VAN DEN WOORDE GODS
Genesis 4 ; 18 en 19. En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujaël en Mechujaël gewon Methusaël en Methusaël gewon Lamech, En Lamech nam zich twee vrouwen. De naam van de eerste was Ada en de naam van de andere Zilla.
2e Serie.
Uit het ongeschreven Woord.
XL.
Het is niet zonder beteekenis, dat niet alleen in het latere oud-Testamentische geschiedverhaal de geslachtsregisters zulk een groote plaats innemen. Wanneer onder het koningschap of als de priesterlijke waardigheid in het geding is, het geslacht van groeten, dikwijls beslissenden invloed blijkt, dan is dit een gevolg van den eisch der Wet, die koninklijke en priesterlijke waardigheid bindt aan de afstamming uit een bepaald geslacht. Maar ook dit verschijnsel staat niet geheel op zichzelf, is gevolg daarvan, dat in de oudheid, met name ook in de oudheid, die ons de Heilige Schrift kennen leert, het geslacht eene veel grootere beteekenis heeft dan onder ons het geval is. De Heilige Schrift laat ons zien, hoe in deze verre oudheid, die ons verplaatst in de eerste periode der menschelijke geschiedenis, historisch feitelijk gedacht werd niet in personen, maar in geslachten. De linie der geslachten loopt over de stamvaderen en wijst alzoo de richting aan van de historische ontwikkeling in den loop der eeuwen. Het geslacht in zijn geheel en niet de onderscheidene individuen wordt vertegenwoordigd door de groote Vaderen, wier namen vermeld worden. Als wij dit niet in gedachtenis houden, wordt het Schrift-verhaal onverstaanbaar. Immers als Kaïn eene stad bouwt, dan is daaronder niet de persoon van Kaïn alleen te verstaan. Eén man alleen zou geen stad kunnen bouwen en ook geene stad behoeven. Kaïn is als de stichter der stad de vertegenwoordiger van de familiale groep, waarvan hij het hoofd is. En deze groep bracht, dank zij de levenswet der vermenigvuldiging, nieuwe groepen voort, die familiaal verbonden zijn krachtens de afstamming, die er een stempel van eenheid op drukte. En deze door afstamming saamhangende familiale groepen worden genoemd met de namen dergenen, die zij als den vader erkennen, waaruit zij gesproten zijn. Daarom hebben de geslachtsregisters zulk een groote plaats in de geschiedenis, die ons de Schrift verhaalt. Deze hebben de strekking ons een inzicht te geven in den samenhang der geschiedenis. Zij leeren ons, dat naar Gods ordinantie er in de menschelijke ontwikkeling, zooals zij in de geschiedenis openbaar wordt, een verband schuilt, dat deze geschiedenis niet eene aaneenschakeling is van hetgeen los naast elkander staande individuen doen, doch dat zich daarin eene oorzakelijke samenhang aan ons voorstelt. De psalmdichter heeft dit op dichterlijke wijze en ïls een zeer algemeen beginsel bezongen, toen hij zeide: „de dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit, de nacht aan den nacht toont wetenschap". Er is een verband der geslachten, dat voor de levensontplooiing der menschheid eene groote beteekenis heeft gehad. En dat verband laten ons de geslachtsregisters, Die in Gods Woord ons bewaard worden. Zij zijn dus van veel grooter beteekenis dan wij er bij de lezing der Schrift gewoonlijk aan toekennen. De oppervlakkige bijbellezer meent, dat zij wel gemist kunnen worden, althans hij slaat vaak over, omdat ze hem niets zeggen, omdat zij niet spreken tot zijne ziel.
Maar daarom hebben zij toch wel beteekenis. Zij vormen om zoo te zeggen een skelet in het lichaam der levende historie en openbaren ons, hoe in de levensontwikkeling der menschen de Heere zelve een genetischen samenhang heeft gelegd, waardoor er ook sprake kan zijn van een verdere ontplooiing, van eene uitwikkeling van beginselen, van een levensgroei in geestelijken zin. Zij laten ons dus zien, wat een man als Habakuk ontdekt heeft, toen hij de rede des Heeren gehoord had en vreesde en bad: „Uw werk, o Heere! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren, in den toorn gedenk des ontfermens."
