KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE BESCHOUWING AANGAANDE DEN GODSDIENST IN SOCIALISTISCHE KRINGEN.
In Socialistische kringen wordt gewoonlijk zoó over den godsdienst gedacht en gesproken, dat de verdwijning nabij is, wat dan een oorzaak van blijdschap is.
Talloos vele zijn de aanvallen tegen den godsdienst, ook de laatste honderd jaren, geweest.
Daar zijn eerst gekomen de ridders van „de kracht en van de stof". Fel klonken de klaroenstooten van de legerhoofden Büchner, Vogt, Molenschot e.a., en de soldaten werden er telkens door aangevuurd. De strijd ging in naam van de waarheid en tegen de leugen; tegen volksverdomming en priesterheerschappij. Verlichting, beschaving, vooruitgang, waren de leuzen. En de stelligheid waarmee gesproken werd boezemde vertrouwen bij velen. Men beweerde het antwoord te hebben gevonden op de vele vragen, waarmee de menschheid zich sedert eeuwen tot moe-wordens toe heeft gekweld : vanwaar komt de mensch en waar zal hij heengaan ? Wie woont daar boven de sterren ? Wat is leven, wat is denken, wat is het bewustzijn, enz. ? Men beweerde het antwoord te weten en rust te kunnen geven aan moede vragers.
Kracht en stof waren de modewoorden. Zonder fosfor geen gedachte, decreteerde men. En de godsdienst, de vroomheid werd voor velen een reusachtige dwaasheid. God werd tot een leugen, het geloof in eeuwig leven de reine dwaasheid !
Met boekjes over de tegenstrijdige bijbelplaatsen sloeg men de menschen dood, met pamfletten als : „dominé, pastoor of rabbi" vergiftigde men de massa, door b.v. het gebed gelijk te stellen met bedwelming door jenever en den godsdienst te verklaren uit het bedrog van winzuchtige listigaards, die speculeerden op den angst en de vrees van den oermensch voor onbekende natuurkrachten.
Met dit filosofisch-materialisme streed men een feilen strijd tegen den godsdienst en de Kerk. En men was zoo onnoozel om te gelooven, dat een zoó machtig en overal en ten allen tijde voorkomend verschijnsel als de godsdienst de vrucht was van listig bedrog en handige winzucht van enkelen. Allerlei frazen, waarachter allerlei onwetendheid schuilt, gebruikte het filosofisch-materialisme en men accepteerde het vijf en twintig jaar geleden gretig. En al is deze strijd tegen den godsdienst wel in een eenigszins ander stadium gekomen, toch zijn er altijd nog velen, die bij dergelijke redeneeringen leven. „Enkele rijken en wreede verdrukkers hebben den godsdienst uitgedacht als een handig middel, om de massa bang te maken en gedwee aan zich te onderwerpen", leeraart men de massa. En men werkt nóg met boekjes als „de Godspest", „de godsdienst de grootste vijand van het menschelijk geslacht", „de godsdienst opium voor het volk", enz.
Het historisch-materialisme heeft intusschen meer een stelsel gegeven, dat wetenschappelijke pretenties voert en fijn en fel werkt. En al verachten de historisch-materialisten pamfletten als : „dominee, priester of rabbi", zij voeren niet minder strijd tegen godsdienst en Kerk. De godsdienst is een onding en heeft afgedaan, leert men, en in de komende socialistische maatschappij zal er voor den godsdienst geen plaats zijn. De goden zullen beschaamd als schimmen moeten vluchten. Het doodvonnis over den godsdienst staat vast.
De redeneering van het historisch materialisme komt in hoofdzaak hierop neer :
De menschen in den vóórtijd waren, en voelden zich ook, zéér sterk afhankelijk van de hen omringende natuurkrachten. De aard van die krachten begrepen ze absoluut niet. Ze hoorden het onweer, ze zagen den 'bliksem, maar de oorsprong en de werking van dat natuurverschijnsel begrepen zij niet. Ze waren alleen maar in zeer groote vreeze voor die schrikwekkende dingen. En daar zij achter alles, wat zich op eenigerlei wijze bewoog, waarvan kracht uitging, een levenden geest veronderstelden, kwamen zij er toe, om die hun onbekende krachten te vergoddelijken.
Daarbij kwam, dat de mensch, die een sterke behoefte aan geluk heeft, zich ten allen tijde in menig opzicht ongelukkig gevoelde. En zoo heeft hij altijd de neiging gehad, om zich met zijn denken boven deze jammerwereld te verheffen en in een verbeelde wereld het geluk te zoeken, dat hem hier niet gewerd.
