De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

HET PROFETISCHE WOORD.

11 minuten leestijd

Wij lezen in Spr. 29 : 18 : „Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot", dat wil zeggen, als het Woord des Heeren niet verkondigd wordt, dan komt het volk open te liggen voor allerlei verderf. De profetie is als de muren en wallen, die oudtijds de steden beschermden tegen de vijanden. Waren die er niet dan lag het land open voor den vijand. Zonder strijd en moeite konden zij dan binnen vallen, en dood en verderf aanrichten; maar waren er wel muren en wallen, dan moest er heftig gestreden worden om de stad in bezit te nemen.
Zoo is nu de profetie, de verkondiging van Gods Woord. Als die er is, dan heeft een volk daarin een machtige bescherming tegen den vijand, maar is die er niet, dan ligt het open, dan heeft toet geen tegenweer, dan is het terstond in de macht van den vorst der duisternis, die rond gaat als een brieschende leeuw en met listige omleidingen.
Dat zien wij ook in 't bijzonder in onzen tijd op die plaatsen van ons land, waar geen profetie is.
Daar waar geen zuivere verkondiging van het Woord des Heeren is, wordt het volk het gemakkelijkst vervoerd door allerlei wind van leer, daar behalen, om maar een paar voorbeelden te noemen, het socialisme en het communisme het gemakkelijkst hun overwinningen.
Dat wil niet zeggen, dat zij geen overwinningen behalen waar de zuivere verkondiging des Woords wel is ; maar het gaat daar niet zoo gemakkelijk. Daarom spannen zij ook alle krachten in om tegen het Woord des Heeren te strijden. Gods Woord moet weg ! Want als dat er niet meer is, hebben zij veel meer vrij spel. Vandaar ook de oprichting van de „godlooze bonden".
„Gods Woord moet weg", dat zag satan ook al in het Paradijs, dan eerst kan zijn eigen woord ingang vinden, en zoo doet hij nog Mj ieder menschenkind, dat nog eenigermate onder beslag van het Woord is. Want „waar geen profetie is wordt het volk ontbloot".
Maar nu is er nog een andere ontblooting, want wij lezen Ps. 102 : 18 : de Heere zal zich wenden „tot het gebed desgenen die gansch ontbloot is",
’t Behoeftig volk in hunne nooden, In hun ellend' en pijn, Gansch hulpeloos tot Hem gevloden Zal Hij ten Redder zijn. (Ps. 72 : 6).
Dat is een gansch andere, een zalige ontblooting. Gelukkig de ziel die deze ontblooting kent. De eerste is de rampzalige, zonder het Woord ; de laatste de zalige door het Woord. Is het eerste een open liggen voor den duivel en zijne trawanten, de laatste is een openliggen voor den Heere en de genadige en zalige inVloeiïngen des Geestes.
Wat is dat zalig, als de op-en tegenstand tegen de Heere eindelijk gebroken is, en de ziel zich zonder eenig voorbeding op vrije genade overgeeft, zoodat hij met den profeet uitroept: eere Gij zijt mij te sterk geweest en Gij hebt mij overmocht. Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden. Als de Heere ons door Zijn Woord en Geest brengt in den toestand van Ps. 86 : 1:
’k Ben ellendig diep in nood Gansch van heul en hulp ontbloot
of van Ps. 146 : 4 :
’k Wou vluchten maar kon nergens heen Zoo dat mijn dood voor oogen scheen.
Wat heeft de Heere een werk om den mensch daar te brengen, want de mensch werkt tegen zoo lang en zoo veel als hij kan, alsof de Heere zijn grootste vijand is en zijn verderf op het oog heeft, hoewel de Heere bij Zichzelven zweert: zoo waarachtig als Ik leef, Ik heb geen lust in den dooD des goddeloozem, maar daarin heb Ik lust dat hij zich bekeere en leve.
Het is zulk een ontzaglijk oordeel, wanneer de Heere Zijn Woord, „het licht van den Kandelaar" wegneemt en zulk een weldaad als wij het nog mogen hebben. Het is evenwel de vraag wat wij er mede doen, anders zal het voordeel tot een oordeel worden.
