De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

DE VERHOUDING VAN STAAT EN KERK VOLGENS Mr. GROEN VAN PRINSTERER
II.

Dr. mr. den Hartogh zegt zéér terecht: „Er zijn uitspraken van Groen aan te halen, die doen denken aan heimwee naar den toestand van vóór 1795, toen de Hervormde (Gereformeerde) Kerk de heerschende was". In 1834 schreef hij : „De conditio sine qua non der verdraagzaamheid is juist de heerschende Kerk". Toch zou het verkeerd zijn, om met een enkel citaat (uit 1834) iets te gaan bewijzen aangaande Groens standpunt inzake de verhouding van Staat en Kerk. Wanneer we niet op de historische ontwikkeling bij Groen letten en op het verband, waarin zijn woorden voorkomen, raken we den draad kwijt. Zoo vergist zich b.v. ook dr. J. Th. de Visser, als hij in zijn lijvig boek : Kerk en Staat (3 deelen) het standpunt van Groen aldus omschrijft:
„Eigenlijk zijn dus de gezindheden, die in aanmerking komen, om als zelfstandige corporaties juris pulblici (van publieken rechte) te worden beschouwd, alleen de protestantsche, voorzoover hare belijdenis is gegrond op de hoofdwaarheden van het Christendom. De overige kunnen hoogstens als particuliere vereenigingen worden geduld, maar waar het de vereeniging van staat en kerk betreft, komen zij niet in aanmerking. De Staat behoeft, waar het zijne roeping inzake den godsdienst geldt, met deze geen rekening te houden. Samenwerking en gemeen overleg hebben slechts plaats met de kerk. En daarvan zijn immers de protestantsche belijdeniskerken alleen de uitbreiding en de vertakking".
Want het is duidelijk, dat Groen, toen eenmaal zijn beginsel vaststond, alle gezindten, dus niet alleen de Protestantsche, maar ook de Roomsche en andere, als publiekrechtelijke lichamen wilde erkend zien door den Staat. Groen van Prinsterer stond niet van meet af op dit standpunt. Rond en open legde hij op 19 November 1873 deze confessie af : „Van lieverlede evenwel heb ik geleerd wat Vrijheid van Onderwijs en Publiek recht der gezindheden beteekent".
Wat Groen verstond onder „Publiek recht der gezindheden" hebben we gezien. De gezindheden — waar 't geloof is — zijn corporaties „die niet alleen mogen, maar moeten worden gekend in al wat de Godsdienst zijdelings of rechtstreeks betreft. Ik wensch mij met nauwgezetheid te houden aan de bepalingen van de Grondwet". „Ik voeg erbij, dat de rechten der gezindheden in haar karakter van corporation juris putolici met nauwgezetheid moeten worden geëerbiedigd". „Geen heerschende Kerk". Art. 36 mocht niet met andere dan geestelijke wapenen ten uitJvoer worden gebracht. „De gezindheden hebben hier een historisch bestaan ; zij zijn niet getolereerd bij de genade der Grondwet" enz. (Adviezen. Deel II, blz. 248—250).
Maar wat verstond Groen dan onder „Christelijke Staat"?
Groen heeft zich uitgeput, om dat duidelijk te maken — met name tegenover Thorbecke e.a. (b.v. 18 November 1862 in de Tweede Kamer). Groen wilde geen Godsdienstlooze Staat (Etat athée) ; de Overheid mocht niet vrij zijn van de geboden Gods en aan de willekeur van het Souvereine Volk ondergeschikt gemaakt worden. En met behoud van wederzijdsche onafhankelijkheid moest er, waar op politiek terrein van godsdienst sprake is, gemeen overleg en samenwerking zijn tusschen Staat en Kerk. (Zie Voorrede van „Vrijheid van Chr. Nationaal Onderwijs in verband met scheiding van Kerk en Staat." 1863 ; pag. XXXVIII; zie ook : „Le Parti Antirevolutionnaire et confessionnel dans l'Eglise Réformée des Pays Bfes" blz. 71_ 1860).
