FINANCIËN
Een week is gauw om, o zoo gauw. Wanneer ik mijn wekelijksch overzicht geef en ik heb het sommetje opgeteld, dan is 't vaak deze gedachte, die bij mij opklimt: „dat viel gelukkig nog niet tegen. Daar zaten dezen keer zoo enkele postjes tusschen, die het goed konden maken. Zoo van die meevallertjes". Doch wat dan tegelijkertijd ook even om het hoekje komt kijken is de iet of wat vrees-wekkende vraag: „zouden deze een volgenden keer niet uitblijven ? 't Zijn zoo van die dingen waarop ge heelemaal geen peil kunt trekken. Reken er maar op, (Ie volgende week hebt ge zoo goed als niets te melden" —
Dat deze gedachten bij een mensch opkomen, daartegen valt weinig te doen.
? t Zijn zoo van die binnen-praters, die ge o zoo moeilijk het zwijgen oplegt. —
Het eenige, wat ge met vrucht moogt aanwenden is de zaak aan den Heere voorleggen. — Daar kunnen zij zoo slecht tegen. Dan schuiven ze de eene na de andere naar achteren om zonder eenig gerucht te verdwijnen, 't Is maar alleen zoo jammer, dat zij zoo telkens weer de kans schoon zien, om opnieuw hun samenspraak te beginnen.
Wat heeft een mensch daarvan niet te lijden ? Hoeveel benauwdheid doet hij zich zelf niet aan, door altijd maar weer opnieuw van zich zelven uit te beginnen. In plaats van te luisteren naar wat de Heere zegt in Zijn Woord, luistert hij ieder keer weer naar zijn eigen hart. Dit brengt hem wat lasten.
Gelukkig als de Heere hem daarover het licht doet opgaan. Dan stopt hij zijn ooren toe niet enkel naar de zijde van de wereld en Satan, maar hij roept nog sterker om verlost te worden van zijn eigen zondige en wantrouwende gedachten omtrent den Heere en Zijn vermoeienissen. Dan durft hij het alleen met God te wagen. Dan wordt het kleinste wat hem tegenkomt hem een blijk van 's Heeren gunst en genade. Dan doet het hem smart aan de ziel, dat hij telkens zoo met wantrouwen de dingen die komen zullen, tegemoet ziet. God de Heere regeert toch en Hij regeert alles naar Zijn hoog bestel. Aan Hem zijn hoog en laag, klein en groot allen tegelijk onderworpen. Tegen Zijn wil kan zich niets roeren noch bewegen. Hij doet het altijd zoo, dat wij het den Dichter wel moeten nazeggen :
Des Heeren werken zijn zeer groot. Wie ooit daarin zijn lust genoot, Doorzoekt die ijvrig en bestendig. Zijn doen is enkel majesteit, Aanbiddelijke heerlijkheid. En Zijn gerechtigheid onendig.
Dat wij dit zoo lederen keer maar weer opnieuw kunnen vergeten, bewijst zoo duidelijk, welk een hart wij omdragen van nature. Dit blijft tegenspreken. Dit wil de leiding niet overgeven. Alleen als God door Zijn Geest en Woord Zijn Majesteit toont, niet het zich buigen en overgeven. Zie dan wordt het, zooals de dichter zegt : aanbiddelijke heerlijkheid.
’t Ging mij zoo ook dezer dagen.
’t Begon met vreeze, van welken kant zou ik nu in werkelijkheid iets mogen verwachten ? Zoo waren mijn overleggingen. En ziet, de Heere beschaamde me al weer voor den zooveelsten keer.
Let maar eens op.
1. Het eerste wat binnenkwam, was de geregelde post uit Zegveld. Hier staat een busje al heel wat jaren. Zoo zijn er zeker heel wat in den goeien tijd geplaatst, waarvan ik nooit iets hoor of krijg. Deze maakt daarop evenwel een gunstige uitzondering. Elke maand weer zendt de heer C. Bardelmeijer den inhoud van zijn busje, 't Was dezen keer weer f 2.73
Wij zeggen de Zegveldsche vrienden hartelijk dank, en spreken den wensch uit, dat de vrienden, die ook zoo'n busje in den loop der jaren tegen, het stof er eens afblazen en eens zien, of door de gleuf ook nog een kleinere of grootere gift wil verdwijnen. Zulk een geregelde steun zet in werkelijkheid zoden aan den dijk,
2. De tweede gift kwam uit dezelfde streek, ook al weer zoo'n houder van een busje. Ditmaal had een der vrienden, die zijn naam niet wil wetsn, hem een gift uit dankbaarheid toebetrouwd, voor onze fondsen, n.l f 5.—
De zender was Jac. v. Pijlen te Hazerswoude. Onzen vriendelijken dank.
