De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

DE OVERHEID EN DE EED
Naar het voorbeeld van onzen Heidelta. Catechismus (Zondag 37) combineeren we dat: de Overheid en de eed.
In ons particuliere leven en onzen dagelijkschen omgang met de menschen hoort de eed niet thuis. Noch in ons gezin, noch in de Kerk.
Wat ons dagelijksch leven betreft, dan geldt: „zweert ganschelijk niet." Nooit, nergens! Uw ja zij ja, uw neen zij neen. We moeten eenvoudig, eerlijk wandelen, handelen en spreken. En dan is ja genoeg en neen is voldoende. Al wat er méér bij komt verzwakt wel, maar versterkt niet. Al die dikke, sterke woorden beteekenen niets. Veelal zijn het zelfs bewijzen van onze onbetrouwbaarheid en listigheid en leugenachtigheid, dat we dan willen bedekken of moeten verhelpen met allerlei sterke, groote woorden. Soms zelfs met een eed. En dat is zonde. Dat is geenszins goed te keuren. Dan geldt : zweert ganschelijk niet!
Bij Jezus’ omwandeling op aarde was die slechte gewoonte, om telkens een eed te doen, onder de menschen ingeslopen; zooals b.v. ook het lichtvaardig wegzenden van de vrouw door den man ; zoodat echtscheiding „heel gewoon was". Een eed doen en een vrouw wegsturen — was aan de orde van den dag. En onder invloed van de Farizeën gebruikte men dan allerlei listige redeneeringen, om er nog een schoonen schijn aan te geven. Dan zegt de Heiland ten opzichte van het huwelijk : wat God vereenigd heeft, zult gij niet scheiden ! En ten opzichte van het lichtvaardig, dagelijksch eed zweren, zegt de Heiland : zweert ganschelijk niet!
Al die listige onderscheidingen, waarbij men wel en waarbij men niet gebonden was aan z'n eed (met de bedoeling natuurlijk om elkaar heerlijk te kunnen bedriegen en een ander er kostelijk te laten inloopen) veroordeelt de Heiland. Lees Matth. 23 maar eens (Matth. 5 en Matth. 23 en Jac. 5 handelen over deze zaak van lichtvaardigheid en bedriegelijkheid in 't midden van de samenleving).
Maar dan zegt de Heidelb. Catechismus dat de eed en de Overheid bij elkaar hooren. En dat daar de eed op z'n plaats is, ja, een ordening Gods, tot Zijn eer en ons ten zegen.
En dat valt ook wel te begrijpen.
De Overheid is Gods dienaresse. Zij is niet een door ons gekozen bestuurslichaam. Zij is van God gegeven en bekleed met macht. Zij moet, gekroond met de gouden kroon van „de gratie Gods", in Zijn Naam het volk regeeren en, waar haar roeping ligt, voor 't volksleven zorg dragen. Mee door haar ambtenaren, door haar dienaren. Door ministers, burgemeesters, rechters. Ook zijn er degenen die het volk vertegenwoordigen in 's lands raadzaal.
De Overheid, Gods dienaresse, geroepen om het volk te regeeren ten goede, roept nu haar ambtenaren, haar dienaren, die een post van vertrouwen bekleeden en die een groote verantwoordelijkheid dragen, bij de aanvaarding van het ambt om zich saam te stellen voor Gods aangezicht en „godzaliglijk bij den Name Gods een eed te zweren". „Om trouw en waarheid daardoor te bevestigen; opdat Gods eer zal worden bevorderd en den naaste heil zal worden bereid”.
Daar moeten we den eed zoeken en daar is de eed niet alleen goed en nuttig ; maar daar is de eed noodig en onmisbaar in een christenland.
Want de Overheid zal op haar dienaren vertrouwen en de dienaren zullen de Overheid helpen en bijstaan, tot Gods eer en des naasten heil. Maar we zijn menschen van onreine lippen en we wonen in 't midden van een volk van onreine lippen (Jes. 6). 't Moest alles waarheid en oprechtheid bij ons zijn. 't Moest alles zijn tot eere Gods en om onzen naaste heil te bereiden. Vooral bij de leidslieden des volks. Vooral bij de koningen, de stadhouders, de grooten, de rechters der aarde ! Edoch we zijn van nature geneigd tot alle kwaad. Ook als we op voorname posten staan in het midden des volks. En daarom is het in een christenland bij de aanvaarding van een ambt, bij de kroning van een vorst, bij de aanvaarding van het ministersambt, bij de installatie van een burgemeester en rechter, bij de intree In 's lands raadszaal gewoonte en orde en eisch, dat men zich voor Gods aangezicht stelt „om Godzaliglijk bij den Name Gods een eed te zweren" „om trouw en waarheid daardoor te bevestigen en dat tot Gods eer en des naasten heil”.