Groen sprak in verband met „Christelijke Staat" van drie dingen:1 het Publiek Recht der Gezindheden ; 2 de onderwerping van Se Overheid aan Gods geboden ; 3 erkenning van 1 en 2 in de Grondwet. (Zie Voorrede „Ter nagedachtenis van Stahl"). „Voor het individu vrijheid en voor de openbare instellingen handhaving van het christelijk nationaal beginsel" (art. 14 der toenmalige Pruisische Staatsregeling).
Groen wist echter wel, dat de werkelijkheid en de practijk in deze dikwijls verre van het ideaal bleef. En daarom betoogde hij telkens, dat hij 't liefst zag, dat de Staatsgemeenschap berustte op een vasten christelijken grondslag en dat een christelijke Overheid daarop voortbouwde. Maar was dat niet het geval, dan diende toch elke, ook een niet positief christelijke. Overheid rekening te houden met hetgeen de natie geloofde. Immers „wil men geen Christelijken Staat meer, er is nog een Christelijke Natie, zoodat er, ook volgens de Grondwet, in de openbare instellingen, met gelijk recht der Gezindheden, op het geloof der Natie behoort te worden gelet" (Voorrede „Vrijheid V. C. N. S.", pag. XXXVni).
De Overheid moest gedachtig zijn aan de rechten en behoeften eener christelijke Natie. Scheiding van Kerk en Staat betekent niet, dat in de openbare instellingen, waar Godsdienst te pas komt, op den godsdienst der Natie, op het geloof der gezindheden waaruit de natie is samengesteld, niet mag worden gelet.
Met het geloof der natie moet worden gerekend. In de openbare instellingen, met name het huwelijk, het onderwijs en de eed, moet rekening gehouden worden met de godsdienstige overtuiging en behoefte van de overgroote meerderheid der bevolking. Dat is de taak van elke Overheid, Er moet rekening gehouden worden — ook als er geen „christelijKe staat" is — met een „Christelijke natie".
Het „rekening houden met het geloof der Natie" was voor Groen 'n voorname factor, waar bij hij wenschte, dat de Overheid „acne aju geven op de Kerkeiijke gezindheden der Natie" was voor Groen een voorname factor, Grondwetsherziening enz. 1849, blz.118  — 121. Ongeloof en Revolutie 2de druk. 1868 noot blz. 60 enz. enz.).
Nu weten we, dat in Groen's tijd het geheele Nederlandsche volk in „Gezindheden" was ingedeeld en dat er over 't algemeen nog was een vasthouden aan de overgeleverde godsdienstige begrippen, zij 't dikwijls oppervlakkig, Thans hebben honderdduizenden met elken Kerkvorm gebroken en een gansch groote schare is van allen geopenbaarden Godsdienst vervreemd. In dit verband wordt duidelijk, dat de A.R. Partij in haar Program heeft opgenomen een Staat, waarin de Overheid tot richtsnoer neemt „de eeuwige beginselen, die ons in Gods Woord geopenbaard zijn" (Art. 3 van Ons Program) en deze tracht toe te passen „overeenkomstig den gewijzigden volkstoestand, in een vorm, die aan de behoeften van onzen tijd voldoet" (Art. 1 van Ons Program).
Dr. mr. den Hartogh merkt hierbij op : Groen kon voor den „Christelijken Staat" meerdere eischen stellen dan onze partij dit thans vermag te doen. Maar in zoover een Christelijke Staat aanwezig is, als de Ovenheid zich naar de goddelijke ordinantiën richt, in zoover is ons streven gelijk, en mocht onze partij, voortbouwend op den door Groen gelegden grondslag, het voorrecht genieten, meerdere malen de werkelijkheid van een Christelijken Staat voor oogen te zien. En dat blijft ons doel!"
(Slot volgt).

UIT DE SYNODE.
Bij de Synode, het hoogste rechtsprekende en besturende College, dat wij in de Ned. Hervormde Kerk hebben (!!) komt van alles en nog wat binnen ter beoordeeling en ter behandeling. Zoo heeft ds. A. Hoogendijk Kzn. kennis gegeven van een proces, dat hij de Kerkvoogdij van z'n vorige gemeente heeft aangedaan inzake niet uitgekeerde gelden van z'n tractement. De ofiicieele regeling van het tractement schijnt in Eist bij Amerongen anders te zijn geweest dan het Reglement op de predikantstractementen. Het Reglement is bindend verklaard boven den ligger. — Wat zijn er toch treurige verhoudingen, geestelijk en stoffelijk in onze Hervormde Kerk !
