De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

11 minuten leestijd

DE VERHOUDING VAN STAAT EN KERK VOLGENS Mr. GROEN VAN PRINSTERER
In het steeds goedverzorgde en belangrijke tijdschrift Antirevolutionaire Staatkunde, orgaan van de dr. Abr. Kuyperstichting, komt ditmaal (Juni '33) een artikel voor van ds. mr. den Hartogh over : Groen's gedachte over de verhouding van Staat en Kerk.
Wij willen trachten hier een en ander als een „korte inhoud" van dit artikel weer te geven, met aanbeveling zelf te lezen wat ds. mr. den Hartogh schrijft.
„De conditio sine qua non" (de onmisbare voorwaarde) „der verdraagzaamheid is juist de heerschende Kerk" schreef Groen in 1834. Maar het blijkt dan, dat hij niet bedoelde zulk een „heerschen" als ten tijde der Republiek. Want b.v. ten opzichte van de Roomschen schrijft hij : „Onze christelijke betrekking op de Roomsche Kerk legt jegens haar, in den strijd tegen het ongeloof, plichten op, voor wier beoefening dikwijls gelegenheid is. De Roomsche Kerk moet door Protestantsche Christenen verdedigd worden, voor zoover door het ongeloof in haar Christus Zelf aangerand wordt. Dit is geen overhelling tot de Roomsche Kerk. Het handhaven van een beginsel getuigt niet van ingenomenheid met een stelsel, waarin dat beginsel verkeerdelijk wordt begrepen en toegepast. Wij zijn geen Roomschen, ofschoon wij, als belijders van Christus, hoogen prijs stellen op hetgeen bij hen christelijk is. Christus is het vereenigingspunt; in Hem hebben Roomschen en Protestanten gemeenschappelijk belang tegen het ongeloof. Aan deze eenheid wordt van weerskanten te weinig gedacht" (Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd. 1834. Deel I van Groen's „Beschouwingen over Staats-en Volkenrecht", blz. 24, 25).
De verdraagzaamheid van de Revolutie, waardoor alle godsdiensten op één lijn gesteld waren. Icon — volgens Groen — slechte de overgang zijn naar de ergste onverdraagzaamheid, 't Moest leiden tot een deistisch-materialistische Staatsreligie. Er komt dan scheiding van Staat en Kerk, om den Staat met het ongeloof te verbinden en te voeren naar Deïsme en Atheïsme, met onderdrukking van het Christendom, zoowel het Christendom van de Protestanten als van de Roomschen. Wat te meer waar is, daar de Christelijke godsdienst in strijd komt met een Staatswezen, dat zich boven den godsdienst verheft en zoo den haat van den atheïstlschen Staat opwekt.
De revolutionaire scheiding van Kerk en Staat bedreigt, consequent toegepast, al-1 e godsdiensten, die een geopenbaarde waarheid kennen. Daartegenover stelt Groen dan de gedachte van zulk een vereeniging van Kerk en Staat, die één Christelijke Kerk bevoorrecht, en reeds daardoor aan het Christendom een breede plaats inruimt, terwijl ze aan de andere Kerken plaats gunt.
Waar Groen oordeelde, dat de revolutiegeest (met den atheïstlschen Staat) vijand was van burger-en volkenstaat, wilde hij een heerschenden godsdienst, waarbij de verdraagzaamheid gehuldigd werd.
Later (1858) toen Groen een nieuwe uitgave van zijn „Proeve" bezorgde, zei hij nadrukkelijk, dat men bij gebruik van de eerste uitgave moest letten op het jaar van uitgave (1834). Dat zag ook op zijn schrijven over een „heerschende" Kerk. In 1858 drukte hij zich in deze anders uit dan in 1834. Toen schreef hij in den geest van Wormser, die in 1853 zei, dat Nederland de gelijkheid der gezindheden moest erkennen en handhaven in het gevoel en de bewustheid van de uitnemendheid van zijn Protestantisme. Die meening was ook Groen in 1858 toegedaan.