Hij aanschouwde Gods heerlijkheid ook in Zijne vreeselijke oordeelen en hij peilde deze oordeelen en werd ontroerd diep in zijne ziel. En hij zeide; „de gangen der eeuw zijn Zijne, " Zoo zong ook de psalmdichter; „O God! zij hebben uwe gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom, " En die gangen door de historie werden ons in de Schrift geteekend in de registers der geslachten, zoowel van de kinderen dezer wereld als van het uitverkoren volk Gods.
Kaïn’s geslachtsregister vertolkt dus de geestelijke lijn, zooals zij in zijne afstammelingen zich tot hare uiterste consequentie ontwikkelde en welke beteekenis deze heeft voor de eeuwen na hem. En nu is dit reeds terstond merkwaardig, dat, evenals zulks later in de wording van het Godsvolk het geval is, ook hier de eerstgeborene toch niet de uitverkorene is. Kaïn en zijn geslacht staat op eene lijn met Ezau en zijn geslacht. Ook deze was de eerstgeborene, van wien geschreven staat: „Ezau heb ik gehaat". En onder de zonen Jacobs was Ruben de oudste zoon bij Lea gewonnen. Van hem zegt Jacob; „Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijne kracht en het begin mijner macht, de voortreffelijkste in hoogheid en de voortreffelijkste in sterkte!" Doch dan wordt er aan toegevoegd: , , Snelle afloop van wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn". Genesis 49 ; 3, 4). En datzelfde doet zich voor in Isaï's geslacht, Eliab was de eerstgeborene, doch de Heere zeide tot Samuel: , , Zie zijne gestalten niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen" (1 Sam, 16 ; 7), Zoo ook is Adams eerstgeborene niet de verkorene en verschijnt zijn geslacht niet als drager van het verbond der genade. De verkiezende daad des Heeren trekt de lijn van het verbond. En deze verkiezing blijkt terstond eene daad van vrijmachtig welbehagen, waardoor het woord wordt bevestigd; ,,Zoo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil en verhardt dien Hij wil, "
Wel echter blijkt ook reeds uit dit eerste geslacht, dat al is dit vervreemd van de genade, het toch voor het leven in de wereld, voor de ontwikkeling op het gebied van kunsten en bedrijven, in het algemeen voor wat het economisch leven betreft, daarom toch wel groote beteekenis kon hebben. De geschiedenis toont trouwens duidelijk, en de ervaring leert het eiken dag, dat vervreemding van het leven van Gods volk nog niet uitsluit van groote gaven op natuurlijk gebied, Groote genieën zijn maar zeer zelden geroepen tot het kindschap Gods. Velen zijn er, die met hunne gaven den antichrist hebben gediend meer dan Hem, van Wien zij deze gaven hadden ontvangen. Uit dat oogpunt gezien heeft de apostel ons kunnen zeggen; „want gij ziet uwe roeping, broeders! dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen, " Doch in dien weg wordt ook het wonder van Gods werk der genade openbaar, dat Hij eeuw in eeuw uit Zijne Kerk in stand houdt, al is zij ook in de waardeering der wereld slechts eene vergadering van eenvoudigen, die verdwijnt onder de groote massa der wereld en nauwlijks wordt opgemerkt in den stroom van hen, die zich beroemen op de glorie der cultuur. Dat is zoo van den beginne en dat is nog zoo in onzen tijd, waarin onder de geweldige stroomen van het kunstlicht dezer moderne cultuur Gods volk nauwlijks meer wordt ontdekt. Wie op het uitwendige ziet, moet wel erkennen, dat de wereld over de grootste krachten te beschikken heeft, dat de dienst der wereld de meesten trekt, dat het Woord van den Heere Jezus de waarheid is; wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt en velen zijn er, die door dezelve ingaan. Van den weg des levens geldt het echter: weinigen zijn er, die denzelven vinden. Voor het