Bij de Synode kan een in Nederland afgestudeerd theol. student solliciteeren naar een beurs, die van uit Engeland beschikbaar is gesteld, welke beurs in staat zal stellen een jaar in Oxford te studeeren. Wij vermoeden, dat er wel veel liefhebbers zullen zijn.
Van uit Doetinchem was door iemand een schrijven gericht aan de Synode als protest tegen de benoeming van een Kerkelijk hoogleeraar, die niet staat op den grondslag van de kerkelijke belijdenis en de opleiding van predikanten niet zal sturen in de richting van de leer der Kerk, die naar Gods Woord is. Voor zulke brieven staat er altijd een groote mand klaar.
Er was een voorstel om een verplicht register aan te leggen van allen, die aan de Generale Kas bijdragen. De Synode heeft dat verplicht register afgewezen, omdat de tegenzin tegen verplichte bijdragen voor de Generale Kas nog te groot is. Vrijheid, blijheid.
Men heeft ook weer geprobeerd den Goeden Vrijdag te maken tot een officieelen kerkdijken (feest)dag, maar voor de zooveelste maal is dat mislukt. Er bestaat ook in 't minst geen behoefte aan.
Uit het verslag Hooger Onderwijs blijkt, dat te Leiden 82 studenten waren, waarvan 29 eerste jaars, met 2 vrouwelijke; te Utrecht 217, waarvan 6 vrouwelijke en 46 eerste jaars (waarvan 3 vr.) ; te Groningen waren er 54, waarvan 15 eerste jaars. (In 1932 zijn er dus 29 en 46 en 15 = 90 theol. studenten bijgekomen).
Tezamen zijn er dus 350 theol. studenten aan de drie Rijks-Universiteiten, zoodat we over vier a vijf jaar 350 jonge predikanten er bij kunnen hebben !
Behandeld is de vraag of vrouwelijke studenten in de theologie, die wel hulppredikers kunnen worden (doch geen predikante) en niet voor de gemeente als zoodanig mogen optreden, dit reglementair wel kunnen en mogen doen. De Synode heeft nu, met meerderheid van stemmen, gezegd, dat wat eigenlijk niet mag toch wel mag geschieden. En de Synode is de hoogste rechtsprekende macht. Omdat het hier vrouwen geldt mag nu wat niet mag ! De Kerk is er gelukkig mee : èn met zoo'n hoogste rechtsprekende macht èn met zulke vrouwen, die doen gaan wat niet geoorloofd is.
Een voorstel om de vroegere achterdeur, waardoor men als predikant ook de Kerk kon binnenkomen zonder in Nederland te zijn afgestudeerd, weer bij vernieuwing open te zetten, is gelukkig afgewezen.
Over een algeheele wijziging in de opleiding van onze a.s. predikanten (welke wijziging reeds lang om verwezenlijking roept) is breed gesproken op voorstel van prof. Brouwer, maar de zaak is blijven zitten. Zooals er zooveel blijft zitten, helaas !
Aangaande deze aangelegenheid lazen we in 't verslag der Syn_ zittingen 't volgende :
„Prof. Brouwer spreekt over de academisch, wetenschappelijke opleiding in het algemeen en over de kerkelijk-practische in het bijzonder, speciaal wat Utrecht aangaat. Zijns inziens wordt door de Kerk teveel aan de Staatshoogleeraren overgelaten, terwijl de Kerkelijke hoogleeraren niet kunnen voldoen aan hetgeen van hen verwacht wordt, en dat van wege het groot aantal vakken, dat zij hebben te onderwijzen. Reeds meermalen heeft hij een lans gebroken voor de aanstelling van een derden Kerkdijken hoogleeraar, zoodat de vakken onder drie hoogleeraren beter verdeeld konden worden. In dit verband heeft hij gesproken over een Kerkelijk Seminarie, naast de universitaire opleiding. Ook is het gewenscht, dat de studie verzwaard wordt, bijv. het doctoraal-examen verplicht te stellen. In het buitenland duurt de theologische studie langer. Wat de kosten betreft, deze zouden gevonden kunnen worden door verhooging van de college-gelden, door heffing van examengeld, aangevuld met bijdragen uit het Fonds voor het Hooger Onderwijs en de Generale Kas.