3. Ds. v. Hof van Delfshaven zond ons eveneens een dankoffer van N.N. f 1.-
4. Door ds. V. d. Graaf te Nijkerk werd ons een dankoffer van N.N. van f 5.—
5. Vanuit R. werd me toegezonden door P. V. D. als bijdrage voor het Studiefonds f 10.—
Waarvoor ik hartelijk dank zeg.
De vorige week heb ik een enkel woord gezegd, omtrent het slagen voor een of ander examen. Wanneer net hart in die oogenblikken de vreugde vaak niet op kan, zoo is een dankoffer zeker op zijn plaats. Laat dan ook eens aan onze fondsen gedacht worden.
Aan dezen wenk hebben in deze dagen onderscheidene vrienden gehoor gegeven.
In de eerste plaats kreeg ik uit IJ. van de fam. R. voor het slagen van hun zoon voor 't gymnasium f 10.
Evenzoo van den heer V. te V. op mijn spreekuur, uit dankbaarheid voor den overgang naar een der hoogere klassen van zijn zoon f 5.50
Nog van een dankbare grootmoeder van wie twee kleinzoons gewaren dezer dagen voor hun toelatingsexamen aan het gymnasium . f 5.—
’k Heb me verheugd in uw vreugde, en ik hoop van harte, dat dit de eerste stap, of een verdere, mag zijn op uw weg, om te bereiken het heerlijke doel u voorgesteld, waardoor Gods Naam wordt verheerlijkt.
7. Van den heer H. S. te K. kreeg ik voor de beide fondsen f5.—
Mijn oprechte dank.
8. Mej. N. N. zond me per brief N. N. uit dankbaarheid f 2.50
9. Door ds. Alers te Dordrecht kreeg ik van den heer K. als dankoffer voor 't Studiefonds f 5.—
10. Door ds. Remme te Amsterdam kreeg ik voor 't Studiefonds : van R. flC—; van M. flO.—, van D. f 10.—, van mevr. R. 110.— ; van K. , f 5.—; van Sch. f 2.—; van B. f 10.— ; van mej. D. f 2.50 ; van de kas van de afdeeling f 20.— ; uit het busje Sch. f6.50 ; f4.58 uit het busje N. N. door K.; f 9.42 van N. N., samen f 100.—
Deze inzameling heeft me goed gedaan. Ik weet natuurlijk de moeiten niet, welke aan dezen arbeid verbonden zijn, maar ik kan me wel eenigszins indenken, dat er aan een arbeid in zulk een onoverzichtelijk veld heel wat vast zit. iZoo ergens ds hier organisatie gebiedende eisch. Een enkele helper is niet in staat iets te bereiken. Dat de vriendenhanden hier in elkander mogen worden gelegd en veler harten worden bewogen door Gods Geest, om tegen de machten van omkeering en omverwerping te stellen de banier van Gods Woord. Daartoe zegene de Heere ook deze giften.
Ten slotte nog een zending, die me biezonder goed heeft gedaan. Een van de menschen, die door ons Studiefonds gesteund is geworden, zond me f 100.—
als terugbetaling van studiegelden.
Hierin sta ik niet alleen, als ik zeg, dat dit mij zoo echt goed doet!
Door ledereen wordt het zoo aangevoeld, dat wanneer God ons heeft geholpen door menschenhanden te gebruiken, die ons de noodlge middelen deden toekomen, deze handen, als diezelfde God ons daartoe in staat stelt, ook weer door ons worden gesterkt en gesteund. De eerste giften welke inkomen bij het Studiefonds behooren te komen uit de handen van hen, die daaruit gestudeerd hebben.
Zie, daarom ben ik met deze gift ten zeerste verblijd, omdat ik hieruit lezen kan, dat men ook dit als vanzelfsprekend aanvoelt.
Opgeteld was het deze week
f 256.73.
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's