JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Wie zou dat ooit gedacht hebben", zegt de een tot den ander „dat het hier dien kant zou opgaan." — „Neen, zeg dat wel; als de oude man dat nog eens had moeten beleven !" — „Al weer een bevestiging van het Schriftwoord : „men brengt bijeen, maar weet niet wie het naar zich nemen zal." — „Zoo is het, 's werelds goed is eb en vloed." — „Als de boerderij toch uit elkaar moet, had ik wel trek in de achtste, omdat die geheel aan mijn land grenst, maar je schrikt voor den prijs, " zegt Yntema. — „'t Is best land." — „Ja, dat is het, maar staat nu al twee honderd gulden per pondemaat boven de waarde." — „Zooveel ? " — „Zeker, wie zal de rente er uit halen ? Als het altijd beste jaren waren, die kwamen, maar bij drie vruchtbare moet je vast op twee middelmatige of slechte jaren rekenen.”
Ja, dat weet Lettinga ook wel; gelukkig heeft hij een beste landheer, die hem in zulke tijden door de vingers ziet.
„Nu wij zullen zien hoe de afloop is.”
Zoo scheiden de vrienden.
Deze heeft veertien dagen later plaats. Weer die zelfde belangstelling ; zoo mogelijk nóg meer. Vóór den aanvang der verkooping is het een geroesemoes van stemmen over land en vee en vrucht. Alleen verraadt deze en gene, die de vorige maal het hoogste bod deed, eenige onrust, uit vrees dat hij hangen blijft. Als de oproeper den hamer laat vallen ten teeken, dat de verkoop een aanvang neemt, is het oogenblikkelijk stil in de zaal als was men in een kerk.
Nog eenmaal worden de conditiën van den verkoop voorgelezen, volgens welke het recht van bezit oogenblikkelijk na den dag van heden ingaat, terwijl de kooppenningen ten kantore van den notaris moeten betaald worden op 1 Mei a.s. Daarop heeft de afhamering van de verschillende perceelen plaats. Niet één, die lust heeft om het een of ander gedeelte ook maar met één gulden te verhoogen. Alleen Yntema legt het laagst mogelijke bedrag op de „achtste", waarover hij tegen Lettinga sprak en niet een, die er aan denkt hem te plagen door nóg hooger te bieden. Daar zijn er wien het zweet op het voorhoofd parelt. Vooral onder degenen, die het alleen om winst maken te doen is. Als het „eenmaal, andermaal, ten derde male" er uit is, dan weet men dat men hangt.
Welhaast zijn alle perceelen afgeroepen en hebben hun koopers gekregen. Thans komt het alles beslissend oogenblik.
„Is er iemand, die gebruik wenscht te maken van het recht van samenvoeging ? " wordt er gevraagd. Maar niemand denkt aan de mogelijkheid hiervan. Reeds zijn er, die aanstalten maken om te vertrekken, ten einde thuis te vertellen hoe „de Eendenkooi" is uiteen gescheurd, als op het „eenmaal en andermaal" van den oproeper plotseling een stem achter uit de zaal roept: „ja !”
Dat is een oogenblik van groote ontroering. Aller oog richt zich naar de plaats, van waar die stem komt. Sommigen kunnen hun verbazing niet inhouden en geven luide te kennen hoe zij zich daarover verwonderen. Een enkele roept: „mooi! — Yntema zegt tegen Lettinga : „gelukkig !”
Voor velen is het een pak van het hart. De gezichten ontspannen zich tot een blijden lach. De oudste der schoonzoons slaat van louter plezier met de vuist op de knie en bestelt een frisschen borrel.
„Wie is het ? ” wordt er door den notaris gevraagd.
„Buringa uit Meerzicht!" klinkt het fier en krachtig.
Jaring Buringa warempel! Hoe is het mogelijk! Maar elk weet, dat deze er warmpjes bij zit en niet eens borgen noodig heeft. Hij is goed voor zich zelf. Dus die wil naar Kleiterp komen wonen.
Thans begint de verkooping opnieuw, doch is tevens spoedig beslist. Niet een, die er zich verder aan waagt ter wille van eenig verhoogingsgeld het bod op te jagen. Trouwens, wie dit zal doen moet over kapitaal beschikken. De totale koopsom loopt met de onkosten aardig naar de ton. Als eindelijk voor het laatst het: „ten derden male" gesproken en de hamer gevallen is, dan ?
Ja, dan gebeurt er nog wat. Want vóór de notaris nog bekend kan maken, dat alzoo als kooper van „de Eendenkooi" is aangenomen Jaring Buringa, landbouwer te Meerzicht, staat deze op en roept luide door de zaal, zoodat elk het hooren kan : „Voor Jonker Van Sterrenburgh !”
Opnieuw heftige beroering. Dat moest men geweten hebben. Dan had men er nog wel eenige honderden guldens durven opleggen. Dien raakt zoo'n bagatelletje niet aan de koude kleeren. Verbazend ! Jonker Van Sterrenburgh eigenaar van „de Eendenkooi !" — „Hoerah !" roepen de Kleiterpers. Lettinga wrijft zich van vergenoeging in de handen en Yntema is niet minder blij. Hy weet nooit beter eigenaar naast zijn landerijen te kunnen krijgen. Maar wat deze daar nu mee wil ? Natuurlijk verhuren. En nog dienzelfden dag ontbreekt het bij velen niet aan het voornemen, om een brief aan den nieuwen eigenaar te schrijven en te vragen, of men hiervoor in aanmerking mag komen.
Intusschen gaat het als een loopend vuurtje door het dorp wat in „de Vergulde Hoorn" gebeurd is. Menschen, die zich anders in het geheel niet met verkoopingen van huizen of landerijen ophielden, steken nu de hoofden bij elkaar. Theunis' Aaltje is niet van de straat te houden en is de eerste, die vrouw Mollema toeroept of zij al gehoord heeft, dat de Jonker „de Eendenkooi" gekocht heeft. Klaas Kroontje, die ook bij de verkooping tegenwoordig was, is zoo spoedig mogelijk naar huis geloopen, om daar aan elk, dien hij maar bereiken kan, te vertellen, wat zoo juist is gebeurd. Overal vormen zich groepjes om het nieuws te bespreken. Niet een die daar aan gedacht heeft. Alleen meent men nu, achteraf bezien, te begrijpen, waarom de heer van het Slot zoo vaak naar de Brandsma's ging en zich zoo met de zaken aldaar bemoeide.
Vooral bij Mollema is met groote blijdschap de tijding vernomen, dat de bezitting der familie in deze hand is overgegaan. Wat de Jonker wil, weet men niet, doch in elk geval kon het nooit beter. Wat zal Jap blij zijn als zij het hoort, had Douwe gezegd. Zij heeft er geen cent meer of minder om, maar het is toch aangenamer gedachte voor haar, dan dat die mooie boerderij uit elkaar was gegaan.
Dienzelfden avond is er in heel Kleiterp niet een, die niet weet wat er is voorgevallen, tot de kinderen toe ; doch ook tot in het oneindige wordt er gevraagd, zonder dat iemand het antwoord weet: „wat zou de Jonker nu willen ? " Zelfs voor ds. Feurman is dit een geheim.
Spoedig echter zou de oplossing komen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's