Deze algemeene besprekingen zullen door de Commissie voor het Hooger Onderwijs nader onder de oogen worden gezien.
Prof. Korff deelt iets mede over de verhouding tusschen Staats-en Kerkelijke Hoogleeraren te Leiden.
Daar de studenten te Leiden gewoonlijk slechts drie maanden lieten verloopen tusschen hun candidaats-en kerkelijk voorbereidend examen, is door de Kerkelijke professoren 1 jaar studie verplichtend gesteld, terwijl de studie van de Dogmatiek reeds in het tweede jaar begint. Wat prof. Brouwer over de opleiding te berde gebracht heeft wil hij gaarne onderstrepen".
60 candidaten werden er geëxamineerd door de Provinciale Kerkbesturen; waarvan 7 bij het proponentsexamen werden afgewezen.
35 kwamen van de Universiteit te Utrecht, 12 van Leiden en 7 van Groningen.
Een voorstel van den Bond van predikanten, bedoelende de regeling van practisch werk voor proponenten, is verwezen naar de Synodale Commissie. Men wil een Bondsbureau voor practisch werk voor proponenten oprichten, met de bedoeling voor lederen proponent, die dat wenschen mocht, de gelegenheid te zoeken en plaatsing te bezorgen voor het meemaken van een volle wintercampagne in een met zorg gekozen pastorie. Er zou moeten worden gezorgd voor een bescheiden vergoeding voor de opneming in het pastorale gezinsleven (b.v. /300_—). De predikant zou op nader te omschrijven wijze den proponent inleiden in het pastorale werk.
Van de Vereeniging van Kerkvoogdijen was een voorstel, om de kerkelijke gemeenten te verplichten zich te verzekeren bij het verzekeringsinstituut „Stormbrand". De Synode is hierop niet ingegaan. Zij wil 't wel aanbevelen, maar niet verplichten. Dat er voor kerken, stichtingen, scholen enz. heel veel vóór te zeggen is zich aan te sluiten , bij dit „eigen" verzekeringsinstituut is ongetwijfeld waar. Laat men er maar meer bekendheid aan geven!
Het voorstel om voor de Jeugddiensten een reglementair-kerkelijk kader te scheppen is natuurlijk door de Synode aangenomen. Over de noodzakelijkheid van het christelijk onderwijs voor de gedoopte jeugd heeft de Synode zich nog nooit uitgesproken, maar nu 't gaat om voor dé jeugd afzonderlijke godsdienstoefeningen in 't leven te roepen is zij er als de kippen bij, om dit in de reglementen op te nemen. Als de Synode de reglementen toch niet had, om daar elk jaar zich dagen en weken mee bezig te houden, om die aldoor aan te vullen, te wijzigen, te verbeteren enz. enz. dan zou de Synode zich toch wel heel ongelukkig gevoelen. Net als 't kind, dat z'n hobbelpaard zou moeten missen.
Bij gelegenheid van het verslag der legerpredikanten heeft de Synode ook nog een oogenblik gesproken over het militante van onderscheidene anti-militairisten. Daar schijnen echte vechtersbazen onder te zitten ! Gevaarlijlke menschen !

55STE UNIE-COLLECTE.
Het Bestuur der Unie „Een School met den Bijbel" leidt de jaarlijksche Unie-collecte thans in met een schrijven aan de Locale Comité's, waaraan het volgende is ontleend :
„De voorbereiding van de vijf-en-vijftigste Unie-collecte vangt aan.
Vier-en-vijftig maal is thans deze collecte gehouden. Duizenden guldens heeft ons volk door middel van deze inzameling met een dankbaar hart geofferd voor de School met den Bijbel. God zegende mild en rijk ons Christelijk Onderwijs en het is groot en krachtig geworden.
Ons Christenvolk heeft, opgebouwd met liefde in het hart en sterk in het geloof, geworsteld voor een School, in wier onderwijs Gods Heilig Woord als bron van licht en waarheid en de vreeze des Heeren als het beginsel der wijsheid werd geëerbiedigd. God hoorde de gebeden en het Chr. Onderwijs is groot en krachtig geworden.
