De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

5 minuten leestijd

23. De Vrijheid van consciëntie.
Indien één ding vrij moet zijn, dan is het de oonsciëntie des menschen, als rechtstreeks verantwoordelijk voor God, den Schepper en Wetgever. Consciëntiedwang, door wien ook geoefend, is altijd te veroordeelen en werkt ook de verschrikkelijkste misstanden. Echter is de consciëntie in zichzelve gebonden aan de wet en den wil Gods; zoodat een christelijk geweten door het getuigenis des H. Geestes nooit anders verwezen wordt dan naar den Goddelijken wil, die uit de Openbaring ons kenbaar is. Daar is de consciëntie op heiligen grond ; waarbij het den band aan Gods Woord en den band aan Gods Kerk voelt. Paulus spreekt van het geweten „in de tegenwoordigheid Gods" en bij „de openbaring der waarheid Gods" (2 Cor. 4:2), niet „in vleeschelijke wijsheid, maar in de genade Gods in de wereld verkeerend". (2 , Cor. 1 : 12).
Zou de consciëntie voorgeven als hoogste waarheid, wat met Gods getuigenis in duidelijke tegenspraak is, dan moeten we spreken van een dwalende consciëntie, welke naar den Woorde Gods moet onderricht worden en bij slechte, zondige practijken tegengestaan met Gods Woord ter bestraffing en onderwijzing.
Zoo moet dus de consciëntie niet tuchteloos in de zonde wandelen, in „vleeschelijke wijsheid", maar, door Christus vrijgemaakt en gereinigd van de doode werken (Hebr. 9 : 14) zal ons geweten in de ware vrijheid staan, als het vervuld is van de vreeze Gods en in gehoorzaamheid luistert naar Gods Woord. Voor den spiegel van Gods Waarheid is de plaats der consciëntie; inde tegenwoordigheid Gods. De Wet Gods moet haar richtsnoer wezen bij haar rechtspraak en oordeel en levenskeuze. 2 Cor. 1:12: Want onze roem is deze, nl. de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleeschelijke wijsheid, maar in de genade Gods in de wereld verkeerd hebben'". 1 Petr. 2 : 19 : „Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid vedraagt, lijdende ten onrechte". 1 Tim. 4:2: door geveinsdheid der leugensprekers hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid". 1 Tim. 3:9: houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten". 1 Tim. 1 : 19 : „houdende het geloof en een goed geweten". (2 Cor. 4:2; Hebr. 9 : 14).
Het geloof en een goed geweten — dat hoort dus bij elkaar !
24. De algemeene Godsopenbaring. Wij kennen God omdat en voorzoover Hij Zich heeft geopenbaard. Hij heeft Zich van den beginne af aan (Paradijs) geopenbaard, niet omdat Hij moest (gedwongen) of onbewust (uitvloeiïng), zooals het Pantheïsme („wordende God") leert, maar omdat Hij wilde. Tweeërlei openbaring : de algemeene en de bizondere, welke laatste de openbaring tot zaligheid is (het Woord, Christus).
De algemeene openbaring Gods vinden we 1. in de schepping (en onderhouding ; in de natuur). Art. 2 Ned. Gel. belijdenis. Rom. 1 : 20 ; 2. in de geschiedenis (in de openbaring van Zijn wijsheid, almacht, oordeel, zegen) Rom. 1 : 18 ; en 3. in heit geweten of de consciëntie (zedelijk bewustzijn. ; onderscheid goed en kwaad, bewustzijn van vergelding, eeuwigheidsbewustzijn) Rom. 2 : 15 „hun geweten medegetuigende
De algemeene Godsopenbaring is ongenoegzaam voor den mensch om den Heere op 't hoogst te leeren kennen tot zaligheid.
1. Zij leert slechts enkele deugden Gods ; 2. zij leidt door de onvolkomenheid tot onzuivere Godskennis (valsche religies) ; 3. ze laat ons onbekend met Christus.
Toch is zij van groote beteekenis zoowel voor de ongeloovige wereld als voor de geloovigen. Voor de ongeloovigen
1. zij beteugelt de doorwerking der zonde en bewaart de aarde om een hel te worden; 2. zij maakt burgerlijk, zedelijk leven mogelijk (cultuur enz.) ; 3. zij geeft een aanknoopingspunt bij zending, evangelisaitie enz. en bereidt voor tot de bizondere openbaring tot zaligheid; 4. zij is oorzaak, dat niemand te verontschuldigen is.
Voor de geloovigen heeft de algemeene Godsopenbaring beteekenis : 1. de schoonheid van de natuur enz. blinkt uit, en laat zich beter kennen ; 2. toewijst, dat natuur en genade niet met elkaar sitrijden, het aardische leven en het geestelijk (Kerkelijk) leven niet elkaar uitsluiten. (Doopersche mijding — Geref. wijding).
25. We moeten over de algemeene Godsopenbaring niet gering denken, en kunnen van drieërlei beteekenis spreken : 1. de Heere betoon't zich op deze wijze aan allen God te zijn en roept allen tot de vreeze van Zijn Naam, zoowel de heidenen als de ongeloovigen (in de natuur) ; 2. de Heere maakt in dezen weg een eerbaar leven op aarde mogelijk, wat tot eere Gods en tot heil van de menschheid (persoonlijk leven, huiselijk leven, volksleven, rechtspraak enz.) (in heit geweten) ; 3. de Heere schept de mogelijkheid en graaft de bedding voor de bizondere Godsopenbaring in den weg van Zijn Woord tot ons komend, opdat het Evangelie gepredikt wordt door 't werk van evangelisatie, zending enz. (in de geschiedenis).
De volkeren en de menschenkinderen, waar ze ook wonen, (heidenen en ongeloovigen) hebben daarom te bedenken, dat zij bij de algemeene openbaring Gods allen schuldig zullen bevonden worden, (Rom. 1 : 19 en 20 ; Rom. 2 : 14 en 15) nu zijn sprake alom, buiten ons en in ons, gehoord wordt. „De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk; de dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap" (Ps. 19). Nergens laat God „Zich onbetuigd, goed doende van den hemel" (Hand. 14 vers 17). En overal wordt „de eeuwige krachten goddelijkheid" in de natuur openbaar (Art. 2 Ned. Gel. Bel.). De mensch, die van Gods geslacht is en behoefte aan God kent krachtens zijn schepping, zoekt en tast of hij Hem ook vinden kan, waarbij het werk der wet geschreven is in hunne harten, zoodat hij niet te verontschuldigen is. Nochtans dwaalt de mensch door zijn zondigen aard en wijkt van den levenden God af tot den dienst der ijdelheden gewillig ingaande, dagelijks de schuld grooter makend bij God.
De uit de algemeene openbaring verkregen Godskennis noemen we verkregen natuurlijke Godskennis.Hoewel die van groote waarde is, zoo is zij niet genoegzaam tot zaligheid, want zij doet ons de zonde niet kennen, noch het middel ter verlossing.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's