Er zijn uitdrukkingen bij Groen te vinden, die er op zouden kunnen wijzen, dat hij terug wilde tot een Staatskerk. „Nederland is een Protestantsche Staat, Waarin, bij ruime verdraagzaamheid, voor het behoud en belang der Chr. Protestantsche Kerk moet worden gezorgd." (Bijdrage tot herziening der Grondwet in Nederlandschen zin 1840). Maar hiermee bedoelde hij niet te bestrijden de staatsrechtelijke gelijkstelling der gezindheden. Want in Juli 1850 schreef hij te behooren tot die Hervormden die aan het geloof der Gereformeerde Kerk met ijver gehecht waren, doch ook ten behoeve van de Roomschen eerbiediging van de zelfstandigheid eener Kerk verlangden en eerlijke naleving van de Grondwet.
En 11 Juni 1851 schreef hij in De Nederlander, dat een loyale polemiek, met de wapenen van H. Schrift, geschiedenis en wetenschap vergund moet zijn. „Voorts achten wij ons tot naleving van de Grondwet verplicht. Bij eventueele Grondwetsherziening zouden wij het een jammerlijk overleg achten, wanneer in een verbreken van de gelijkheid der Gezindheden, steun voor het Protestantisme gezocht werd." In geen geval doelde Groen op een zorg alléén voor het „behoud en belang der Chr. Protestantsche Kerk" zooals de woorden soms konden doen vermoeden als hij sprak over den Protestantschen Staat. Wat hij bedoelde blijkt uit wat hij 11 Juni 1851 schreef : „de feitelijke voorrang en meerderheid worde erkend die, gelijk bij voorbeeld in België en in Frankrijk tot dusver de Roomsche Kerk, evenzoo in Nederland de Hervormde Kerk heeft".
Een toelichting op dien feitelijken voorrang en meerderheid in Nederland van de Hervormde Kerk vinden we in 't geen hij schrijft 13 October 1871 : „Desniettemin houden wij aan het feitelijke vast en beweren, dat Nederland historisch tot op den huldigen dag, onder de christelijk protestantsche en althans niet onder de ultramontaansche natiën hoort. Die overtuiging houde men ons ten goede".
Groen sloot zich hierbij aan bij 't geen De Tijd (R.C.) schreef over Frankrijk. „Het Fransche karakter der ultramontaansche geestelijkheid en der ultramontaansche bladen wordt over 't hoofd gezien. Niemand zal hun 't recht ontzeggen, om, toen eenmaal de oorlog (1870) verklaard was, partij te kiezen voor het Vaderland. Dat zij daarbij het katholiek karakter der Fransche natie niet over 't hoofd zagen, er zich soms luide op beroepen, kan wel moeilijk gewraakt worden, daar toch altijd — de werkelijkheid van het oogenblik moge zijn wat zij wil — Frankrijk historisch tot de katholieke natiën behoort, Pruisen daarentegen — — niet Duitschland — tot de protestantsche mag en wil gerekend worden" (15 September 1870).
Zooals hier De Tijd (R.C.) op grond van de historie de Fransche Natie een „Katholieke" noemt en Pruisen Protestant, zóó wil Groen ook Nederland historisch tot de Protestantsche Staten gerekend hebben ! Echter zonder daarmede ook maar in 't minst te kort te doen aan de Staatsrechtelijke gelijkheid der gezindheden.
Dit is in wezen dezelfde gedachte, die vertolkt wordt in Art. 1 van het Program van Beginselen der A. R. Partij : „De Antirevolutionaire of Christelijk-Historische richting vertegenwoordigt, voor zooveel ons land aangaat, den grondtoon van ons volkskarakter, gelijk dit, door Oranje geleid, onder invloed der Hervorming, omstreeks 1572, zijn stempel ontving".