Staande in den dienst van de Overheid moeten wij goed weten, dat God ons roept, dat we God hebben te dienen, dat we Gods werk hebben te verrichten ; dat we waar, eerlijk, trouw, oprecht moeten zijn ; dat we steeds God voor oogen hebben te houden en naar Zijn geopenbaarde waarheid hebben te handelen, dat we des naasten heil hebben te zoeken — en dan, van eigen onmacht en onwil, van eigen zonde en onvermogen ten diepste overtuigd, „vordert de Overheid van hare onderdanen, dat men Godzaliglijk bij den Name Gods een eed zwere" „om trouw en waarheid daardoor te bevestigen en dat tot Gods eer en des naasten heil!" Dan worde plechtig uitgesproken, onder opsteken der twee voorste vingers : „zoo waarlijk helpe mij. God Almachtig".
Daarin ligt de belijdenis, dat men het zelf niet kan, maar dat God de Almachtige is, Wien men aanroept ter hulpe. En daarin ligt de geloovige bekentenis, dat God zal helpen in den weg va, n waarheid en gerechtigheid, degenen die op Hem betrouwen. Terwijl tegelijk wordt uitgesproken, dat de consciëntie mede getuigenis geeft, dat God zal straffen „wanneer men in leugenpaden, in valschheid, in slechtheid, in zonde zou wandelen en handelen in het ambt, waartoe men geroepen is.
In een christenland moet de minister, de burgemeester, de rechter weten waartoe de eed van noode is.
En die zelf in God gelooft, die zelf eerbied voor God en vreeae Gods kent, zal het voelen, dat de eed een heilige instelling Gods is, die bewaard moet blijven. Zelfs de heidenen voelen in hun consciëntie, dat het niet goed is bij plechtige gelegenheden de goden te vergeten !
Allen, die dan ook door Gods algemeene goedheid in de consciëntie nog een overtuiging hebben, dat het niet kwaad is, om in gewichtige oogenblikken des levens van den hoogen ernst der dingen zich bewust te zijn en „dat de mensdh in alles God voor oogen moet houden" — die dat, door Gods algemeene goedheid nog voelen — zullen mee gevoelen, dat in het mididen van het publieke leven de Naam des Heeren dienst te worden geheiligd en de eed moet worden bewaard !
Waarbij het zeker moeilijk te beslissen is hoe gehandeld moet worden, wanneer zoovelen — ook in een christenland — Godloos willen geacht worden te zijn (wat volstrekt niet hetzelfde is als in alle opzichten goddeloos te leven) en dan weigeren om een eed af te leggen, met aanroeping van Gods Naam.
Dan is toegelaten een belofte te doen. Wat een „redmiddel" is te midden van de moeilijkheden, maar wat wijst op een in-droevig losraken, ook onder óns volk, van het Godsbewustzijn, dat toch ieder mensch in meerdere of in mindere mate heeft, omdat hij mensch, zij 't dan gevallen mensch, is.
Zelfs van het algemeen Godsbewustzijn — en dikwijls ook van het zedelijkheidsbewustzijn — zijn velen, zeer velen afgegleden en losgeraakt. En dan wil men zelfs bij de aanvaarding van een ambt Gods Naam niet eens noemen, laat staan roemen en eeren. God-loos, zonder God, wil men zijn.
Dat is voor de Kerk van Christus een oorzaak te meer, om vóór de handhaving van den eed te pleiten, inltusschen biddende om den Geest des Heeren, om te bekeeren de harten, die nu van God vervreemd zijn. En de Overheid, als Gods dienaresse, handhave den eed, om Gods wil en om des volks wil, opdat mee hierdoor, in Gods algemeene liefde, de waarheid en de gerechtigheid worde gediend in het midden van een ordelijk maatschappij-leven.