In dit kort begrip van de historie der Chr. School hier te lande ligt het antwoord besloten op de vraag, waarom nog steeds de jaarlijksche Unie-collecte wordt gehouden.
Waarom ?
Om te doen gedenken, hoe God de Heere ons Chr. Onderwijs heeft groot gemaakt. Om een oogenblik te doen stilstaan teneinde in herinnering te brengen de gebeurtenissen van Augustus 1878 , toen alles voor de School met den Bijbel verloren scheen en op te merken, hoe sindsdien door Gods wonderbare leiding ons Chr. Onderwijs in ongebroken lijn van ontwikkeling tot grooten bloei is gekomen. En om dan door een gave te doen bezegelen de liefde en de dankbaarheid voor 'hetgeen God ons en onzen kinderen in de School met den Bijbel heeft geschonken.
Vergeten van onze historie doodt de waardeering, fnuikt de dankbaarheid, verkilt de liefde voor de zaak van het Onderwijs en breekt de kracht der beginseltrouw.
Daarom zij de Unie-collectedag onder ons volk een gedenkdag van groote beteekenis. Daarom blijve de Unie-collecte in eere, als middel in den strijd voor het behoud van onze hoogste goederen.
Daarom in de eerste plaats, maar daarnaast ook omdat de opbrengst der collecte niet kan worden gemist.
Onjuist is de meening van velen, dat de Unie-collecte gehandhaafd blijft uitsluitend als monument der historie, doch dat zij practisch zonder eenig bezwaar zou kunnen worden afgeschaft. De Staat zorgt immers voor alles ?
Niets is minder waar ! De opbrengst is noodig :
1. Voor onze plaatselijke scholen voor gewoon lager, uitgebreid lager en voorbereidend lager onderwijs;
2. Om een Locaal Comité in staat te stellen handreiking te doen aan noodlijdende scholen in andere plaatsen (hoe dringend heeft bijv. het Chr. Onderwijs voor schipperskinderen dien steun noodig);
3. Om de plicht der dankbaarheid na te leven tegenover de Oud-Strijders bij het dhr. Onderwijs, die midden in den schoolstrijd hebben gestaan en thans met een karig pensioen tevreden moeten zijn of in het geheel geen pensioen genieten, en om de vereenigingen te steunen, die aan onderwijzers en hun weduwen barmhartigheid bewijzen ;
4. Om de plaatselijke propaganda voor de School met den Bijbel te kunnen bekostigen ;
5. Om de algemeene Uniekas in staat te stellen, door een bijdrage uit de opbrengst der collecte, om werkzaam te zijn voor de behartiging van de algemeene belangen van het Chr. Onderwijs
Op dit laatste worde bijzondere nadruk gelegd.
Laten wij niet vergeten, dat ons Chr. schoolwezen een éénheid, een gemeenschap vormt. Kortzichtig egoïsme beperkt den blik tot de behartiging van de belangen van eigen school en doet vergeten, dat er ook verantwoordelijkheid is voor het welzijn van de gemeenschap, waartoe die eigen school behoort.
En toch is het ook voor eigen school van zoo groot belang, dat het Chr. schoolwezen als eenheid bloeit.
Daarom is, zoolang behoeften van die gemeenschap om voorziening roepen, de plaatselijke toestand nimmer een voldoende verontschuldiging voor het nalaten der Unie-collecte.
De Unie wenschtde belangen der gemeenschap te behartigen. Zij verleent steun aan de wetenschappelijke beoefening der Christelijke paedagogiek ; aan de Bibliotheek ten dienste van het Christelijk onderwijs ; aan de verzorging der Oud-Strijders, enz. Maar vooral heeft zij middelen noodig voor de propaganda.
Haar taak is den strijd aan te binden en te bezielen tegen alle onverschilligheid en lauwheid in eigen kring ; te zorgen, dat ook het opgroeiende geslacht bekend zij met de beginselen en de historie van het Christelijk onderwijs.
Daartoe worde de Unie ook dit jaar in staat gesteld door een ruime bijdrage uit de plaatselijke collecten.
Men werpe niet tegen, dat de economische nood het houden der collecte verbiedt. Het kleine offer, dat de Unie vraagt, kon altijd worden gemist en is altijd met liefde gebracht.
Laat het ook dit jaar mogen geschieden !"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's