift, welke hem voorheen zoo dwaas en ongerijmd schenen.
„En wat zal er nu met .„de Eendenkooi gebeuren ? " vraagt mevrouw na eenigen tijd, als het gesprek een andere wending genomen heeft.
„Van Mollema heb ik gehoord, dat eerstdaags de geheele boerderij publiek geveild zal worden, " is het antwoord van den Jonker.
Met verbazing wordt dit vernomen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's