natuurlijk oog is de groote leidende geesteskracht bij deze wereld en schuilt Gods volk weg als een nachthut in den komkommerhof, wordt het nauwlijks ontdekt en zijne stem slechts zeer zelden vernomen. Doch ook hierin wordt het openbaar, dat de uitnemendheid der kracht zal blijken Godes te zijn, die het dwaze der wereld heeft uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou en het zwakke der wereld heeft uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen. En het onedele en verachte heeft Hij uitverkoren en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iet is, teniet zou maken. Hij houdt onder deze geweldige ontwikkeling van het cultuurleven der natuurlijke menschheid Zijn volk in stand en toont het, dat al wat de groote genieën hebben bereikt, en welke verdienste zij ook mogen hebben voor den opbloei der beschaving, het toch ook daarvan geldt: , , Is er eenig ding, waarvan men zou kunnen zeggen; , , Zie dat, het is nieuw? " Er is geene gedachtenis van de voorgaande dingen en van de navolgende dingen, die zijn zullen, van dezelve zal ook geene gedachtenis zijn bij degenen, die namaals wezen zullen,
„Zekerlijk”, zegt de Prediker, „dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen en de wijzen en hunne werken in de hand Gods zijn, " Daarom wordt hunne gedachtenis, in onderscheiding van die der kinderen dezer wereld, niet vergeten in eeuwigheid.
Zoo verschijnt nu ook het geslacht van Kaïn als verdienstelijk voor het cultuurleven dezer wereld, ofschoon het van God vervreemd is en blijft buiten het genadeverbond. Kaïn is de eerste der stedenstichters en al worden ons slechts de namen vermeld van de hoofden der geslachten, die uit hem voortkwamen, dat ook deze voor het cultuurproces dier dagen van groote beteekenis zijn geweest, dat blijkt uit de groote historische figuur, die als een eind-persoon verschijnt in de reeks. De opeenvolging der namen leidt tot Lamech, in wien het geslacht van Kaïn een hoogtepunt bereikt, waarop het duidelijk wordt, welk geestelijk karakter dezen tak van Adams nakomelingschap heeft onderscheiden, welke idealen het heeft nagestreefd, welk een cultureel bezit het deelachtig was.
Zoo heeft door de traditie van eeuwen de herinnering zich gehandhaafd aan de eerste perioden der menschelijke geschiedenis, aan de vroegste ontwikkeling der menschelijke cultuur. En het wordt ons reeds daarin geopenbaard, hoe onmiddellijk na den val, het werk des Geestes leidt tot eene scheiding in Adams geslacht. En het wordt ook terstond reeds duidelijk, dat verstandelijk vermogen, dat natuurlijke gaven voor het leven in deze wereld wel groott waarden zijn, die niet onderschat mogen worden, maar ook dat zij zijn van geheel andere orde dan de geestelijke gaven, waardoor Gods Koninkrijk wordt gebouwd. Daarmede is niet gezegd, dat ook die natuurlijke gaven des menschen, hun arbeid en hun strijd om de vervulling van aardsche idealen staan zouden buiten Gods voorzienigheid, noch ook dat zij voor de komst van Gods Koninkrijk geheel zonder beteekenis zijn. Al wat de Heere geeft en laat opkomen op natuurlijk gebied en door natuurlijke krachten heeft de strekking om de voorwaarden te scheppen, die vervuld moeten zijn, opdat Hij Zijne goedertierenheid eeuwiglijk zal bouwen en in de hemelen zelve Zijne waarheid zal bevestigen en Zijne wonderen geprezen zullen worden en Zijne getrouwheid in de gemeente der heiligen. Zoo ook heeft Kaïn's geslacht, hoewel verworpen van Gods aangezicht en vervreemd van Zijne rechten, in de prille jeugd der menschheid eene cultureele functie vervuld, die voor de geschiedenis van Adams geslacht van groote beteekenis is geworden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's