UIT DE SYNODE.
Door de lucht gevlogen kwam de president der Synode in de Residentie aan en streek: neer Javastraat 100. Of de klok op dat oogeniblik in het gebouw der Synode van schrik bleef stil staan meldt de berichtgever niet. Mocht dat het geval zijn, dan is 't te hopen, dat de leden der Synode zelf een uurwerk dragen en steeds bij de hand hebben, want het gerucht gaat, dat de Agenda zéér overladen is. Een lid van de Synode schrijft daaromtrent in „De Geref. Kerk", orgaan van de Confessioneele Vereeniging : „De Agenda is overvol. Nu reeds staan onder de punten ter behandeling ongeveer 100 stukken. En onder het hoofdstuk „nieuwe wetsvoorstellen" zijn wij thans reeds aan het getal 38. Wij herinneren ons niet, dat een zóó groot aantal in de laatste jaren werd bereikt".
Dat kan dus wat worden ! En verbeeldt u eens een oogenblik, dat er 38 „nieuwe wetsvoorstellen" onder de hamer doorgaan — dan krijgen we 't volgend jaar op de agenda van de Classicale Vergaderingen óók 38 wetsvoorstellen, groot of klein, waarover „advies" gevraagd wordt en die dus op de Classicale Vergaderingen besproken moeten worden ! Of dat dan met één dag zal kunnen afloopen ?
De briefschrijver van „De Geref. Kerk", die dicht bij 't vuur zit, schrijft verder : „Natuurlijk zal de kwestie van de predikantstractementen een groot deel van den tijd in beslag nemen. Hoeveel voorstellen en adviezen er ter dezer zake zijn, is zóó maar niet te zeggen".
Ja — over die predikantstractementen zal nog wel een .woordje vallen ! En wij zijn 't eens met he*i, die zeggen : laat men deze zaak nu eens van alle kanten bekijken, om te trachten hier een regeling te treffen, die 't meest billijk en wenschelijk is. Men moet dan nu maar eens onderzoeken, of de tractementen van de dominees óf te hoog öf te laag zijn. Zijn ze werkelijk te hoog, dan moet er maar wat af. Zijn ze misschien aan den lagen kant, dan moet men ja minstens wat voorzichtig zijn, om er zoo maar ƒ 480.— af te nemen. Laat men maar eerlijk de zaken onderzoeken en de dingen maar bij den naam noemen. Daar kunnen de predikanten wel tegen !
En als dan in onze groote steden een tractement van ƒ 3500.— benevens 12 tweejaarlijksche verhoogingen van ƒ 160.— gegeven wordt, dat is dus ƒ3500.— en ƒ 1920.— = ƒ 5420.—, dan moet men maar eerlijk zeggen, of dat te veel of te weinig of misschien net voldoende is. Waarbij dan nog komt ƒ 1000.— voor huishuur, — waarvoor in werkelijkheid altijd minstens ƒ 1250.— moest worden uitgegeven, als men ten minste op een bovenhuis wilde wonen. Anders werd het minstens ƒ 1500.—, met de belastingen naar verhouding !
Nog eens : men moet de dingen maar eens eerlijk onderzoeken. De predikanten zelf wenschen niet anders, dan dat voor aller oog en aller oor de zaken van hun tractement worden blootgelegd en besproken.
De dominees kunnen er wel tegen ! Wellicht, dat de belangrijke aangelegenheid van de miniatuur-en lilliputgemeenten hierbij ook eindelijk eens flink onder handen zullen worden genomen. Want daar kan en moet zeer zeker iets — en wel een behoorlijk iets — aan gedaan worden !
De Synode ziet er dit jaar natuurlijk weer iets anders uit dan het vorige jaar. Ds. v. d. Kieboom van Bergen, een vertegenwoordiger van modern-Noord-Holland (het belangrijke stuk van orthodox-Noord-Holland met Amsterdam—Haarlem—Huizen—Bussum—Hilversum enz. enz. heeft bij onze allerongelukkigste afvaardiging naar de Synode geen enkele vertegenwoordiger!) is een nieuweling. Dr. Bloemsma, ouderling te Geldermalsen, is ook een nieuweling. De heer v. d. Schans en ouderling Jacobs uit Meppel zijn er ook voor 't eerst. En de verhouding is ditmaal — volgens de briefschrijver in de Geref. Kerk—11 rechtzinnigen tegenover 8 vrijzinnigen. „Het zou niet te verwonderen zijn, als het bij meer dan één punt weder tot eeen stemming kwam van 10 tegen 9”.