Het is geheel in den geest van Groen, wanneer Nederland een protestantsche natie wordt genoemd, maar evenzeer, dat geen Grondwetsherziening begeerd moet worden, waarbij steun gezocht wordt voor het Protestantisme in een verbreken van de gelijkheid der Gezindheden. Hij begeerde geen gelijkstelling van alle gezindheden krachtens de revolutiegedachte (haat tegen alle godsdiensten), maar met erkenning van de uitnemendheid van het Protestantisme (Wormser) erkenning en handhaving van de staatsrechtelijke gelijkheid der gezindheden. Erkenning dus niet alleen van de Protestantsche, maar ook van de Room­ scheen andere gezindheden als publiekrechtelijke lichamen.
Als men Groen later aanvalt over 't geen hij in 1830—'34 geschreven had, zegt hij : „il faut juger les ecrits d'après leur date" (Ned. Ged. 2de serie 'dl. V blz. 241). Dat wil zeggen, dat men bij het citeeren van uitspraken er aan denken moet in welken tijd ze geschreven zijn. Zoo b.v. wat hij in 1829 in een Nota geschreven had over beperking van vrijheid van onderwijs van de Roomsche gezindheid. Daarvan schrijft hij later, dat hij van lieverlede geleerd heeft wat vrijheid van onderwijs en publiek recht van de gezindheden beteekent! En in zijn bekend boekje : „Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst" (1837) schrijft hij, dat hij zeer goed nu begrijpt, dat „samensmelting der geloofsverscheidenheden" een onderwijs geeft, dat „rechtstreeks tegen alle gezindheden gericht" is.
En de erkenning van het Publiek Recht der onderscheidene Gezindheden van de natie, ook der Roomsche gezindheid, wordt hier door Groen zelf als het zuivere beginsel gesteld tegenover het vroeger, door bijmengselen vertroebelde, beginsel.
En wat Groen onder Gezindheden verstaat blijkt uit 't geen hij in „Maatregelen enz." schrijft: „De belijdenis, de uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof beteekent de Gezindheid; waar het geloof is, daar is de gezindheid" (blz. 40—42). En wat hij onder Publiek Recht der Gezindheden verstaat wordt duidelijk uit hetgeen hij 17 December 1849 in de Tweede Kamer sprak : „De Gezindheden zijn corporaties, die niet alleen mogen, maar moeten worden gekend in al wat de Godsdienst zijdelings of rechtstreeks betreft. Ik wensch mij met nauwgezetheid te houden aan de bepalingen van de Grondwet". „Geen heerschende Kerik, geen miskenning der rechten van den Staat. Ik voeg er bij, dat de rechten der Gezindheden, in haar karakter van corporation juris (publici met nauwgezetheid moeten worden geëerbiedigd. De Staat is geen abstract wezen afgescheiden van de Natie, geen alvermogend wezen, dat volstaan kan met aan de Kerk te geven datgene, waarop zij als corporatie juris privati recht heeft. Het is niet genoeg als de Staat het bijzonder onderwijs aan de Kerk gunt en eigenmachtig, in deze en in andere zaken, omtrent openbare aangelegenheden, waar Godsdienst ter sprake komt, beschikt." — „De hier te lande beslaande Christelijke Kerkgenootschappen, en ook het Israëlietische Kerkgenootschap, hebben een grondwettigen niet alleen, maar ook een openbaar historisch aanzijn. Wat moet dus, nu alle Gezindheden gelijke rechten hebben, de Staat tegenover de Kerk doen ? Waken voor eigen recht en ook voer de rechten der Gezindheden onderling; zorgen dat, terwijl openlijke discussie geen belemmering ondergaat, eene Gezindheid zich niet aanmatige eene andere gezindheid te verdrukken. De Staat zou behooren te waken tegen de Roomschgezinden, indien de verwijten, somwijlen tegen hen ingebracht, gegrond zijn en vooral ook tegen mij en mijne vrienden, indien wij Art. 36 der Hervormde geloofsbelijdenis niet met geestelijke, maar met andere wapenen willen ten uitvoer leggen". „De Gezindheden hebben hier te lande een historisch bestaan ; zij zijn niet getolereerd bij de genade der Grondwet" enz. (Adviezen Deel II, blz. 248—250).