Het is vooral uit de samenwerking van deze twee factoren, dat de godsdienst is ontstaan en nog steeds bestaat: Afhankelijkheidsgevoel met wanbegrip ter eener, én behoefte aan geluk ter anderer zijde ; deze twee factoren saam hebben het aanzijn geschonken aan de religieuse verschijnselen, die in een waanwereld thuis hooren. Zeer zeker heeft de religie in den loop der tijden in dit jammerdal een goed werk gedaan, door de menschen door haar schoonen schijn voor wanhoop te bewaren („de heilige van dit jammerdal") en voor velen is zij de drijfkracht geweest tot zedelijk leven, maar nu zijn haar dagen geteld. De religie is er nog, zij is nog sterk, maar ze zal sterven bij gebrek aan voedsel en wijl zij overbodig zal zijn geworden in de socialistische maatschappij.
Wanneer eenmaal de natuurkrachten in hun wezen en waren aard zullen zijn doorschouwd, wanneer de mensch door de ontwikkeling van techniek en wetenschap niet meer van die krachten afhankelijk zal zijn, doch ze aan zijn wil dienstbaar zal hebben gemaakt, en wanneer door de komst van het socialisme deze kapitalistische jammerstaat zal zijn omgevormd in een wereld vol geluk — de socialistische hemel op aarde — dan zullen de menschen in 't sterke bewustzijn van hun klaar begrip, van hun groote kracht, en in 't gevoel van geluk en vrijheid, dat ze dan zullen smaken, de religie niet meer van noode hebben. En bij gebrek aan voedsel zal ze sterven. Andere krachten zullen dan haar werk doen. De menschen zullen haar dan kunnen missen, ja, verachten. En reeds nu vindt het bewuste proletariaat in het Socialisme (niet het oekonomisch stelsel, maar de socialistische levensbeschouwing) wat het vroeger vond in de religie. En wanneer die socialistische levensbeschouwing steeds verder doordringt — en dat zal ze ! — dan zullen steeds meerderen afsterven van de religie, en deze zal eindelijk tot de geschiedenis behooren. En in verre tijden zullen de menschen eenmaal zich verwonderen en lachen om een geslacht, dat geloofde en bad, evenals wij ons nu verwonderen over voorvaderen, die vast geloofden aan het bestaan van zeemeerminnen en dat de duivel bokspooten had, enz.
Het historisch-materialisme is dus tenslotte iets beleefder dan de oude filosofische materialisten, die niet anders dan van bedriegers en bedrogenen spraken 't Weet zelfs in zekere mate te spreken van de eerlijkheid van de geloovigen (wat dan verblindheid en onkunde is geweest) en spreken over de religie als iets, dat historisch noodzakelijk is geweest — maar intusschen is de religie iets onwezenlijks, dat niet bestaan mag en straks ook niet meer bestaan zal, als de kapitalistische maatschappij voor een andere heeft plaats gemaakt. Dan zal er iets anders en iets beters den mensch geschonken worden. Het kapitalisme zal de religie in z'n val meeslepen.
Wanneer de religie inderdaad z'n oorsprong vond in gevoelens van vrees, in onkunde aangaande den aard der ons omringende natuurkrachten, in een drang naar geluk, in handigheid, heerschzucht en bedrog van enkelen, die de massa wilden uitbuiten enz. enz., dan zou de godsdienst inderdaad verdwijnen bij het afnemen der vrees, bij klaarder inzicht van den mensch, bij betere maatschappijtoestanden enz. enz. Maar de Christen gelooft en belijdt, dat de godsdienst gegrond is in het wezen van den mensch, daar God den mensch schiep naar Zijn beeld en gelijkenis. Daarom zal de godsdienst er ook zijn en blijven zoolang er menschen zijn ; en de mensch, wie hij ook is en waar hij ook woont en onder welke levensomstandigheden hij verkeert, zal eerst dan waarlijk gelukkig zijn, wanneer hij den eenen, waarachtigen God mag kennen, dienen en liefhebben in en door Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon.
„Juicht, aarde, juicht alom den Heer, Dient God met blijdschap, geeft Hem eer, Komt nadert voor Zijn aangezicht, Zingt Hem een vroolijk lofgedicht".
DE VERHOUDING VAN STAAT EN KERK VOLGENS Mr. GROEN VAN PRINSTERER
III.
Volgens Groen van Prinsterer bevatte de idee van den Christelijken staat deze twee elementen :
1. Publiek Recht der Gezindheden (met behoud van vrijheid, overleg en samenwerking tusschen Kerk en Staat) ;
2. De overheid is in wetgeving en bestuur onderworpen aan Gods geopenbaarden wil of m.a.w. aan Gods geboden. (Wat in de Grondwet moest worden vastgelegd).