De bekende Synode-klok zal dus dit jaar wel weer de bekende tik-tak slinger beweging maken, nu eens 10 dan weer 9, nu eens 9 dan weer 10 !
Dat komt van wege al die rechtzinnigen die in de Synode zitten, het bekende elftal, waarvan er altijd zoo'n enkele flauw valt als 't spant.
De voorzitter, dr. Weyland, zal ditmaal voor de 17de maal presideeren. Dat is een prestatie ! Een spotvogel zou kunnen concludeeren, dat het „een werk is, waarbij men oud kan worden". Maar een spotvogel is maar een spotvogel. Wij weten veel te goed, dat er héél wat aan vast zit, om den Synodalen wagen goed te sturen ! De briefschrijver in „de Geref. Kerk" is dan ook vol lof aangaande den Voorzitter en zegt: „Hij heeft op dit pimt zijn gaven en krachten elk jaar getoond. En hij heeft een heel stuk van de historie der laatste jaren persoonlijk bijgewoond".
Van de wijdingssamenkomst, die aan den avond van den eersten dag in de Groote Kerk te Den Haag gehouden is, waar de beide professoren dr. Brouwer en dr. Korff voorgingen, lezen we in boven bedoelden brief in „de Geref. Kerk” :
„Ook heeft de wijdingssamenkomst weder plaats gehad. Beide sprekers hebben een 2; eer ernstig woord gesproken. Prof. Brouwer heeft zoowel de waarde van de persoonlijkheid geteekend als nadruk gelegd op het groote tekort van het individualisme. Zoowel in rationalisme als in piëtisme wordt het individu op den voorgrond geplaatst. Maar onze tijd wil de afhankelijkheid van het individu. Onze tijd roept om gezag, om vernieuwing. Het defaitisme omtrent de Kerk heeft uitgedaan. Maar nu moet dé Kerk haar tijd gebruiken. Daarom geldt het profetenwoord uit Haggai 2 : 5. AUe gemeenteleden moeten In actie komen. De opleiding van de predikanten moet noodig herzien. Ook de Kerk moet gereorganiseerd. Innerlijk en uiterlijk. Geen repristinatie. Geen organisatie naar wereldsch model. De Kerk is het lichaam van Christus Jezus. Durven wij ook het profetisch woord aan ? Ik ben met U. Als wij het niet aandurven, laat ons dan de Synode maar verdagen. Maar God roept ons. En nu Hij ons roept, mogen wij ook pleiten op de belofte „Ik ben met u".
Prof. Korff had tot tekst Hebreen 3 : 6. Christus, wiens huis wij zijn. Hij wees op het belang hiervan. Hoe meer wij het indenken, hoe meer wij ons verwonderen. Maar laten wij er ons steeds meer van doordringen laten. Christus werk en ons werk. Wij mogen het niet met elkander verwarren. Wij mogen niet denken: Christus werkt en dus wij behoeven niet te werken. Nog minder: Wij werken en nu vergeten wij maar het werk van Christus. Pas op voor verkeerde kerkelijkheid. Meer dan eens toch merken wij hoe kerkelijker, hoe wereldscher. Bij geen groep is dit weg. Christus draagt ons het werk wel op. Maar Hij draagt het niet over. Laat ons immer den afstand zien tusschen Christus werk en ons werk. Er zij schuchterheid. Hoe meer wij het voorrecht hebben, dat Christus aan ons werkt, hoe meer wij in staat zullen zijn het werk te doen, dat Hij ons opdraagt. Christus moet bouwen. Soms zonder ons. Soms door ons. Hij laat ons Zijn plan niet zien. Eerst in den dag der dagen zal de geschiedenis van het Christendom waarlijk uitkomen. Daarom nimmer een oordeel voor den tijd. Alleen door het gebed zal het mogelijk zijn ons werk te volbrengen”.
Zoo is de Synode weer begonnen met te vergaderen. Wellicht dat we zoo nu en dan wel wat meedeelen in deze rubriek.