In de „Narede" worden deze gedachten over het Publiek Recht der Gezindheden als volgt saamgevat:
„Ik acht dat, in al wat met den Godsdienst in onmiskenbaar verband is, de Staat van de Kerk, niet als van een ondergeschikt orgaan, maar als van een vrijen en onwaardeerbaren bondgenoot, gebruik maakt. De Staat handelt niet eigendunkelijk, maar met de Kerk in gemeen overleg. De Staat is, uit den aard der zaak en met het oog op het publiek belang, gehouden aan de natuur en de behoefte der Gezindheden waaruit de Natie samengesteld is. De publieke instellingen moeten, voor zoover de Godsdienst daarmee gemengd is, in verband staan, niet met de veranderlijke inzichten van het Gouvernement, maar met het geloof der bevolkin g", (blz. 58).

BEZUINIGINGEN BIJ ONDERWIJS.
Het staat nu wel vast, dat straks in September ons de tijding zal worden gebracht door den Ministerraad, dat het tekort bij Rijksfinantiën buitengewoon groot zal zijn. Niemand behoeft zich illusies te maken, dat we er zonder bezuiniging op elk gebied kunnen komen. En het zou een zegen zijn te achten, indien, naast een goede samenwerking tusschen de Regeering en het Parlement, ook het volk, in al z'n geledingen, bereid bevonden werd om een offer te brengen. Zonder offers, groote en kleine offers, zal het niet gaan.
Ook op onderwijsgebied zullen we de grootst mogelijke soberheid en zuinigheid moeten betrachten. We zullen het alles zoo veel mogelijk moeten saamtrekken op eenvoudigheid en degelijkheid, waarbij alle overdaad wordt vermeden. Zoowel wat betreft de eigenlijke school stichting, als ook bij het aanschaffen van schoolmeubelen en leermiddelen, zal overal de grootst mogelijke soberheid en zuinigheid moeten worden voorgestaan, door bestuur en onderwijzend personeel tezaam.
En dan kan ook ten opzichte van het Openbaar onderwijs in den weg van concentratie of saamvoeging van kleine scholen heel wat worden bezuinigd. Want 31 Decemlber 1931 waren bij het Openbaar onderwijs 213 éénmansscholen en 624 tweemansscholen (bij het bijzonder onderwijs waren de getallen 21 en 459) en het ligt vcor de hand, dat daar best iets gedaan kan worden, om de uitgaven omlaag te brengen door samenvoeging van zulke miniatuurschooltjes.
Het verblijdt ons, dat de Minister van Onderwijs, die met héél de Regeering saam, bezuinigen moet, in deze richting reeds werkzaam is. Want we lezen, dat de Minister aan de Burgemeesters van een groot aantal gemeenten een schrijven heeft gezonden, waarin wordt aanbevolen bij het Gemeentebestuur voorstellen aanhangig te maken tot opheffing van in die gemeenten bestaande zeer kleine Openbare Scholen over te gaan. Mochten daaruit voor de gemeenten kosten voortvloeien, dan is de Minister bereid daarin van rijkswege tegemoet te komen.
Tevens heeft de Minister zich gewend tot Gedeputeerde Staten der provincies, met verzoek zoo noodig van hun bevoegdheid tot opheffing van Openbare Scholen volgens de Lager-Onderwijswet gebruik te maken. Ook de Kroon is tot opheffing bevoegd.
De Minister laat er dus geen gras over groeien en we gaan, wat dat betreft, den goeden kant uit.
Ook bij het bijzonder onderwijs hebben we ons te wachten voor het stichten van (kleine prutsschooltjes, waardoor veel geld wordt vermorst en het onderwijs bedorven wordt. Onze vrijheid mag geen bandeloosheid worden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's