Het is een geluk, als wij het Woord hebben, zooals Petrus en wij naar hem mogen hooren, als hij getuigt in zijn tweeden Brief, het eerste hoofdstuk, het negentiende vers :
En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uwe harten.
De apostel schrijft door 's Heeren Geest gedreven, dezen brief en ook dit Woord kort voor zijn dood. De Heere heeft hem geopenbaard dat de aflegging zijns tabernakels haast zijn zal, en nu bindt de Heere het op zijne ziel, om, zoolang hij in dezen tabernakel is, de menschen nog op te wekken door vermaning, opdat zij na zijnen uitgang nog gedachtenis daarvan mogen hebben. Zoo'n laatste woord wil de Heere nog wel eens gebruiken om indruk te maken. Het gebeurt niet zelden, dat zoo'n laatste woord, als met stervende lippen gesproken, vooral als het treffend is, in 't bijzonder als het een woord uit Gods getuigenis is, niet vergeten wordt. Het is weer de vraag of zoo'n laatste woord van een dierbare gestorvene in den wind geslagen is, of tot een zegen geworden.
Petrus mag iets van zijne ondervinding opschrijven, en wel wat hij op den berg der verheerlijking heeft ondervonden, toen hem verschenen waren Mozes en Elia en Jezus daar verheerlijkt werd. Op grond van deze verschijning getuigt hij, dat hij geen kunstig verdichte fabelen is nagevolgd, als hij bekend maakte de kracht en de toekomst van den Heere Jezus Christus. Maar hij heeft nog een anderen grond, namelijk het profetlsche Woord, dat zeer vast is.
Het profetische Woord, dat is het Woord waarin de Heere heeft openbaar gemaakt, wat verborgen is. Want dat beteekent eigenlijk het woord profeteeren. De Heere heelt in Zijn Woord Zijn verborgen raad en wel aangaande de verlossing geopenbaard. Nooit zou de weg der verlossing bekend geworden zijn, indien de Heere Zijn Woord niet had gegeven. Het is dat „heilig Evangelie hetwelk God zelf eerst in het Paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten heeft laten verkondigen en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden en ten laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon heeft vervuld". (Heid. Cat. vr. 19).
Dat profetische Woord is zeer vast. Zou Hij het beloven en niet doen, zeggen en niet bestendig maken ? „God zal Zyn waarheid nimmer krenken". Het is een belofte met een eed „opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, eene sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht hebben genomen om de voorgestelde hoop vast te houden, welke wij hebben als eön anker der ziel, hetwelk zeker en vast is." (Hebr. 6 : 18 en 19).
Het is dus zeer vast, omdat het is van den onveranderlijken God, bij Wien geen verandering is of schaduw van omkeering.
In den grondtekst staat letterlijk : Wij hebben het profetische woord hetwelk vaster is. Dat profetische, dat beschreven woord is nog vaster dan het gesproken woord, dan de stem, die Petrus op den berg der verheerlijking heeft gehoord. Gelijk het geschreven Woord altijd vaster is dan het gesproken Woord. Niet van Gods zijde. Want Gods gesproken Woord is even vast als Zijn beschreven Woord. Maar de Heere heeft Zijn gesproken Woord laten beschrijven, opdat het des te minder zou verdraaid worden. Wat zou er van het Woord des Heeren overgebleven zijn, als de Heere het niet had laten beschrijven ! De uiterste wil wordt niet alleen uitgesproken, maar beschreven in een testament, opdat de testamentmaker zeker zal zijn, dat zijn wil onveranderd zal geweten en uitgevoerd worden. Zoo zal ook Zijn raad bestaan en Zijn Woord bevestigd worden. Hij zal al Zijn welbehagen doen, dat Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard.
Wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is. Voor Petrus was dat Woord zeer vast. Voor hem was dat Woord de waarheid. Hem was dat Woord waarheid in het binnenste geworden. En zoo had hij het.