Het liefst zag Groen, dat de Staatsgemeenschap beruste op een vasten Christelijken grondslag en dat eene Christelijke overheid daarop voortbouwde. Maar ook een niet-positief-Christelijke overheid diende rekening te houden met het geloof der natie.
In de openbare instellingen, waarbij de religie betrokken was, moest wel degelijk gelet op de godsdienstige overtuiging en behoefte van de overgroote meerderheid der bevolking, opdat deze openbare instellingen, met name het huwelijk, het onderwijs en de eed, aan hare bestemming zouden kunnen beantwoorden.
Groen hield vast aan een „Christelijke Natie", ook al was een „Christelijke Staat" niet mogelijk.
Over drie onderdeden van het algemeene vraagstuk der verhouding van Kerk en Staat wordt dan nog gesproken, en wel Ie. „de zilveren koorde" tusschen Kerk en Staat; 2e. de synodale organisatie van staatswege opgelegd ; 3e. theologische faculteiten van den Staat voor de Kerk.
I. Ongetwijfeld kan gemakkelijk misbruik worden gemaakt van eene financieele verhouding tusschen den Staat en de Kerk. Maar noodzakelijk is dit toch niet. En, aangezien de Staat de goederen der Kerk eigendunkelijk en wederrechtelijk genationaliseerd had, daar was zij verplicht de tractementen dier Kerk te betalen. Art. 192 der Grondwet, dat bepaalt: „de tractementen, van welken aard ook, blijven aan de Gezindheden verzekerd", moet nauwgezet geëerbiedigd. Ook handelt de Minister niet eigenwillig door „naar goedvinden aan sommige gemeenten te onthouden, wat hij uit onverpligte gunst aan anderen geeft".
II. „De moderne rigting heeft haar steunpunt voor de School in de Wet van 1857; voor de Hervormde Kerk in de Csesaropapistische organisatie van 1816 en 1852". Daarom moet vrijmaking van de Hervormde Kerk ons doel zijn en wel onderscheiden worden tusschen het Kerkgenootschap en de plaatselijke gemeenten. Velen denken en zeggen, dat de Hervormde Kerk in 1842 en 1852 is vrijgemaakt. Maar dit is zoo niet. Deze zoogenaamde vrijmaking is niet anders dan overlevering aan de Synode, orgaan der Kerk, maar inderdaad creatuur van het Gouvernement. Csesardpapistisch schepsel, dat tot handhaving van de kerkleer geroepen, integendeel de verkondiging van het ongeloof, tot in het nee plus ultra van antichristelijke ontwikkeling, handhaaft". Met velen wil Groen: geen losscheuring, maar wel: ten langen leste losmaking der boeien, waaraan de Gereformeerde Kerkgemeenschap door een antigereformeerde organisatie gelegd is. Niet als gunst, maar als recht. Recht voor allen". (Ned. Gedachten. Deel I, blz. 134, 17).
De zoogenaamde vrijmaking in 1852 is de voortzetting geweest van het anti-kerkelijk systeem van 1816. „Overlevering van het kerkgenootschap, door den Staat aan de Synode, voortaan vrije, losbandige Staatserfgename, gelijk ze van den beginne staatscreatuur was. Evenals Graaf van Lynden van Sandenburg in de Tweede Kamer, zoo bepleit ook ik (Gr. V. P.), dat de Staat de besluiten van 1816 en 1852 zal intrekken en aan de Kerk hergeven de vrijheid, die haar in 1816 ontnomen werd.
III. Krachtig kwam Groen van Pinsterer op tegen het misbruik dat de Regeering maakte van de theologische faculteiten aan de openbare Universiteiten. De Staat moest bedenken, dat deze faculteiten bedoelen de vorming van leeraars voor de Hervormde Kerk. Vooral toornde Groen dan ook tegen het benoemen van hoogleeraren van de Groninger en de Moderne richting. Heilige verontwaardiging doet hem zeggen : „Indien de Belijdenis niet is ter zijde gesteld ; indien zij nog kracht heeft, indien het aanbidden van den Zoon, gelijk den Vader, indien de onderwerping aan de uitspraken der Schrift, indien het vertrouwen op de algenoegzame verdiensten van het Lam dat geslacht is, tot de hoofdzaak en het wezen der alsnog bij Grondwet en Synodale Reglementen erkende historische belijdenis van de Hervormde gezindheid behoort; dan mag, dan moet ik, om aan de eenvoudige waarheid hulde te brengen, met vrijmoedigheid zeggen, dat men, door aanstelling en handhaving van de meesten onzer Hoogleeraren in de Godgeleerdheid, ten aanzien der Hervormde Kerk met dezelfde onregtvaardigheid en ongerijmdheid te werk is gegaan, als wanneer men voor hoofdonderwijzer bij een Roomsch Seminarie een Protestant had - benoemd, of, in eene faculteit tot vorming van Rabbijnen het professoraat bij voorkeur aan zeer ijverige Christenen opgedragen had".