DE EVANGELISCHE KERK IN DUITSCHLAND.
De Roomsche Kerk in Duitschland komt er wel zoo ongeveer zonder kleerscheuren af. Een concordaat met het Vaticaan is gesloten en de Paus weet wel wat hij doet. De Protestantsche Kerk ondervindt grooter moeilijkheden — net als in 1816 hier te lande, toen Koning Willem I met zijn raadgevers de zaken hier — na de dagen der revolutie — ging regelen. Ook toen, wist Rome z'n vrijheid en onafhankelijkheid te bewaren. Maar de Hervormde Kerk moest er onder door. En ieder die zich tegen de opgelegde Synodale-besturen organisatie verzette, werd gerekend zich te verzetten tegen de wettige overheid, tegen Oranje zelf !
Zoo zijn nu in Duitschland de Duitsche Christenen de baas in de protestantsche Kerken. Duitsche Christenen, waarbij Duitschland nummer één is en het Christendom nummer laatst. Eerst 't hakenkriuis en dan komt het er minder op aan wat er van het kruis van Christus terecht komt.
Gelukkig dat zoo hier en daar — helaas ! een kleine minderheid, die staat tegenover een schier oppermachtige meerderheid — een geluid wordt gehoord, waaruit blijkt, dat men nog beseft hoe het met de Kerk van Christus niet en hoe het wél moet. Mannen als pfarrer Hesse van Elberfeld en professor Karl Barth van Bonn hebben in de 14 Düsseldorfer stellingen hun gevoelens kenbaar gemaakt. We laten ze hier volgen :
1. De heilige Christelijke Kerk, welker eenig Hoofd Christus is, is uit het Woord Gods geboren ; daarin blijft zij en hoort niet de stem van een vreemde.
2. Het Woord Gods komt tot ons door de Heilige Schrift van Oud-en Nieuw Testament.
3. Dat Woord Gods is onze Heere Jezus Christus.
4. Jezus Christus is de Heiland der wereld ; Hij alleen is Heere van Zijne uitverkoren Kerk, die Hij uit alle volken tot het eeuwige leven roept.
5. De Kerk leeft alleen daaruit, dat zij dagelijks opnieuw door haren Heere geroepen en gedragen, getroost en geregeerd wordt.
6. De Kerk leeft in al hare leden door de uitoefening van den door Jezus Christus ingezetten en geordenden dienst van predikers, leeraars, ouderlingen en diakenen.
7. De dienst der predikers bestaat voornamelijk in de tot Kerk en wereld zich richtende verkondiging van het Woord Gods door Schriftverklaring, Doop en Avondmaal.
8. De dienst der leeraars bestaat in het onderwijzen der jeugd, in de opleiding van toekomstige predikers en in het altijd opnieuw weer te stellen onderzoek naar de zuiverheid en gezondheid der kerkelijke prediking; en dat alles op grond van de Heilige Schrift.
9. De dienst der ouderlingen bestaat in een gemeenschappelijk toezicht op de orde, de leer en het leven der Kerk.
10. De dienst der diakenen bestaat in de zorg voor noodlijdenden, kranken, verlatenen, wie ze ook zijn.
11. Het gezag en de kracht van dezen dienst ligt alleen in de vrije genade van den Heere der Kerk.
12. „Geestelijke Leidsman" der Kerk is alleen Jezus Christus, haar hemelsche Koning, op aarde door zijn Geest levende in ieder, die in gehoorzaamheid aan zijne opdracht in zijn dienst in de Kerk staat.
13. De ambten van prediker, leeraar, ouderling en diaken zijn met elkaar dienstbaar tot den opbouw der Kerk. Zij hebben bij alle verscheidenheid van dienst en van ganren, elk hun belofte en gezag onmiddellijk van den Heere der Kerk.
14. De heerschappij van den hemelschen Heere over de afzonderlijke gemeenten is op aarde niet overeen te brengen met de heerschappij van de eene gemeente over de andere of die van het ééne Bisschopsambt boven de andere ambten, maar met den dienst, welken de afzonderlijke gemeenten elkaar wederkeerig verschuldigd zijn of dien zij in den vorm van Synoden hunner afgevaardigde dienaren elkaar zoeken te bewijzen”.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's