Want ieder die het heeft, heeft het niet zoo. Duizenden en millioenen zijn er, die het Woord Gods hebben, maar niet als zeer vast. En zoo zijn alle menschen van nature, die het Woord Gods in huis hebben. Zij hebben het; maar hoe ? Zoo, alsof alles vaster is dan het profetische. Hun leven is alsof er niet onzekerder is dan het profetische Woord. Immers het leven van den natuurlijken mensch gaat er vierkant tegen in. Het is voor hem geen waarheid. Hij gelooft het niet, dan hoogstens met een historisch geloof. Historisch gelooven kan zoo gemakkelijk met verwerpen gepaard gaan. Zie dat in Agrippa.
Petrus had liet anders. Het is niet zoo zeer de vraag of wij het Woord hebben, maar of het Woord ons heeft. En als door genade het Woord ons heeft, dan geven wij er ook acht op.
Zoo ging het een Lydia. Zij hoorde, zij had het Woord, evenals de andere vrouwen, die onder het gehoor van Paulus waren ; maar de Heere had haar hart geopend, zoodat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. De andere namen er geen acht op. Dat is nu het groote verschil. Het zal het ontzaglijk oordeel zijn, als wij wel het Woord gehad hebben maar er geen acht op hebben gegeven. Daarom zegt Petrus : „gij doet wel dat gij daarop acht hebt, als op 'n licht schijnende in een duistere plaats". Dat is voortdurend acht geven. Want zoo'n licht verliezen wij niet uit het oog, daar zien wij als van zelf naar. Want in een duistere plaats is niets anders te zien dan dat licht. Loop maar eens in het donker, en ge ziet in de verte een licht, dan ziet ge niets anders dan dat licht. Altijd wordt uw oog door dat licht getrokken. En als dat licht voor u den weg aanwijst, zooals bijvoorbeeld het kustlicht voor den zeevarende, dan geeft ge er bizonder acht op. Wee indien hij er geen acht op geeft. Hij vergaat. Hij komt de haven niet in. Zoo zal ook niemand, die op het licht van Gods Woord geen acht geeft, veilig aanlanden; maar voor eeuwig omkomen.
En dat licht is het gansche leven door, tot het einde toe, noodig. Totdat de dag aanlicht. Als het dag geworden, als er geen duisternis, geen nacht meer is, dan is het licht niet meer noodig.
Hier in het leven is de duisternis der zonde. Als er geen zonde meer is, dan zal er geen duisternis meer zijn. „En aldaar zal geen nacht zijn".
Die de duisternis heeft leeren zien, heeft maar één licht. Voor hem is alleen Gods Woord een lamp voor den voet en een licht op het pad. Als de zonde weg is, is ook de duisternis weg. Dan is het eeuwig Licht, en dan is het profetische Woord niet meer noodig tot een licht; evenmin als dat wij een lamp noodig hebben op klaar lichten dag.
Als die eeuwige dag aanlicht, dan gaat ook , „de morgenster op in uwe harten", de morgenster is de voorbode van den dag. Die morgenster is „Christus, die zal in Zijn volk in volmaaktheid opgaan in het toekomende leven, gelijk God het Licht en het Lam, de Kaars en Morgenster van het hemelsche Jeruzalem wordt genoemd, ten aanzien van de volle kennis, die zij alsdan van Hem zullen ontvangen", zooals de kantteekenaar zegt.
Is het profetische woord ons al tot een licht geworden ? Zoo neen, dan wandelen wij nog in de duisternis, dan weten wij niet waar wij zijn en waar wij heen gaan.
Maar het Woord zegt: „naar de buitenste duisternis, waar weening is en knersing der tanden". Al beefden wij ons in, dat het gaat naar het eeuwige licht, het zal niet baten. Wij zullen de waarheid ervaren als het te laat Is. In die duistere plaats schijnt het licht van Gods Woord niet meer om nog eenige hoop op behoudenis te geven.
Maar is het ons uit genade door den Heere gegeven, om acht te geven op dat Woord, dan zal ervaren worden, dat dat Licht, dat van het eeuwig Licht uitgaat, ook voert naar het eeuwige Licht.

Elburg    d. Oudsten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's