20 Nov. 1862 voerde Groen in de Kamer tegen Thorbecke aan, dat de kwestie van de theologische faculteit raakte „het sedert lang door den Staat miskende recht der Hervormde Kerk. Eigendunkelijk heeft de Staat zich meester gemaakt van de benoeming der hoogleeraren in de godgeleerdheid en uitgeoefend een jus in Sacra tot onberekenbaar nadeel voor de Kerk; zoodat nu (ik zeg hier wat lang ontkend werd en wat thans iedereenweet) het theologisch onderwijs grootendeels overgeleverd is aan hen, wier wetenschap rechtstreeks tegen het kenmerkend, niet enkel Gereformeerde of Protestantsche, maar Christelijke dezer Kerk gericht is". (Vrijheid van Chr. Nat. Schoolonderwijs, bladz. 113).
Ten opzichte van de „Academische richting der predikanten" schreef hij 21 Dec. 1869, dat in 1816 door de benoeming der hoogleeraars door den Staat aan de Kerk onrecht is gepleegd. „Dit was nu wel het nee plus ultra van Kerkverongelijking" !
Groen's gedachte was: niet de Staat, maar de Kerk moest de opleiding van de dienaren des Woords in handen hebben en was de Kerk voor die opleiding aangewezen op de Rijksuniversiteiten, dan moest de Kerk de hoogleeraren in de theologische faculteit benoemen.
Ten slotte stelt ds. mr. Den Hartogh nog deze vraag : Hoe is het te rijmen, dat Groen zoowel scheiding van Kerk en Staat begeerde, alsook tegelijkertijd aandrong op de verwezenlijking van zijn ideaal van den Christelijken Staat ?
Hierop luidt het antwoord :
„Scheiding van Kerk en Staat", aldus Groen, 21 Mei 1872, „beteekent in ons Lexicon Zelfstandigheid van de Kerk". En 23 Juni daaraan voorafgaande getuigde hij, dat hij op dit punt „mede orthodox-discipel van Calvijn, op grond der Heilige Schrift was.
Als bewijs citeerde hij uit zijn Kameradvies van 3 Dec. 1855.
„Men hoort veel gewagen van scheiding van Kerk en Staat. — Kerk en Staat zijn onafhankelyk in eigen kring, zoodat noch de Kerk onderworpen zij aan den Staat, noch de Staat aan de Kerk".
25 Sept. 1872 uitte Groen zich in denzelfden zin :
„Dit is de theocratie ook van Calvijn. Niet de onderwerping van den Staat aan de Kerk, maar de onderwerping van beide aan God en zijne eeuwige wet".
Groen wilde „zelfstandigheid eener Kerk, die vereeniging met den Christelijken Staat waardeert, maar zich van den niet-Christelijken losmaakt".
Losmaking van den niet-Christelijken Staat beoogde Groen, toen hij in 1862 noodgedwongen, uit vrees voor erger, tijdelijk aanvaardde de scheiding van Kerk en Staat in zuiver liberalen zin. Dit aanvaarden was geen prijsgeven van zijn beginsel. Het was een toerusten. „Ik berust in den gegeven toestand van een niet-Christelijken, maar evenmin anti-Christelijken Staat".
Zoo Groen in de Voorrede op zijn „Vrijheid van Chr. Nat. Schoolonderwijs". Dat Groen niet van beginsel veranderd is, blijkt b.v. sterk uit hetgeen hij in dezelfde Voorrede schrijft:
„Ook thans" (N.B.!) „zeg ik : Geen verloochening van den Christelijken Staat. Zegt men : „Er moet volkomen scheiding van Kerk en Staat, volkomen onzijdigheid zijn", dan luidt Groen's wederwoord : „wij zullen er in berusten, mits deze belofte worde vervuld, mits er inderdaad neutraliteit zij".
Voor het oogenblik is de scheiding „onze wensch, niet omdat we thans zelven met het liberalisme bezield zijn, maar omdat wij, op kerkelyk terrein, elken band willen verbreken met een politieken toestand, die in Staatsalvermogen, voor iedere Kerk verderfelijk, zijne hoogste ontwikkeling bereikt".
Groen legde zich tijdelijk neer bij den „godsdienstloozen Staat", uit vrees voor een „erger dan godsdienstloozen Staat". Maar zijn doelwit was en bleef : de Christelijke Staat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's